Sarah Arnolds Wanneer verandert verzwijgen in liegen? Er staat indrukwekkend veel tussen de regels in de verhalenbundel Het gore lef, het literaire debuut van Sarah Arnolds. Kraakhelder in wat er staat, mysterieus om wat er (net) niet staat.
De leugendetector kan de leugenaar ontmaskeren.
Natuurlijk: liegen is niet goed, we zouden het niet moeten doen. Maar het verhaal ‘Hoe ik leerde liegen’ van Sarah Arnolds demonstreert zo overtuigend wat liegen aantrekkelijk maakt – want lekker, want bevrijdend en daarmee soms zelfs broodnodig – dat je het de verteller onmogelijk kwalijk kunt nemen dat zij of hij leerde liegen.
„Als er iemand belt moet ik zeggen dat ze niet thuis is”, begint het – met een leugen. De moeder van de verteller verschanst zich in het huis, wegens haar „grote gevoeligheid voor geluid, in psychisch opzicht bedoel ik, en ik wil er zo min mogelijk van in haar buurt hebben”, want het kind is als een poortwachter en moet „de stilte terugbrengen” bij gerinkel van een telefoon of anderszins. Mocht er iemand „het gore lef hebben om op de bel te drukken waar ik een stuk tape boven heb geplakt met NIET AANBELLEN erop, dan regel ik het ook wel”. Die zin mag geruststellend eindigen, de voorafgaande agressie spreekt boekdelen.
Sarah Arnolds: Het gore lef. Das Mag, 158 blz. € 23,50
Waarna het scenario geschetst wordt van hoe dat regelen zal gaan – een heel levendig scenario, met een meterstandenopmeter en een zakrevolver, een vlucht uit het huis, naar een doodstil oerbos, en naar Zuid-Frankrijk en Minneapolis vervolgens, naar „een laboratorium waar ze een dode kamer hebben gebouwd” die al het geluid absorbeert. Waar toch de twijfel rijst of dit wel een goede oplossing is. Want: „Op een gegeven moment zal ik een gezin willen stichten, iets wat maar weinig mensen weten te combineren met een leven op de vlucht”, staat er laconiek-bitter, waarna de toon verandert, want moeder voelt de beklemming ook aan, ze voelt zich schuldig en dan „zal ze me vragen om vanavond mijn zakrevolver op tafel te laten liggen”, ten behoeve van het geluk van haar kind, omdat „daar meer plaats voor zou zijn wanneer zij is verdwenen”.
En dan lacht de verteller om dat idee, wuift het weg. O ja, dat was het, een idee, een leugen, bij elkaar gefantaseerd vanuit die stille woning. Je schrikt als lezer op van dat besef, zozeer was je in de fantasie getransporteerd. In een paar zinnetjes tekent de verteller dan het scenario van een waarschijnlijker „straks”, waarin de moeder binnenkomt en vraagt of er nog iemand heeft gebeld, waarna de verteller zegt van niet, en het verhaal afsluit met: „En dat is hoe ik leerde liegen.”
Hóé leerde het kind liegen? Sarah Arnolds spelt het niet uit, maar geeft tussen de regels van de kleine zes pagina’s die dit verhaal omvat genoeg aanknopingspunten om het je te laten voelen. Dat het kind in feite voorlopig opgesloten zit (zie de zorgen over het toekomstige gezin), maar dat in de leugen even kan vergeten. Daarom is liegen bevrijdend: omdat de waarheid onverdraaglijk is. En die bevrijding konden we meevoelen: de wereld werd groter toen we ons, in de leugen, uit de beklemming van de stille woning wegfantaseerden. Al bleek die leugen ook de waarheid aan het licht te brengen (en de moeder toonde zich schuldig), die in werkelijkheid te pijnlijk was om uit te spreken (want de consequentie zou zijn: de moeder verwijderen).
