Ricardo Pepi | aanvaller bij PSV Na twee jaar als reserve achter clubicoon Luuk de Jong wil Ricardo Pepi zich bewijzen als eerste spits. Hij keert terug van vijf maanden blessureleed. ‘Je moet door zulke tegenslagen héén leren kijken.’
Door zijn blessureleed leerde Ricardo Pepi in sombere situaties op zoek te gaan naar lichtpuntjes.Foto Bram Petraeus
Het voelde alsof hij zijn knie lichtelijk overstrekte. Niets ernstigs in elk geval, een pijntje dat hooguit een paar dagen aanhoudt. Het gebeurde toen Ricardo Pepi, centrumspits van PSV, in volle sprint een dieptepass naar links wilde geven, op teamgenoot Ismael Saibari. Met zijn rechterbeen trapte hij langs de bal, waarna hij uit balans raakte. Een onhandigheid, op het eerste gezicht zonder al te veel schade.
Die avond zelf, in het vuur van een belangrijk Europees thuisduel, eind januari tegen Liverpool FC (3-2), maakte Pepi zich er niet al te veel zorgen over. De Amerikaans international hinkelde een paar stappen, liet zich even verzorgen. Daarna stond hij vrij snel weer zelf op en trok hij nog een sprintje, voordat trainer Peter Bosz hem wisselde. „Ik had geen idee dat het zo ernstig was. Maar de volgende dag had ik enorm veel pijn en was mijn knie helemaal stijf.”
Het slechte nieuws volgde later die middag. Pepi (22) had een zware blessure opgelopen aan zijn meniscus en moest een ingrijpende operatie ondergaan. Het is verreweg de grootste fysieke tegenslag in zijn loopbaan, vertelt de aanvaller terugblikkend. „Tot nu toe was dat misschien een gekneusde enkel.” Bijna vijf maanden was hij uitgeschakeld, op een moment dat hij in de vorm van zijn leven verkeerde.
Een klein halfjaar later schuift Pepi zijn lange benen soepeltjes onder een tafel in de ontbijtzaal van een deftig Duits hotel. De selectie van PSV is er, medio juli, een week op trainingskamp, in aanloop naar het nieuwe voetbal seizoen. Zo’n tien dagen doet hij nu weer met de groep mee, sinds begin juli, zijn knie reageert er goed op. Tegelijkertijd is hij zich nog erg bewust van zijn kwetsbaarheid, merkt hij. Regelmatig wrijft de aanvaller tijdens het gesprek eventjes over het gewricht.
De avond ervoor heeft Pepi te horen gekregen dat hij komend seizoen het rugnummer 9 draagt. Een bijzondere boodschap, vindt hij, „omdat er veel vertrouwen en waardering uit spreekt”. De afgelopen jaren behoorde dat nummer toe aan Luuk de Jong, aanvoerder en een vaste waarde in het elftal van Bosz. Zelfs toen Pepi als invaller meer scoorde dan De Jong als basisspeler bleef de trainer kiezen voor de routinier.
Nu de 34-jarige De Jong de club heeft verruild voor FC Porto hoopt Pepi dit seizoen te bereiken wat het vorige niet lukte: zich bewijzen als de eerste spits van PSV. Al is nog onduidelijk of Bosz hem zaterdag al fit genoeg acht voor een basisplaats, in de eerste competitiewedstrijd van het nieuwe seizoen, thuis tegen Sparta. In het duel om de Johan Cruijff Schaal afgelopen zondag koos Bosz voor de Fransman Alassane Pléa, een onlangs door PSV aangetrokken concurrent van hoog niveau. Pepi mocht alleen het laatste half uur meedoen.
De bal was altijd al in zijn leven, zo lang als hij zich kan herinneren. Pepi kreeg de liefde van de sport mee van zijn vader, een Amerikaan met Mexicaanse wortels, die zelf ook voetbalde, zij het op een lager niveau. Op zijn vierde al ging hij zelf spelen, bij een lokale voetbalclub. Vele honderden uren oefende hij zijn traptechniek, op veldjes in het Texaanse stadje waar hij opgroeide, pal tegen de Mexicaanse grens.
Van de ene op de andere dag viel dat leven weg. De trainingen, de wedstrijdspanning, het dagelijkse ritme. Plotseling zat Pepi niet meer met teamgenoten in de kleedkamer in Eindhoven, maar met gespecialiseerde Amerikaanse chirurgen in steriele ziekenhuiskamers, om te overleggen over operaties. „Hartstikke eng”, vond hij dat. „Ik zoiets nog nooit had meegemaakt.”
