Home

Inktmakers experimenteren met steeds nieuwe kleuren en soorten vulpeninkt. En voor ze het weten hebben ze een vulpeninktbedrijf

Inktmakers Met de populariteit van kalligrafie en papieren planners en dagboeken, stijgt de vraag naar vulpeninkt. Kleine vulpeninktbedrijven experimenteren met steeds nieuwe kleuren en soorten.

Flesjes en samples inkt van verschillende grote en kleine merken: Akkerman, Anderillium, Colorverse, Diamine, L’Écritoire, Pennonia, Pilot, Shanghai Stationary, Troublemaker en Visconti, uit de collectie van de auteur.

O, gaan jullie verhuizen’, vragen mensen weleens als ze voor het eerst bij Emile ’t Gilde en Astrid Michelson thuis in Geldermalsen komen – overal staan dozen. Maar nee, daarin zitten karton, papier en inktflesjes van het schrijfwarenbedrijf dat het stel heeft opgericht. ’t Gilde werkt bij een firma die lasrobots in elkaar zet, Michelson is bouwkundige, en daarnaast verkopen ze onder meer zelfgemaakte vulpeninkt, onder de naam Shanghai Stationary.

Geen spelfout maar een woordspeling, die naam. Want natuurlijk schrijf je stationery (schrijfwaren) eigenlijk met de e van envelope. Maar stationary (vast, stilstaand) verwijst naar het vasthouden van het moment waarop ze elkaar voor het eerst ontmoetten. Shanghai, 2012. Zij bezocht haar zus, hij was er voor werk. „Ze stond aan de bar, het was liefde op het eerste gezicht”, vertelt ’t Gilde. Drie jaar later trok ze vanuit München bij hem in, in Geldermalsen. Het idee om vulpeninkt te gaan maken ontstond in een Münchense winkel met pigmentpoeders en kleurstoffen voor verf (Michelson schildert). Nu maken ze eens per kwartaal een voorraadje inktconcentraten om verschillende kleuren vulpeninkt mee te creëren. In de loods van hun overbuurjongen die brommeruitlaten maakt, zijn ze begonnen.

Veel inktliefhebbers hebben een verzameling kaartjes (‘swatches’) waarop ze zelf al hun verschillende soorten inkt hebben getest, om goed te kunnen zien hoe de kleuren er op papier uitzien.

Vulpeninkt is een groeiende markt. Kalligrafie en ‘handlettering’ (het mooi tekenen van letters) zijn momenteel populair, net als het bijhouden van papieren planners, ‘bujo’s’ (bullet journals) en (dankbaarheids)dagboeken. Dat alles voedt de vraag naar steeds nieuwe kleuren en soorten inkt. Wereldwijd bestaan meer dan zevenhonderd vulpeninktmerken, lang niet allemaal van grote vulpenfabrikanten (zoals Pilot en Sailor) of gespecialiseerde inktmakers (zoals Diamine en J. Herbin). Er zijn ook steeds meer inktmakers die naast hun dagelijks werk zijn begonnen te experimenteren met zelfgemaakte inkt. En voor ze het weten hebben ze een vulpeninktbedrijf.

Neem Bert Anderson. Een jaar of tien geleden zat hij, als promovendus biochemie, gespecialiseerd in landschapsveranderingen in moerasgebieden aan de kust, in een raamloos lab aan de universiteit van South Florida. „Ik wilde altijd al weten hoe de wereld werkt”, vertelt hij aan de telefoon, „en toen ik begon te begrijpen hoe spullen om ons heen gemaakt worden, dacht ik, als vulpengebruiker: inkt, dat kan ik ook wel.” Van promoveren kwam het niet meer. Anderson werkt nu als industrieel ontwerper, schrijft aan zijn tweede roman en runt sinds 2018 samen met zijn moeder en zijn zoon zijn eigen vulpeninktbedrijf, Anderillium.

Of neem Máté Bikfalvi uit Boedapest, Hongarije, die bij een financieel bedrijf werkt. Hij begon zijn vulpeninktbedrijf Pennonia vanuit een kamer in het huis van zijn oma. Eerst begon hij, in 2018, een online schrijfwarenwinkel. Maar omdat papier versturen duur is en de concurrentie groot, wilde hij er iets speciaals aan toevoegen: zijn eigen lijn vulpeninkt. „Ik hield altijd al van vulpennen”, vertelt hij. „Dus dat was een logische stap.” Ook zijn moeder is nu werknemer in zijn inktbedrijf.

