Home

Mild voor jezelf, hard voor de ander

Thomas Hogeling beschouwt wekelijks de publieke opinie. Wat wordt er gezegd en vooral niet gezegd? Deze keer: mild zijn voor jezelf, hard voor de ander.

Mijn iPhone 12 Mini werkt ook in het buitenland. Ik wil niet opscheppen, maar zelfs op de natuurcamping in Zuid-Frankrijk had ik regelmatig 4G met meerdere streepjes. Aan het schilderachtige riviertje La Cèze scrolde ik me dus een ongeluk. Steeds meer gruwelijke beelden uit Gaza, ook steeds meer mensen die zich tegen Israël uitspraken. Drukbezochte demonstraties en veel online activisme, vooral jongeren vragen zich steeds luider af waarom het kabinet zo weinig doet. We kunnen toch zien wat de Palestijnen wordt aangedaan? Laten we dat maar gebeuren?

Logische vraag, maar De Telegraaf stelde een andere: waarom bekommeren al die jongeren zich toch zo om het lot van de Palestijnen? Waar komt dat fanatisme vandaan? Als je dat echt niet begrijpt, kun je het misschien ‘t best aan de jongeren zelf vragen, maar verslaggever Koen van Eijk koos voor een andere aanpak. Hij ging te rade bij respectievelijk Coen de Jong (1969), Ewald Engelen (1963), Frank Bosman (1978) en Maarten Boudry (1984). Wie benieuwd is naar de drijfveren van jongeren, heeft weinig aan het artikel; het is het bekende riedeltje over de vermeende morele superioriteit van links, nogal overdadig aangevuld met verwijzingen naar het bijbelverhaal van Exodus, de ontkerkelijking en het Marxisme, genoeg voor een moddervette krantenkop van drie woorden: Hooghartige, onuitstaanbare intolerantie, waarvan akte.

Toch heb ik het artikel een aantal keer gelezen, want het is wel nuttig voor wie beter wil begrijpen waar het onbegrip voor de protesterende jongeren vandaan komt. Dat is natuurlijk best iets geks; dat je elke dag de beelden ziet van de sadistische uithongering van Palestijnen, de totale verwoesting, zwaargewonde kinderen en dat je dan denkt: waarom zijn al die mensen toch zo boos? De vraag die er vaak op volgt, zo ook in dit artikel: en waarom niet om andere gruwelijkheden, zoals in Soedan? „Dat beschouwen deze mensen als niet-relevant”, stelt Boudry. „Dat zijn Afrikanen tegen Afrikanen. Daar hebben wij toch niets mee te maken? Maar Israël, dat is ‘koloniaal’, net als ‘wij’. Dus: ‘wij’ zijn slecht.”

Hij zegt het alsof hij het de jongeren verwijt; dat ze wel kritiek uiten op een bondgenoot, maar niet op organisaties of legers waar Nederland geen banden mee heeft. Terwijl dat toch volkomen logisch is; mensen gaan niet de straat op om vrijblijvend hun afschuw te laten blijken, het zijn protesten met als doel dat Nederland koers wijzigt. De keuze om wel of niet de straat op te gaan is niet primair gebaseerd op de mate van misdadigheid, maar op medeplichtigheid. Als Nederland warme banden had onderhouden met Hamas, Poetin of de Soedanese rebellenbeweging RSF, dan zou daar ongetwijfeld ook tegen worden geprotesteerd.

Ik heb lang gedacht dat het bijna routineus wijzen op andere genocides en oorlogen eenvoudig whatboutism was, puur bedoeld om af te leiden van de oorlogsmisdaden van Israël – hoe vaak zou Nagorno-Karabach het afgelopen jaar in de media zijn genoemd zonder dat het tegenover Gaza werd gezet? Maar door het Telegraaf-artikel realiseerde ik me dat het meer is dan afleiding, het is ook overtuiging. Het is een heel ander wereldbeeld en een ander idee van politiek. Boudry noemt het demonstreren tegen bondgenoot Israël „een vorm van ritueel zelfbeklag”, een soort zelfkastijding. Het doet denken aan de term oikofobie, in Nederland vooral bekend geworden door Thierry Baudet, die waarschuwde voor de afkeer van de eigen cultuur en beschaving. Als er zoveel foute regimes bestaan om boos op te worden, waarom kies je dan uitgerekend voor een bondgenoot?

Het verschil zit ‘m in uiteenlopende ideeën over waarin het gevaar voor onze samenleving schuilt. De protesterende jongeren geloven dat je daarvoor vooral naar jezelf moet kijken, de andere groep ziet gevaar van buitenaf. Journalist Rinke Verkerk verweet Andries Knevel dat hij „van Israël houdt alsof het een voetbalclub is” en daarmee sloeg ze de spijker op de kop. Natuurlijk doen wij ook wel eens iets fout, is de gedachte, maar wie niet? Gewoon niet te veel zeuren en achter je team blijven staan.

Mild zijn voor jezelf, hard tegen de ander: op een voetbalveld is dat nog wel lekker, maar het punt is dat het in de echte wereld vooral veel onschuldige slachtoffers eist.

Source: NRC

Previous

Next