Vanuit zijn geboorteland kreeg Pepi intussen mee hoe zijn teamgenoten hun kansen op een landstitel leken te verspelen. Hun voorsprong op Ajax werd een forse achterstand. „Dat was moeilijk om aan te zien. Je kijkt vanaf de zijlijn, hebt geen enkele invloed.” Tegelijkertijd voelde het als heel ver weg, vond hij. „Omdat je ook heel erg met jezelf bezig bent, met je eigen herstel. Dus je voelt je betrokken, maar ergens ook weer niet echt.” Contact met teamgenoten had hij maar af en toe, zegt hij, het grote tijdsverschil maakte dat lastig.
Hoe de aanvaller die lange, lege maanden doorkwam? Het helpt dat hij goed kan relativeren, denkt Pepi. Van zijn familie, en door zijn geloof, leerde hij te vertrouwen op een goede afloop. Om dankbaar te zijn voor wat er wél is, in sombere situaties op zoek te gaan naar lichtpuntjes. Vandaar ook de manier waarop hij doelpunten viert: met zijn handpalm over zijn gezicht, één oog loerend tussen zijn gespreide vingers door.
Het is een pose die hij leende van zijn favoriete karakter uit de Japanse tekenfilmserie Naruto, vertelt hij. „Hij is de oudste van twee broers, net als ik. En hij heeft een speciaal oog, waarmee hij in momenten van pijn of verdriet door obstakels heen kan kijken. In het voetbal heb je ook voortdurend te maken met tegenslagen, dat het niet zo gaat als je wilt. Het is belangrijk om daar doorheen te kijken, naar het licht dat daarachter brandt.”
In plaats van te somberen over de lange revalidatie die hem wachtte, besloot hij het anders te zien: zijn blessure had nog veel erger gekund. Hij kent genoeg verhalen van spelers bij wie zijn leed eigenlijk wel meevalt. Neem team- en landgenoot Sergiño Dest, met wie hij goed contact heeft, en die vorig voorjaar zijn kruisband scheurde. „Hij was er dubbel zo lang uit als ik.”
Door zijn blessure had hij plotseling ook alle tijd om bij zijn familie te zijn. Een unicum voor een Amerikaanse voetballer die niets liever wil dan doorbreken op het Europese continent, op meer dan negen uur vliegen van huis. Dat maakt bezoekjes aan het thuisfront vaak lastig, iets voor de spaarzame vakantieperiodes die een voetballer tijdens het seizoen heeft. Een groot offer, voor een voetballer die zichzelf omschrijft als „enorm familiemens”.
Na zijn operatie in Los Angeles logeerde hij meer dan zes weken bij zijn ouders, vertelt Pepi. Van de omgeving waar hij tot drieënhalf jaar geleden woonde, zag hij weinig. Vrijwel de hele tijd lag hij in bed, of op de bank. Hij speelde computerspelletjes met zijn jongere broer, ook een getalenteerd voetballer, en keek veel televisie, zoals tekenfilmserie Spongebob en de films van Harry Potter. „Ik denk niet dat ik ooit zo veel heb genetflixt als toen.”
Ergens heen gaan was ook vrijwel onmogelijk. Pepi herinnert zich van die eerste periode vooral hoe hij middenin de nacht wakker werd omdat zijn pijnstillers waren uitgewerkt. Hoe zijn moeder hem keer op keer maar weer naar de fysiotherapeut reed. Een auto instappen was al een hele opgave. „Al die tijd kon ik mijn been niet buigen. Ik mocht niet lopen, er niet op staan. Dus ik probeerde me maar te ontspannen en te genieten van mijn familie.”
Wat dat hem bracht is, boven alles, de bevestiging hoe belangrijk zijn gezin voor hem is. Op de vraag wie hij het meest bewondert, had hij als kind misschien nog Cristiano Ronaldo geantwoord. Maar zijn dat al jarenlang zijn vader en moeder. Omdat Pepi zich realiseert hoeveel hij aan ze te danken heeft. Hoeveel zij al die jaren hebben moeten opofferen en investeren, zodat hij de kans kreeg om zijn droom als voetballer na te jagen.
