Home

Na een vol seizoen even niet aan voetbal denken – en eindelijk weer eens naar McDonald’s

Volle voetbalagenda Seizoenen worden steeds, wedstrijden steeds intenser. Hoe komen profvoetballers in hun (korte) zomervakantie tot rust na een lang en slopend jaar? „Het is wel eens lekker om even geen bal te zien.”

Bart van Rooij traint met fysiektrainer Colin de Graaf.

Op de avond dat zijn vakantie begon, reed profvoetballer Bart van Rooij naar de lokale McDonald’s. De verdediger van FC Twente was even daarvoor teruggekomen uit Alkmaar, waar zijn ploeg die middag had gespeeld tegen AZ om kwalificatie voor Europees voetbal. Ze verloren, waarmee voor Van Rooij eind mei een lang en vol seizoen abrupt ten einde kwam. Geen uitlooptraining meer, geen nabespreking, maar een menu met Franse frietjes en negen kipnuggets.

Als de rechtsachter er acht weken later over vertelt, kijkt hij aarzelend opzij. Daar zit, in een kamer op het trainingscomplex van FC Twente in Hengelo, Colin de Graaf, bij de club verantwoordelijk voor de fysieke ontwikkeling van spelers. Die zegt niets en grijnst. „Voor mij is dat serieus wel een dingetje”, vervolgt Van Rooij. „Tijdens het seizoen kan dat niet, dus het is iets waar je heel erg naar uitkijkt.”

Noem het een vorm van ontlading. Een kortstondig moment van zondigen, om het einde te markeren van elf maanden waarin de discipline regeerde. Waarin al zijn keuzes in het teken stonden van de volgende training, de volgende wedstrijd, optimaal herstel. Eindelijk even geen verplichtingen meer, maar een paar weken ontspanning, om fysiek en mentaal weer fris te worden voor een volgende seizoen.

Vakantie is schaars voor profvoetballers. Seizoenen worden langer, het aantal wedstrijden per jaar neemt toe. Regelmatig klinkt daarover ergernis, vooral in de top. Van de Spaanse middenvelder Rodri van Manchester City bijvoorbeeld, of verdediger Jules Koundé van FC Barcelona. Ze klaagden vorig najaar dat ze door de volle kalender amper konden bijkomen van duels. Dat ze door nieuwe en uitgebreide toernooien nauwelijks nog een zomerstop overhielden.

Het leidde onlangs tot een pakket met eisen van spelersvakbond FIFPro, die wereldwijd 66.000 profvoetballer vertegenwoordigt. Een ondergrens, opgesteld samen met zeventig onafhankelijke experts: minimaal vier weken vakantie in de zomer, minimaal één in de winter, wekelijks één dag vrij. Wereldvoetbalbond FIFA kondigde kort daarop een afgezwakte versie van die afspraken aan, zonder overleg met de spelersvakbond.

Hoe moe zijn voetballers aan het einde van een seizoen, in hun lijf, maar ook in hun hoofd? En hoe lang duurt het voordat die vermoeidheid weer wegebt? Wat doen ze in hun zomer om fris te worden? Raken ze geen bal aan, of kunnen ze die neiging niet onderdrukken? In aanloop naar het nieuwe seizoen, dat deze vrijdag van start gaat, sprak NRC erover met een verdediger die vorig seizoen bijna alles speelde en de fysiektrainer die hem begeleidt.

Voortdurende sprintjes

Van alle minuten die Bart van Rooij (24) vorig seizoen had kúnnen spelen, miste hij er slechts 118. Alleen in het duel tegen Union Sint-Gillis in de Europa League stond hij niet op het veld, vanwege een schorsing. In de overige 47 wedstrijden werd hij maar drie keer gewisseld, vaak pas vlak voor tijd. Opgeteld kwam hij daarmee tot 4.251 speelminuten, de drie oefenduels in de voorbereiding niet meegerekend.