Geweldig verhaal dus, door de onzichtbare ijsberg die zich nog onder dit piekfijne topje bevindt – en ingenieus, want wat verzwegen wordt is ook nog het onderwerp van het verhaal. Die manier van vertellen typeert Sarah Arnolds (1992): heel zorgvuldig, subtiel ingenieus en volstrekt raak. Kraakhelder in wat er staat, mysterieus om wat er (net) niet staat. Haar vertellen heeft een beheersing en trefzekerheid die je zelden ziet, zeker bij een debuut – je kunt merken dat deze bundel de tijd heeft gehad om te rijpen. Arnolds ging niet over één nacht ijs; het verhaal waarmee de bundel opent, verscheen al meer dan tien jaar geleden in De Gids en was al het scenario van een korte film.
Met dat verhaal, ‘Je vriendin koopt een vis op de markt’, heeft Het gore lef een knaller van een opening, omdat het grappig is, een tikje absurd, en toch ook heel subtiel. De vriendin van de hoofdpersoon begint hem te molesteren, zogenaamd per ongeluk, met allerhande voorwerpen. Ze gooit een afstandsbediening naar zijn hoofd, zegt nog sorry, maar het gaat door, ze blijft hem – oeps – slaan, met het stofzuigersnoer, een natte handdoek, de stok van een parasol, een doos waspoeder terwijl hij zich staat te scheren. Maar waarom? „Je kunt werkelijk niet bedenken wat je verkeerd hebt gedaan; er is verder niets mis tussen jullie, ze lijkt zelfs vrolijker, ze lijkt zachter. Er wordt niet over gepraat.”
Er is iets mis in deze relatie, maar wat? Daar draait het hier om, en tegelijk ook niet: Arnolds laat vooral zien hoe iets wat verzwegen wordt toch allesoverheersend kan zijn, juist doordat erover gezwegen wordt. Wat wellicht precies het probleem in de relatie is: dat er over belangrijke dingen gezwegen wordt (al zwijgt Arnolds daarover). Het verzwijgen gaat zo ver dat ze in feite in een leugen leven.
Zo gaat het in Het gore lef steeds om de vraag waar verzwijgen verandert in liegen, en hoe, en waarom – om onwaarheden die gaan woekeren als kwaadaardige moedervlekken. We lezen over een vader die er maar niet in slaagt om zijn zoon te vertellen dat hij ziek is – het draait vaak om de moeizame verhoudingen tussen intimi, in zwijgzaamheid die tot (onjuiste) aannames leidt. We lezen over een vrouw die verzwijgt dat ze niet écht Russisch studeert, en in feite vastzit in een leeg, stilstaand leven – ook dat is vaak aan de hand, stilstand en beklemming, maar wel steeds op de achtergrond, en meer als gegeven dan als op te lossen probleem. We lezen over een vrouw die tijdens een massage ligt te malen over haar affaire – en ze moet binnenkort haar huis uit, staat er dan even tussendoor, ze is „in de rouw”. Verder blijft het mysterieus, op een aangename, want eerlijke manier – omdat de vrouw zelf het ware probleem ook onuitgesproken laat, misschien niet eens onderkent.
Dat is de tragiek van veel van deze personages en de reden dat ze vervallen in verzwijgen of liegen. Het effect ervan is wel: ons medeleven. Arnolds blaast zo haar personages leven in – van echte mensen weet je tenslotte ook altijd meer niet dan wel, en in het echte leven blijft er ook van alles verzwegen. Dat gevoel wordt nog het sterkst in ‘Brand’, met zestig bladzijden het langste verhaal van de zeven in de bundel, en het meest levensecht, maar ook het enige verhaal dat een tikje minder is. Arnolds schiep daar een verteller – een puber die probeert te leven met verzwegen klassenverschillen – van wie je met pijn in je hart afscheid neemt, omdat je van haar bent gaan houden. Maar ook omdat het verhaal net iets te veel losse eindjes heeft (over haar familie, bijvoorbeeld). Wel een erg groot deel van deze ijsberg blijft onder de oppervlakte verborgen.
Geef ons meer! Maar dat is ook een compliment, voor dit indrukwekkende debuut: Het gore lef smaakt naar meer.
Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC