Home

Nederlander Koos van Houten overleefde in 1945 de atoombom op Nagasaki: ‘Een afgrijselijk vernietigingswerktuig’

Tachtig jaar na atoombom op Nagasaki is de nucleaire wapenwedloop terug van weggeweest. Ooggetuige Koos van Houten waarschuwde een leven lang tegen de bom.

is wetenschapsredacteur van de Volkskrant en schrijft geregeld over de Tweede Wereldoorlog

Hij was bezig om puin bij elkaar te zoeken vlakbij de scheepswerf waar hij werkte, toen hij plotseling een felle schokgolf voelde. Later zou hij zich vooral dat licht herinneren, zo fel dat het dwars door zijn gesloten ogen drong. Hij liet zich voorover vallen en durfde pas minuten later op te staan. Hij wist niet wat hij zag: de grote stad met fabrieken en gebouwen was veranderd in een ruïne, overal om hem heen klonk geschreeuw.

Het was donderdag 9 augustus 1945, 2 minuten over 11, en Koos van Houten had zojuist gezien hoe een Amerikaanse bommenwerper een atoombom op Nagasaki had laten vallen. Tweeënhalf jaar lang had Van Houten in die Japanse stad gewerkt als dwangarbeider, in Kamp Fukuoka 14B, waar een regime heerste van honger, hard werken, slaag en vernederingen. De bom bracht de bevrijding waarnaar hij had gesnakt, maar de herinnering aan de vreselijke uitwerking zou hem altijd blijven achtervolgen.

In de rubriek Toen duiken historici en specialisten van de Volkskrant in het verleden om de actualiteit beter te kunnen begrijpen.

Deze week is het 80 jaar geleden dat de Fat Man, de bijnaam voor de tweede atoombom, boven Nagasaki explodeerde, drie dagen nadat havenstad Hiroshima was getroffen. Kort daarna capituleerde Japan. Alleen al in Nagasaki vielen uiteindelijk ruim 70 duizend doden, onder wie negen Nederlandse dwangarbeiders. Tienduizenden Japanners kregen te maken met de verschrikkelijke gevolgen van stralingsziekte.

Nucleair taboe

Nooit meer. Decennialang was dát de wereldwijde overtuiging, kernwapens mochten niet meer worden ingezet. Maar nu het aantal conflicten groeit, staat dat nucleaire taboe onder druk. Na een jarenlange ontmanteling is het aantal kernwapens sinds een paar jaar weer aan het stijgen. Negen landen hebben nu bij elkaar 12.400 kernwapens en maken zich op voor uitbreiding van hun arsenaal. Deskundigen zien tekenen van een nieuwe wapenwedloop.

Niet voor niets kende het Nobelcomité de prijs voor de Vrede vorig jaar toe aan de Japanse organisatie van Hibakusha, ‘overlevenden van de bom’. Hun getuigenissen zijn volgens het comité van grote waarde om de mensheid voor levensgevaar te behoeden. Ook Koos van Houten zag al snel het belang van zijn ooggetuigenverslag. Bij terugkomst uit Japan schreef hij een brief naar Hilversum.

De directeur van de NCRV nodigde hem per brief uit voor ‘een causerie over de atoombom’. Het werd veel meer dan zomaar een praatje. Van Houten beschouwde het als zijn taak om te waarschuwen tegen het nucleaire wapen. Op 15 augustus 1946, een jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog, vertelde hij in Hilversumse studio aan de luisteraars hoe hij over de brandende puinhopen was geklauterd, terug naar het kamp, dat volledig bleek te zijn verwoest.

Hij had nog geprobeerd om een kameraad te bevrijden die onder een zware stalen balk terecht was gekomen. ‘We hebben hem achter moeten laten omdat de vlammen al dichterbij kwamen. Dit beeld heb ik mijn leven lang niet kunnen vergeten. Toen we twee dagen later weer op deze plaats kwamen, vonden we niets anders dan verkoolde restjes.’

Dode stad

Twee dagen na de atoomaanval was hij vanuit zijn schuilplaats in de heuvels teruggekeerd naar Nagasaki, vertelde hij. Urenlang had hij door ‘een dode stad’ gedwaald. ‘Waar eens de fabrieken op volle kracht werkten, waar huizen stonden voor duizenden arbeiders en vissers, was nu niets anders dan wat gloeiende as. Verbogen stalen geraamtes, een lijkengeur.’

Zijn afschrikwekkende verhaal kende toch nog een lichtpuntje: na de bom hielpen de dwangarbeiders niet alleen elkaar maar ook de Japanners, die ze jarenlang diep hadden gehaat. ‘Als je iemand ziet lijden, ook al is het uw grootste vijand, dan steekt ge toch uw reddende hand uit’, legde hij uit. Die medemenselijkheid was wederzijds. Zijn leven lang zou Koos van Houten ‘als een schat’ de jas bewaren die hij vlak na de atoomaanval van een Japanse soldaat had gekregen nadat zijn eigen kleding was verbrand.

Van Houten overleed in 1998. Zijn jas had hij daarvoor al geschonken aan het Haagse museum Museon-Omniversum. Samen met zijn pet, die nog sporen van de bom vertoonde. Ruim twintig jaar na zijn dood stonden ze daar in een vitrine, op een tentoonstelling over de Japanse bezetting. Als waarschuwing tegen wat hij ‘een afgrijselijk vernietigingswerktuig’ noemde.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next