Voor een Nederlandse voetbalprof kende Van Rooij daarmee een druk seizoen, berekende databureau Statsperform. Slechts tien landgenoten speelden meer, veelal omdat hun club langer meedeed in het bekertoernooi en omdat ze speelden als international. Wel duurde voor Van Rooij de competitie langer dan gemiddeld, omdat FC Twente nog een week langer doorspeelde in de play-offs om Europees voetbal.

Hoe moe een voetballer van zo veel inspanningen wordt, verschilt volgens fysiektrainer Colin de Graaf per individu. „De intensiteit van voetbal zit vooral in het maximaal sprinten en weer afremmen.” Dat maakt vergelijken zo lastig: langeafstandslopers bewegen weliswaar langer, maar doen dat in één tempo. Waar zij meer vragen van hun hartlongsysteem, zit de belasting bij voetballers meer in de spieren, zegt De Graaf. Die lopen schade op door de voortdurende sprintjes.

Niet iedereen in een selectie heeft daar evenveel last van. De een heeft een groot uithoudingsvermogen, maar beperkte snelheid, terwijl een ander veel explosiever is en op de flank de ene loopactie na de ander inzet. Rechtsback Van Rooij zit volgens de fysiektrainer tussen beide uitersten in. „Hij is explosief genoeg op de korte meters, maar zijn uithoudingsvermogen is goed genoeg om hele wedstrijden te spelen, meerdere keren per week.”

Hamstrings pas na 72 uur hersteld

Hoe feller die sprintjes, hoe meer herstel nodig is, weet De Graaf. Vooral voor „de achterste keten”: de spieren aan de achterkant van het been, zoals de hamstrings, kuiten en billen. Zeker ook omdat het aantal sprints in het voetbal de laatste decennia flink is toegenomen, en het risico op een blessure daarmee ook. Zo kost het minstens 72 uur voor de hamstrings van een getrainde voetballer weer zijn hersteld van een wedstrijd, weet de trainer uit wetenschappelijke studies.

Toch is de groeiende fysieke belasting niet het enige wat topvoetbal volgens hem vermoeiend maakt. Ook mentaal zoeken spelers hun grenzen op, zegt De Graaf. „Het is bijvoorbeeld óók de druk in aanloop naar wedstrijden. De competitie binnen een selectie, waarin jij een basisplaats wilt. De vaak korte contracten. Het reizen: op donderdag in een ander land spelen, en op zondag weer in de competitie, misschien ook nog in een uitwedstrijd.”

Vooral richting het einde van een seizoen begint Van Rooij de gevolgen daarvan te merken, zegt hij. „In de laatste maand denk ik meestal wel: poeh, nu is het tijd voor vakantie.” Al was dat afgelopen jaar wel minder, in zijn eerste seizoen voor FC Twente. „Fysiek was ik nog wel oké. Goed, je hebt een paar pijntjes: de aanhechting bij mijn knie, bij mijn achillespees. Alleen dat heb ik wel vaker tijdens een seizoen.”

Mentaal merkte Van Rooij het al eerder, zegt hij. Niet tijdens het drukke dubbele programma, met de doordeweekse wedstrijden in de Europa League, maar juist ná uitschakeling, eind februari. „Alsof die druk er daarna pas uitkomt.” Niet dat hij op zulke momenten moeite heeft met wedstrijden, daar heeft hij áltijd zin in. „Het is eerder dat ik dan weleens moeite heb om me op te laden voor een training. Al moet ik zeggen dat ik de knop dan ook vrij snel kan omzetten.”

‘Ballon loopt in één keer leeg’

Wat topsport anders maakt dan de meeste banen, is dat de weken waarin de vermoeidheid haar toppunt bereikt sportief ook vaak de allerbelangrijkste zijn, merkt zijn fysiektrainer op. Aan het einde van een seizoen draait het om de titel, de beker, degradatie of plaatsing voor Europees voetbal. Dus waar familie en kennissen vaak al zoeken naar een hotel of een oppas voor de kat moeten voetballers zich daar juist van afsluiten. „Je hebt er mentaal de ruimte niet voor, want je hebt nog die éne wedstrijd.”

