Operette Muziek kent tal van genres en subculturen: NRC’s muziekprofessor biedt essentiële muziekkennis. Deze week: operette. Wat moet je luisteren en wie moet je kennen?
Rooie Annie, In ’t witte paard, en De Parel van Zaandam: je zou bijna zweren dat het oude bruine kroegen zijn, waar het bier rijkelijk vloeit en de sterke verhalen nog rijkelijker. Toch niet: het zijn operettes. Dit speelse broertje van de opera en voorloper van de musical tapt graag uit een vaatje van sterke verhalen, grappen, en (romantische) intriges. In de hoogtijdagen – zo tussen 1850 en 1920 – kon je je er in het theater uitstekend een avondje mee vermaken.
Halverwege de negentiende eeuw begon de Parijse opera-scene steeds ernstiger te worden. De opéra comique, het komische genre dat een eeuw eerder was opgekomen als luchtige tegenhanger van gezongen tragedies, verloor zijn lach. Humor had een re-branding nodig. Operette was het antwoord: luchtige verhaallijnen, gesproken dialogen en dansscènes met de allure van opera en de verslavende melodiek en catchyness van café-chantant en vaudeville. Vanuit Parijs trok er een operette-rage naar Wenen, Londen, Amsterdam en verder. In Nederland kwamen de meeste voorstellingen van buitenaf: Duitse en Franse gezelschappen kwamen langs op tournee of Nederlandse artiesten voerden vertaalde versies uit. Operettenummers gingen dikwijls ook een eigen leven leiden als losse hit bij militaire orkesten, variétéshows en symfonische openluchtconcerten.
Operette is opera-achtige muziek met een bubbeltje erin. Op zeker moment knalt de kurk eraf en bruist de muziek uit de orkestbak. Op het podium barst de boel dan ook los: ritme, roes en romantiek worden royaal uitgeserveerd. In Wenen konden componisten daarbij niet zonder de wals, in Berlijn greep men graag naar de marsmuziek, en de Hongaren roerden hun pittige volksdansen door de partituur. Het levert melodieën die zo onweerstaanbaar zijn gecomponeerd dat ze je brein binnentrekken als een oorwurm met een vip-pas. En de zangers? Die hebben het hart op de tong en spelen een kostelijk spel van duwen en trekken met muzikale tijd, waarmee ze de gemoederen en konkelarij tot het kookpunt brengen.
Jacques Offenbach (1819-1880) was in Parijs de man van het eerste uur. Op zijn cv staat de eerste avondvullende operette, Orphée aux Enfers (1858), met het onsterfelijke cancan-nummer voor orkest. Offenbach was een door de wol geverfde melodieënmaker en deelde graag satirische speldenprikjes uit aan het bewind van Napoleon III. Wenen was het domein van walskoning Johann Strauss jr. (1825-1899). Hij combineerde zijn succesvolle balzaalidioom met romantische verhalen en bezorgde het genre daarmee gouden tijden. In het Verenigd Koninkrijk maakte het duo van librettist William Gilbert (1836-1911) en componist Arthur Sullivan (1842-1900) de dienst uit met operettes waarin de wereld op z’n kop stond. Wat betreft de twintigste eeuw is Franz Lehár (1870-1948) de naam om te onthouden: hij injecteerde het genre met een frisse dosis kleur en dramatische diepgang.
Strauss’ Die Fledermaus is een hilarisch verhaal over een chaotische avond vol verkleedpartijen waarmee iedereen elkaar genadeloos om de tuin leidt. In de beroemde aria ‘Mein Herr Marquis’ strooit kamermeid Adele haar lach als muzikale confetti in het rond. Gilbert & Sullivan gooiden hoge ogen met The Pirates of Penzance, een knotsgekke operette over een jongen die per ongeluk in de leer komt bij een bende sentimentele piraten. Toen de operette het langzaamaan begon af te leggen tegen film, revue en cabaret scoorde Lehár in het Wenen van 1905 met Die lustige Witwe nog een megahit. Na het dubbelzinnige verleidingsspel van de schatrijke weduwe Hanna en haar op fortuin beluste ex-geliefde Danilo klinkt hun liefdesduet ‘Lippen schweigen’ in de laatste akte zo smeuïg als chocoladefondue.
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden
Source: NRC