Home

Luister naar jezelf zoals je in de bergen klinkt

In het dorpje in de vallei ver onder mij is de zon al uren geleden ondergegaan. Hier, op zo’n 2.500 meter hoogte, begint de zon nu pas, in oranjeroze flarden, haar terugtrekkende bewegingen te maken. Ik heb mijn tent net opgezet, vlak naast een bergmeertje waar ik bij aankomst gelijk in was gedoken – een bezweet lijf verruilend voor een tintelend lijf. Aan de overkant proberen de marmotten me met hoog gepiep weg te krijgen.

Fleur Jongepier is schrijver, bergliefhebber en aquareldocent. Recent verscheen haar boek Berghonger, waarop dit stuk is gebaseerd.

Ik zet mijn brandertje aan om water te koken. Het valt om, en nog eens, maar ik vloek niet, waarom zou ik ook. Ik maak een kopje thee waar ik wat jonge larikstwijgjes in gooi die ik van de bomen had getrokken, op de weg naar boven toen er nog bomen waren. Ik proef de lariks eigenlijk nauwelijks, maar het idee smaakt sterk.

Ik kijk naar de kudde steenbokken verderop, die als silhouet afsteekt tegen de gletsjer aan de overkant, waar ik een paar dagen geleden nog op stijgijzers stond. Ik denk helemaal nergens aan – ik kijk, luister en ruik alleen maar. En ik ben tevreden – ik ben zo tevreden dat het niet eens bij me opkomt dat ik tevreden ben.

Alhoewel, dat ik nergens aan denk klopt eigenlijk niet. Ik denk in de bergen niet aan mijn werk, of aan de WOZ-beschikking waar ik nog bezwaar tegen moet maken. Tegelijkertijd voel ik vaak, zodra ik weer thuis ben, dat er iets onder mijn huid is gekropen. Alsof ik toch ergens op heb zitten kauwen. Niet zozeer met mijn hoofd – er gaan helemaal geen zinnetjes door mijn hoofd die ik op pro- en contra lijstjes zou kunnen zetten – maar met mijn lijf. Door elke dag urenlang alleen maar omhoog en omlaag te lopen, en me bezig te houden met dorst, honger en kleine pijntjes, en misschien wat zorgen over die onweerswolk daar verderop, blijkt er op de berg vaak ruimte te ontstaan voor andersoortig denken en voelen.

Verdwijnende gletsjers

Mijn lichaam blijkt op de berg prima in staat om zich niet alleen te bekommeren om de takjes die in mijn gezicht kunnen slaan en mijn basale fysieke gesteldheid, maar ook met vragen die te maken hebben met of ik niet te veel werk, of ik wel goed in mijn vel zit (en of ik mijn vel überhaupt wel voel), waarom het soms niet lukt om dingen die ik belangrijk vind in mijn leven meer prioriteit te geven. En ook dingen die niet direct over mijn eigen kleine leven gaan, maar over de gletsjers om me heen die in moordend tempo verdwijnen, regeringsleiders die zich onttrekken aan klimaatafspraken, uitgehongerde mensen die beschoten worden bij voedseldistributiepunten.

Ik lees daarover, thuis, en het is niet dat het me niet raakt. Maar écht daarbij durven stil staan, het daadwerkelijk binnen laten komen? Ik maak mezelf graag wijs dat me dat heus lukt wanneer ik cruesli in mijn schaaltje yoghurt gooi of de vaatwasser uitruim. Maar wanneer ik alleen ergens op een bergkam voor mijn tentje zit en dat besef zich plotseling als een dikke zwiepende tak in mijn gezicht slaat, voelt het toch net anders.

Juist doordat ik in de bergen mijn hoofd een flinke kluif toewerp, en het vaak na een paar honderd hoogtemeters al zijn mond houdt, lukt het me om op een andere manier stil te staan. Niet bij de kleinere, lopende dingen maar de grotere vragen en gevoelens waar ik op zeeniveau geen ruimte voor heb of die ik soms bewust uit de weg ga.

Ik leef op in de bergen. Alsof ik vacuüm ben verpakt en er zuurstof bij komt. In de bergen merk ik dat mijn voorstellingsvermogen weer op adem komt, dat ik meer rustige aandacht heb. Ik kan ook dát doen, dat zou er ook zó uit kunnen zien, en waarom doen ze dát niet. Ik til een steen op en zie een duizendpoot, en vergeet dat ik daar eigenlijk niets ‘aan heb’. Pas dan besef ik hoezeer de plek waar ik ben en de routine waar ik in zit bepalen wat ik me kan voorstellen als wenselijk of als mogelijk, en wat ik recht onder mijn voeten zie of in de lucht opmerk.

Tijdens een bergtocht kunnen je zomaar allerlei wilde gedachtes bespringen. Tenminste, ‘wild’ gezien vanuit zeeniveau. Bijvoorbeeld de gedachte om te emigreren, vier dagen te gaan werken, bepaalde vriendschappen of familiebanden te verdiepen (of juist te beëindigen), te gaan protesteren of vrijwilligerswerk te gaan doen, om polyamorie uit te proberen, in therapie te gaan, uit therapie te gaan, je huis open te stellen voor vluchtelingen, een nieuwe taal of instrument te gaan leren, of radicaal meer ruimte te maken om vaker te schilderen, dansen of houtbewerken. Soms loop ik over een prachtige bergrug en dan denk ik: weet je wat, ik ga een boek schrijven. Een boek over wat de bergen allemaal los kunnen maken. Over hoe ver je tegenwoordig omhoog moet lopen om nog de ruimte te vinden voor verbeelding.