Als dat duel dan voorbij is, „loopt de ballon ook in één keer leeg”, zegt De Graaf. „Dat merk je dan aan alles: iedereen is er hélémaal klaar mee.” Daarom kregen de spelers van FC Twente vorig seizoen ook meteen vakantie. Er werd niet meer teruggeblikt of uitgelopen, zoals na andere weekeindes. „Ik denk dat we het fysiek misschien nog wel konden opbrengen”, denkt Van Rooij. „Het is eerder dat je hoofd er echt niet meer naar staat. De gedachte dat Colin voor je staat en zegt: jongens, vier rondjes lopen.”

In die eerste dagen vrij deed Van Rooij weinig, vertelt hij. “Je loopt even een rondje door de stad, of je drinkt even koffie met vrienden. De dingen die iedereen op een vrije dag zou doen.” Vrij snel daarna ging hij al met zijn vriendin op strandvakantie naar Curaçao. „Normaal ben ik niet iemand die erg houdt van stilzitten. Ik ga dan liever wandelen of golfen, iets actiefs. Maar ik moet zeggen dat ik het deze zomer wel lekker vond om een beetje op een strandbedje te liggen.”

Van de club krijgen spelers het advies om tien dagen volledig uit te rusten, zegt De Graaf. „We proberen daarin ook geen contact te hebben, om spelers zo veel mogelijk rust te geven. Dat er geen druk vanuit ons komt.” Van Rooij heeft in die periode „weinig ballen aangeraakt”, lacht hij. „Je bent al zo veel met voetbal bezig, dan vind ik het ook wel lekker om als je weg bent met je vriendin even geen bal te zien. Ja, even overgooien in het zwembad, misschien.”

Spelers worden wiebelig

Tegelijkertijd begint al vrij snel de opbouw naar het volgende seizoen. Want na een week of twee zonder training loopt het uithoudingsvermogen al langzaam terug, stelt De Graaf, al gaat dat bij explosieve spelers sneller dan bij een type als Van Rooij. Het vermogen om te sprinten neemt nog veel sneller af. „Dat gebeurt al na vijf dagen rust, en dat is ook iets dat je geleidelijker weer moet opbouwen.”

In de tweede helft van hun kleine maand vakantie krijgen spelers daarom looptrainingen van de club: tien in totaal, waarvan twee optioneel zijn. Hoe ijverig spelers dat programma volgen, wisselt volgens de fysiektrainer sterk. Er zijn types die de verplichte acht trainingen in hun vakantie al veel vinden, maar er zijn ook spelers die na een klein weekje inactiviteit al wiebelig worden en veel eerder dan gevraagd alweer aan de slag gaan.

Van Rooij zit er een beetje tussenin, zegt hij. „Ik vind het na zo’n vakantie ook gewoon wel weer lekker om een ritme te hebben. Dus ik sta dan weer vroeg op, en probeer die training dan vroeg te doen, zodat ik ook nog iets aan mijn vakantiedag heb.” Daarnaast ging hij een paar keer naar de fysiotherapeut, om beter te herstellen van de klachten die hij aan vorig seizoen had overgehouden.

Toen op 23 juni, ruim vier weken na de verloren wedstrijd tegen AZ, voor FC Twente de voorbereiding weer begon, voelde Van Rooij zich weer fris. Hij was verlost van zijn pijntjes, het hoofd en de benen waren klaar voor een nieuw seizoen, ditmaal zonder Europese verplichtingen. „Al merk je die eerste dagen ook dat je even hebt stilgezeten.” De trainingen die hem tijdens een seizoen vrij gemakkelijk afgaan, zijn in die eerste week behoorlijk uitputtend.

Twee dagen gunt hij zichzelf, om zijn balgevoel weer terug te krijgen. „Het is niet zo dat dat meteen weg is, hoor. Alleen je merkt: aan het einde van het seizoen was die aanname nét iets beter.” Tegelijkertijd weet hij inmiddels hoe snel het gevoel in die eerste weken terugkeert. „Je merkt dat je elke week beter wordt, grotere afstanden kan afleggen. Dan denk ik ook: ik heb weer zin in een nieuw seizoen. Het mag wel weer beginnen.”

Source: NRC

Previous

Next