In het Amerikaanse voetbalwereldje is het heel gebruikelijk dat ouders grof betalen om hun kind een kans te geven in een team, zodat hij of zij kan spelen op toernooien. Pepi had het geluk dat zijn ouders, een bouwvakker en een schoonmaakster, dat voor zijn broertje en hem konden en wilden doen, zegt hij. Dat ze hun leven in het grensstadje zonder aarzelen opgaven en naar Dallas verhuisden, op tien uur rijden, allemaal omdat hun oudste zoon daar op zijn zestiende de kans kreeg om prof te worden bij Dallas FC.
„Dat ik nu hier ben, is omdat zij er zo hard voor hebben gewerkt”, zegt hij. „Daarom zijn ze mijn inspiratiebron, elke dag opnieuw. Ik heb zelf besloten dat ik voetballer wilde worden, daarin hebben ze me nooit gepusht. Maar ze hebben wel er alles aan gedaan om me die kans te geven, en nu is het aan mij om die niet te verspillen. Om ze te laten zien dat ik hun offers niet als vanzelfsprekend beschouw. Met die gedachte sta ik elke ochtend op.”
Inmiddels is het ruim drie jaar geleden dat Pepi zijn familie en geboorteland verliet, in een poging door te breken in Europa. In de hoop ooit mee te doen in het toernooi dat voor hem als klein ventje zo onbereikbaar leek: de Champions League. Hij kreeg de kans om in de Duitse Bundesliga te spelen, voor FC Augsburg. Met een geschatte verkoopsom van 20 miljoen dollar (17,5 miljoen euro) is hij nog altijd een van de duurste uitgaande transfers in de MLS, de Amerikaanse profcompetitie.
Pepi had het moeilijk in Beieren, speelde er weinig. In de strijd tegen degradatie vertrouwde de toenmalige trainer liever op ervaren krachten. Na een half jaar werd hij verhuurd, opnieuw aan een team in de gevarenzone: FC Groningen. Maar waar de club dat jaar kansloos degradeerde, schitterde Pepi juist, met twaalf doelpunten en drie assists. Daarop was de interesse van PSV gewekt.
In zijn eerste jaar in Eindhoven was Pepi vooral de belofte. Het talent dat ooit de rol moest gaan overnemen van clubicoon Luuk de Jong, als die zou stoppen. Maar De Jong bleef voetballen, waardoor in zijn tweede seizoen bij PSV een bijna onhoudbare situatie ontstond: Pepi was veel te productief om invaller te blijven. Tot hij geblesseerd raakte scoorde hij, per negentig speelminuten, bijna anderhalf doelpunt, meer dan vrijwel álle spitsen in Europa.
Dat hoge niveau wil Pepi nu een héél seizoen volhouden, zegt hij. Een „crazy season”, voor minder gaat hij niet. Opvallen in de Champions League, topscorer worden in Nederland. Vorig seizoen stond hij na elf speelrondes kortstondig op de gedeelde eerste plaats van doelpuntenmakers in de Eredivisie. „En dat was toen ik inviel. Dus ik ben héél nieuwsgierig hoever ik kom als ik straks basisspeler ben.”
Al realiseert Pepi zich ook dat hij zichzelf de tijd moet gunnen om terug te keren naar dat niveau. Dat een lichaam dat maandenlang vooral de behandeltafel van fysiotherapeuten zag, en in sportscholen trainde om de verloren kracht weer op te bouwen, moet wennen aan de intensiteit van voetbal op hoog niveau. Ook omdat hij pas diep in juni voor het eerst weer een bal aanraakte, dik vierenhalve maand na die avond tegen Liverpool FC.
Een paar dagen voor het trainingskamp speelde hij voor het eerst weer mee in een wedstrijd. In een oefenpotje tegen SV Elversberg, actief op het tweede niveau in Duitsland, viel hij het laatste kwartier in. Nadien speelde hij ook in de oefenduels tegen VfB Stuttgart en FC Eindhoven. In dat laatste duel scoorde hij voor het eerst weer, twee maal.
Die eerste minuten waren een emotioneel moment, aldus Pepi. „En tegelijkertijd ook eng, omdat je niet weet hoe je lijf erop reageert. Dat is waarom het nu draait: ik moet mijn lijf weer leren vertrouwen, om de bewegingen uit te voeren waar ik in het verleden geen moment over nadacht.”
Source: NRC