Home

Volgens een beroemd citaat van John Lennon was er vóór Elvis niets. Maar dat zit anders

Elvis Presley In zijn boek ‘Before Elvis’ toont Preston Lauterbach aan dat de rockzanger niet uit de lucht kwam vallen. Hij beschrijft de bloeiende zwarte cultuur in Memphis, waaruit Presley heeft geput.

Zangeres Mahalia Jackson (1911-1972), Elvis Presley (1935-1977), en Barbara McNair (1934-2007), in 1969. Foto the Abbott Sengstacke Family Papers/ Robert Abbott Sengstacke/ Getty Images

„Vóór Elvis was er niets.” Dit beroemde citaat van Beatle John Lennon staat groot op een billboard schuin tegenover Graceland, het landgoed van Elvis Presley in Memphis. Een aantrekkelijk idee. Lennon benoemt hier de revolutionaire kracht die Elvis in de jaren vijftig was in de jeugdcultuur: vóór Elvis was alles braaf en saai, na Elvis was er vrijheid, rebellie, opwinding.

Preston Lauterbach. Before Elvis: The African American musicians who made the King. Grand Central Publishing, 320 blz. € 34,95

Maar in zijn boek Before Elvis toont Preston Lauterbach aan dat de rockzanger niet uit de lucht kwam vallen. Vóór Elvis Presley was er in Memphis een bloeiende zwarte cultuur waaruit de rockzanger kon putten. Zijn muziek, zijn uitbundige kleding en zelfs zijn fameuze heupwiegen nam hij daaruit over. Elvis bracht de opwindende zwarte muziek naar een groot, wit publiek, legde de basis voor de hedendaagse popmuziek, en droeg zo bij aan de desegregatie van het Amerikaanse Zuiden.

Natuurlijk bleef Elvis ook geworteld in de witte Zuidelijke cultuur. Van de pakweg 720 liedjes die hij uitbracht, zijn er 120 van zwarte artiesten. Je zou dus ook een boek kunnen schrijven over de witte country en de traditional pop die hem vormde. Maar wat hem onderscheidde van andere witte artiesten uit die tijd, betoogt het boek, was de zwarte invloed. In een radio-interview uit 1956, waarmee het boek opent, verwerpt Elvis het idee dat hij de rock-’n-roll zou hebben uitgevonden: „Zwarte mensen zingen en spelen het al langer dan ik weet. Ze speelden het in de sloppen en de juke joints en niemand besteedde er aandacht aan totdat ik de muziek opvoerde.”

Vorm van verzet

Elvis zoog de zwarte cultuur in Memphis op als een spons. Hij tartte de segregatiewetten en bezocht niet alleen zwarte clubs en kerken maar kocht zijn kleding bij zwarte winkels en kwam thuis bij zwarte gezinnen. Zijn zwarte vrienden benadrukken dat hij altijd beleefd was – hij noemde iedere zwarte stadsgenoot ‘mevrouw’ en ‘meneer’. Klinkt normaal, maar dat was het niet in de racistische VS van die tijd – beleefd zijn tegen zwarte mensen werd zelfs gezien als een subtiele vorm van verzet.

Lauterbach schetst een mooi beeld van de zwarte muziekscene in Memphis in de jaren vijftig. De stad was streng gesegregeerd, maar mede dankzij de populaire muziek kwam daar langzaam verandering in. Instrumenteel hierin was de radio. Radiozenders als WDIA en WLAC ontdekten na de Tweede Wereldoorlog hoe opwindend witte luisteraars de nieuwe zwarte muziek vonden. De witte dj John R draaide louter zwarte muziek en deed zich met een blaccent voor als zwart persoon. Niet ongewoon in een tijd dat blackface minstrel shows als Amos ’n’ Andy populair waren op de Amerikaanse radio. Onder de enthousiaste luisteraars was de jonge Elvis, die niet veel later zelf werd geafficheerd als de witte jongen met de zwarte stem.

Het boek concentreert zich hierna op twee plaatsen die Elvis graag bezocht: de kerk East Trigg Missionary Baptist Church en de nachtclub Flamingo Room. De zwarte kerk weerstond de Zuidelijke segregatie en opende zijn deuren voor witte bezoekers als Elvis. De flamboyante dominee William Herbert Brewster was in de jaren vijftig een belangrijke kracht in de zwarte gospelmuziek en de burgerrechtenbeweging. Elvis nam de gospel mee in zijn muziekmix. Hij noemde gospel zelfs zijn favoriete genre en hij nam drie albums op met christelijke muziek.

Singer-songwriter en pianist Fats Domino (1928-2017) met Elvis Presley in 1969. Foto Graphic House

Gitaar-battle

In zwarte nachtclub de Flamingo Room zoog Elvis de rhythm & blues op. Nadat het Hooggerechtshof in 1954 in de zaak Brown v. Board of Education de segregatiewetten verwierp, ontving de club ook witte gasten. Om hen te plezieren speelde de huisband een mix van rhythm & blues en cowboyliedjes. Elvis heeft goed geluisterd. Volgens het boek heeft Elvis hier, „in de glamoureuze amoureuze sfeer” ook goed gekeken naar de opzwepend heupwiegende, met zijn benen zwabberende zanger Calvin Newborn die zijn gitaar bespeelde alsof hij „seks had met een vrouw”. Na een tijdje durfde Elvis zelf ook het podium op tijdens een gitaar-battle, om ‘Good Rockin’ Tonight’ te spelen.

Het boek geeft mooie portretten van enkele zwarte artiesten van wie Elvis muziek opnam. Bekende tijdgenoten als Little Richard en Chuck Berry laat het boek liggen om zich in het tweede deel van het boek, ‘After Elvis’, te verdiepen in drie minder bekende tijdgenoten. Werden ze er wijzer of rijker van dat Elvis hun composities tot miljoenenhits maakte? Nee, net als vele andere zwarte artiesten zagen ze überhaupt erg weinig geld of waardering voor hun werk. Arthur Crudup (‘That’s All Right’, ‘My Baby Left Me’) raakte in de vergetelheid. Junior Parker (‘Mystery Train’) brak nooit door bij het grote publiek maar bleef wel als gewaardeerde artiest spelen voor een zwart publiek.

Big Mama Thornton (‘Hound Dog’) was een interessant geval. Aanvankelijk raakte ook zij aan lager wal, ze werd onder meer schoenpoetser, maar ze kreeg een tweede kans toen Janis Joplin in 1967 haar lied ‘Ball and Chain’ opnam. Dit keer profiteerde de zangeres wél van de brede witte belangstelling. Thornton kon meevaren op de bluesrevival van de jaren zestig, de witte ontdekking voor de zwarte muziekvorm. Witte Britse bands als de Rolling Stones, de Yardbirds en Fleetwood Mac gingen op tournee naar de VS, zochten daar hun zwarte helden op en hesen ze op het schild.

Dat terwijl Elvis zich na zijn succes terugtrok in een witte bubbel. Toen hij stierf in 1977 schreef de zwarte krant Chicago Defender neerbuigend dat Elvis alles had gestolen van de échte koning van de rock-’n-roll: Chuck Berry. Die beschuldiging van culturele toe-eigening bleef aan Elvis plakken. Maar soulzanger James Brown noemde Elvis bij zijn dood zijn „soul brother”. Hem werd een privébezoek aan Elvis’ opgebaarde lichaam gegund. En Little Richard zei in 1970: „Ik dank de Heer voor het sturen van Elvis om de deur te openen, zodat ik mijn weg kon vervolgen.”

Source: NRC

Previous

Next