Deze drie bedrijfjes maken niche-vulpeninkten, maar gerespecteerde niche-vulpeninkten. Maar hoe en waar begin je als je inkt wilt maken? „Ik heb alleen scheikunde op havo-niveau”, bekent ‘t Gilde. „En Rembrandt maakte zijn eigen verf en daar is meer over bekend. Maar wij dachten, net als Pippi Langkous: we hebben het nog nooit gedaan, dus we denken wel dat we het kunnen.” ’t Gilde en Michelson hebben net als Bikfalvi veel geleerd van gesprekken met andere inktmakers. Allemaal hebben ze veel geleerd van doen, proberen, zoeken.

„Inkt maken is als bakken”, zegt Anderson. „Zodra je weet wat de ingrediënten doen, de eieren en de boter en de baksoda, kun je gaan sleutelen aan je recepten.” Ook vulpeninkt heeft bepaalde standaardingrediënten, om te beginnen water en een kleurmiddel. Er zijn twee soorten kleurmiddelen, vertelt Anderson: dyes en pigments. „Een dye, een kleurstof, lost helemaal op, met een pigment krijg je vaste deeltjes in suspensie. Een pigmentinkt is eigenlijk een héél dunne verf.” Als pigmentinkt opdroogt in je vulpen, krijg je hem dan ook moeilijker schoon dan met kleurstofinkt, die in water oplost.

Een kleurmiddel in water is niet genoeg. „Elk molecuul met een koolstofverbinding erin lokt organismen die dat graag eten, en dus heb je conserveermiddelen nodig”, zegt Anderson. „En verder een humectant, een bevochtigingsmiddel, dat helpt bepalen hoe snel het water uit de inkt verdampt, en een surfactant, een oppervlakte-actieve stof die beïnvloedt hoe je inkt door de pen vloeit.” Water heeft een vrij hoge oppervlaktespanning en daardoor voelt een waterige inkt gek genoeg ‘droog’, schraperig, aan als je ermee schrijft. Het helpt dan om een tandenstoker in kleurloze vloeibare zeep te dopen en het puntje ervan door de inkt in je pen te roeren; dan verlaag je de oppervlaktespanning van de inkt, zodat die meer uitsmeert en ‘natter’ aanvoelt.

Wie zelf wil proberen een eenvoudige kleurstofinkt te maken, zegt Bikfalvi, kan bijvoorbeeld voedselkleurstof kopen en glycerol gebruiken als bevochtigingsmiddel en oppervlakte-actieve stof. „Als je het binnen een week gebruikt heb je geen conserveermiddel nodig. In voedselkleurstof zit vaak natriumbenzoaat: niet het beste, maar ook niet het slechtste conserveermiddel. Voor thuisgebruik voldoet dat wel.”

Bij pigmentinkt heb je ook nog een emulgator nodig. „Een goedje dat ervoor zorgt dat de pigmentmassa goed verdeeld blijft”, vertelt ‘t Gilde. De precieze verhoudingen tussen de ingrediënten zijn het geheim van de smid. Omdat die verhoudingen zo belangrijk zijn, kun je inkt niet zomaar verdunnen met water. „Dan verdun je ook het conserveermiddel”, zegt Bikfalvi, „en moet je niet verbaasd zijn als de boel beschimmelt.” Ook inkt van grote merken beschimmelt soms: „Op internet zijn horrorfoto’s te vinden van schimmel die uit vulpennen groeit.”

Verzameling van samples (proefbuisjes van een paar milliliter) vulpeninkt.

Met conserveermiddelen heeft Bikfalvi aanvankelijk het meest geworsteld, vertelt hij. „Er bestaat geen universeel conserveermiddel, en sommige werken alleen binnen een bepaald pH-bereik.” Ruik altijd aan je inkt, adviseert hij. „Schimmel stinkt, het ruikt niet chemisch. Sommige schimmel zie je niet, bijvoorbeeld in zwarte inkt, maar ruik je wel. En als je een inktflesje opent en je hoort het geluid van een frisdrankfles, is het ook niet goed meer.”

Kleur is weer een ander belangrijk deel van de puzzel. Je kunt inkt óók niet zomaar verdunnen, omdat extra water de tint kan veranderen. „Sommige inkt moet even blijven staan, dan verandert de kleur”, vertelt ’t Gilde. „Ik weet niet waarom; we ontdekten het bij toeval. Drie van onze kleuren zetten we nu eerst een weekje in de kelder.” Dan houden die inkten de kleur van de referentiestaaltjes op aquarelpapier die ’t Gilde en Michelson bijhouden.

De kleur van een inkt kan ook veranderen als de zuurgraad verandert. ’t Gilde en Michelson stampen pigment fijn, zoals het blauwe lapis lazuli, om er dan de kleur aan te onttrekken. „Bij lapis lazuli moet dat met een loog.” Een basische, dus niet-zure oplossing. „Aan andere pigmenten onttrek je makkelijker kleur met een zuur. Maar dan moet je de inkt daarna weer minder zuur maken. We hebben meegemaakt dat dan de kleur veranderde.”