Slootwater in je kopje

Meestal belanden zulke ideeën en dromen van mijn ‘bergzelf’ weer in een diepe lade zodra ik terug thuis de voordeur weer opendoe. Alsof ik daarvoor de tijd heb. Alsof ik de levens die ik me boven de boomgrens zo kleurrijk kan voorstellen daadwerkelijk kan uitvoeren. Bij de koffieautomaat op je werk, als je je collega’s weer spreekt nadat je een paar weken weggeweest bent: „Lastig erin komen, hè? Ja, haha, ik moet ook mijn draai weer even vinden, hoor!” En weer door, je bergzelf intussen met het slootwater in je kopje wegslikkend.

Zodra de geur van neplavendel door het huis trekt die van de waslijn vandaan komt, schud je je heimwee naar de bergen snel weer van je af – want dat is wat het lijkt: niets meer dan wat vakantieheimwee. En zo sukkelen de verse prioriteiten, idealen en morele emoties weer in slaap. De heerlijke rookgeur van dat kampvuurtje in je kleren is plots vieze was; de berg is niet meer het leven, maar gekrompen tot vakantie.

Maar welke stem zegt eigenlijk dat al die gedachtes en ideeën in de bergen dromerig en onrealistisch zijn en alleen op wat we ‘vakantie’ noemen mogen bestaan? En waarom is het per se die stem, die zo minachtend onze plannen en beelden van andere mogelijke levens weglacht, waarvan we denken dat die echt de onze is, de stem die werkelijk namens onszelf zou spreken? Waarom niet de stem die je in een drukke metro terug naar huis toefluistert: is dit het nou?

Ik vond het lang heel logisch om het bruisende zelf op hooggelegen bergplateaus, het zelf tussen steile kliffen of het zelf in slaapzalen van spartaanse berghutten te beschouwen als mijn naïeve zelf, mijn kinderlijke, avontuurlijke, fantasierijke zelf. Ik kon weliswaar met een liefdevolle blik naar dit bergzelf kijken, maar beschouwde het niet als iemand om serieus te nemen of om te volgen, laat staan iemand om beslissingen aan over te laten over de richting van mijn leven. Het vermoeide zelf dat na de eerste paar werkdagen op de bank neerploft en een zompige pizza bestelt, terugdenkend aan die zinloze vergadering – dat was mijn ware zelf, dat was wie ik echt was.

Tikkeltje apathisch

Zo zwart-op-wit is dat natuurlijk onzin. Maar kijkend naar de geleefde praktijk heeft het bergzelf niet vaak de broek aan in huis. Het zelf op zeeniveau maakt doorgaans de dienst uit: het zelf dat conservatief is ingesteld, een tikkeltje apathisch is, dat koerst op stabiliteit, dat meer van hetzelfde wil en geen zin heeft om dingen open te breken of om te gooien. Voor het bergzelf is verandering zuurstof, voor het zelf op zeeniveau is het benauwdheid.

Beide zijn even hard nodig. Het probleem is: we luisteren zelden naar het bergzelf. Dat is vaak niet meer dan een verwonderd kind op zoek naar avontuur dat we heel af en toe op de alp uit laten razen en dat we, wanneer het niet naar huis wil, gauw een Cornetto in de mond proppen. We vragen zelden waarom het huilt.

Niet dat ik altijd vrolijk uit de bergen terugkom. Ik ga naar de bergen omdat ze overdonderend mooi zijn. Ze blazen me omver, ze trekken mijn hoofd leeg, ze laten me ergens met een bek vol tanden op een top zitten uitkijken over ontelbare paarsblauwe kartellijnen. Wat ik najaag is bergeuforie in haar puurste vorm. Maar zo nu en dan kom ik ook melancholisch van de bergen vandaan. Want waarom lukt het alleen daar, zo hoog, zo afgelegen, zo ver weg van al die voorbij zoevende fatbikes, rokende fabrieken en knipperende neon-reclameborden? Waarom kan alleen daar mijn voorstellingsvermogen op adem komen en de kans krijgen zich te vergalopperen?

Ik heb in de loop der jaren geleerd om mijn bergzelf niet weg te cijferen of weg te lachen, maar het is telkens weer een enorme opgave om het eenmaal thuis vast te houden of terug te halen. Toch blijf ik mijn best doen, waarbij het idee van een bergzelf trouwens helemaal niet altijd al te letterlijk moet worden genomen. Je kunt ook in het klein het bergzelf meer stem geven. Ik stel me iemand voor die ooit gepassioneerd een instrument bespeelde, maar daar de tijd niet meer voor ‘vond’ en nu na lange tijd toch weer eens een snaar beroert en denkt: dit ben ik verloren en ik zal het nondeju terugbrengen in mijn leven en – cruciaal – dat ook daadwerkelijk doet.

De melancholie die ik soms voel, komt door het besef dat de wereld buiten de bergen ons hardhandig duwt in de richting van geen-tijd-voor, van spullen kopen en stappen tellen, van overspannenheid, van schouderophalen, van ‘ach, wat heeft het allemaal voor zin’. Ik kan makkelijk afgeven op het zelf op zeeniveau, maar uiteindelijk is het helemaal geen probleem van het zelf, van het individu, of dat zich nou boven of onder NAP bevindt.

Dat weet het bergzelf trouwens heus wel. Maar waar het zelf op zeeniveau zegt: nou ja, tegen systemen valt weinig te beginnen, zal mijn bergzelf blijven bokken, blijven weigeren, blijven steigeren. Het bergzelf ziet, hoort, ruikt en proeft wat er allemaal is, hoe verdomd prachtig het kan zijn, en zal blijven weigeren om zich erbij neer te leggen dat alles nou eenmaal is zoals het is, en dingen nu eenmaal gaan zoals ze gaan.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Slim Leven

Stukken die je helpen om je leven fijner en je carrière beter te maken

Source: NRC

Previous

Next