Links: Veel vulpen- en inktliefhebbers (zo ook de auteur) houden in een boekje bij welke inkt ze wanneer in welke pen hebben gestopt.Rechts: Veel inktliefhebbers (zo ook de auteur) hebben een verzameling kaartjes (‘swatches’) waarop ze zelf al hun verschillende soorten inkt hebben getest, om goed te kunnen zien hoe de kleuren er op papier uitzien.

Veel mensen denken dat zure inkt een vulpen kan aantasten. Maar Bikfalvi en Anderson maken zich daar weinig zorgen over. „Dat idee is een erfenis uit de tijd dat stalen vulpenpunten wijd verbreid raakten, rond 1820”, zegt Anderson. „Daarvoor schreven mensen met een ganzenveer. Maar stalen penpunten konden, in combinatie met een inktreservoir, veilig worden meegenomen. Een enorme revolutie, vergelijkbaar met de stap van bureaucomputer naar iPhone.”

Alleen leden de vroege stalen penpunten, in tegenstelling tot keratine ganzenveren, onder het zwavelzuur in de destijds gangbare ijzergalinkt. „Ze gingen er makkelijk door roesten”, zegt Anderson. „Vergulde penpunten waren resistenter, gouden penpunten al helemaal.” Tegenwoordig zijn stalen penpunten meestal van roestvrij staal.

In een overzicht in het glossy tijdschrift van de Parijse pennenwinkel Point Plume hebben alle vermelde Sailor en Pilot-vulpeninkten een pH tussen 7 en 11 (alkalisch), en alle Montblanc-inkten tussen 3 en 6 (zuur). Alle drie die merken maken gewaardeerde inkten. „Misschien is de conclusie dat het niet meer uitmaakt als inkt zuur is”, zegt ’t Gilde.

Sommige vulpeninkten hebben, naast uiteraard kleur, ook nog andere eigenschappen: shading, sheen of shimmer, elk met fans en haters. Shading betekent dat geschreven inkt op sommige plekken lichter en op andere donkerder opdroogt. „Daarvoor moet er niet te veel kleurstof in je inkt zitten”, zegt Bikfalvi. „Je sleept de kleurdeeltjes mee als je schrijft.” Die hopen zich dan op waar je de pen van het papier tilt.

Sheening inkt, met zijn metalige glans, is juist heel gesatureerd. Een deel van de kleurstof trekt niet in het papier, maar hoopt zich op aan het oppervlak. „Daar kristalliseert het”, legt Anderson uit. De kleurstof die intussen in het papier trekt, kan niet die grotere kristalstructuren vormen, zegt Anderson: er zitten papiervezels in de weg. „De groeven in die kristallen reflecteren het licht met een andere golflengte, dus in een andere kleur.”

De kleurstof die in het papier trekt, kan niet die grotere kristalstructuren vormen, zegt Anderson: er zitten papiervezels in de weg. Het effect is dat de inkt tweekleurig lijkt: de sheen heeft meestal een spectaculaire andere kleur, vooral vanuit een hoek gezien. „Vergelijkbaar met het iriserende effect van pauwenveren.” Ook sheen kun je plannen, zegt Anderson. „Maar het aantal kleurmogelijkheden is beperkt.”

Shimmer, tot slot, is gewoon glitter: mica-deeltjes van maximaal 60 micrometer, zegt Bikfalvi. Haters klagen dat het je vulpen kan verstoppen.

Sowieso worden alle inkteigenschappen (sheen, shading, shimmer en de ervaren ‘natheid’ van de inkt) beïnvloed door de vulpen en de papiersoort. „Ik ben nog amper in die papierkant gedoken”, zegt Anderson. „Maar daar gaat het om vragen als: hoe groot en hoe regelmatig zijn de afstanden tussen de papiervezels, en is het papieroppervlak gewaxt? Het effect is altijd een intens complex samenspel tussen pen, papier en inkt.” En net zoals je uit allerlei vulpennen en inkten kunt kiezen, zijn er ook verschillende soorten vulpenvriendelijk papier. Maar dat is iets voor een andere keer.

Inkt van Shanghai Stationary (ruim dertig kleuren) is in Nederland alleen bij Akkerman in Amsterdam en Lorjé in Utrecht te koop.

Inkt van Anderillium (vier series van elk acht kleuren, per serie genoemd naar verschillende inktvissen, vogels, vissen en vlinders) is in Europa alleen online bij Pendora.be te bestellen.

Daar is ook Pennonia- inkt te koop (ruim veertig tinten), die verder te vinden is bij Fontoplumo in Delft.

Source: NRC

Previous

Next