Glas Veel dingen zijn zo gewoon geworden dat we ons niet meer afvragen waar hun oorsprong ligt. In deze rubriek wordt gezocht naar het begin der vanzelfsprekendheden. Dit keer: glazen ramen
Glas in lood in de Sainte-Chapelle in Parijs
Je ziet het en je ziet het niet. Het is een vaste vloeistof, het is gestold water, het is een onzichtbaarheidsmantel die alleen zichzelf onzichtbaar maakt. Een te geslaagde sluier. Ja, het gaat over glas, materiaal dat al eeuwen verbaast. Samuel Pepys schreef op 27 september 1667 in zijn dagboek dat Lady Petersborough in een glazen koets zat en een bekende ontwaarde die ze wilde groeten en het glas zo helder was dat ze het vergat. „Ze stak haar hoofd door het glas en sneed haar hele voorhoofd open!”
Wij zijn wel aan die helderheid gewend, in koetsen, auto’s en huizen, waar ze het venster op de wereld vormen. Een schilderij had niet voor niets lang dezelfde vorm als een raam, of omgekeerd, zoals Magritte op de spits dreef in zijn La condition humaine (1933). Maar pas op: waar wij op oude schilderijen glas menen te zien, was het er vaak gewoon niet. Als de luiken niet dicht zaten, waaide de wind door het raam. Geen glas, of alleen in de bovenste helft van het raam glas, zoals bijvoorbeeld te zien is op het portret van de Arnolfini’s door Jan van Eyck uit 1434.
Ramen zijn ouder dan glas en glas was aan het begin van zijn carrière niet zo doorzichtig als nu. Het eerste bekende glas, het eerste verhitte mengsel van zand, soda en kalk, is gevonden in Mesopotamië en Egypte in de vorm van kralen, die vooral gewaardeerd werden omdat ze op edelstenen konden lijken, niet op bergkristal maar op saffieren en smaragden, fel groen of gloeiend blauw. Dat bleef een hele tijd zo; op de tentoonstelling van glas uit de oudheid die nu in het Allard Pierson Museum in Amsterdam te zien is, is gekleurd glas in de meerderheid. Ook in de Europese Middeleeuwen werd gekleurd glas hoger gewaardeerd dan doorzichtig glas, getuige vooral de gebrandschilderde ramen die in gotische kathedralen van Gods glorie zingen, met als uitzinnig hoogtepunt de orgie van glas in lood uit de dertiende eeuw in de Sainte-Chapelle in Parijs.
De omslag kwam waarschijnlijk pas na de Reformatie, nadat tijdens de Beeldenstorm in de zestiende eeuw veel kerkramen aan diggelen waren gegaan. Nog meer helderheid kwam tijdens de Verlichting. Of misschien was het toen pas mogelijk om echt doorzichtig glas van groot formaat te vervaardigen. De kip en het ei, laat ze niet breken.
Roemer Visscher legt het fenomeen licht en donker uit in Sinnepoppen: „Sinne-pop van een goedt, oprecht en deughdelijck Christen, wiens hert is als glas” Beeld DBNL
De Romeinen hadden al (mat)glazen ramen; er zijn resten van terug gevonden in onder meer Pompeï. Maar tot in de zestiende eeuw waren er in Europa alternatieven voor glas, waaronder albast en andere steensoorten, dierenhuid (perkament), dierenhoorn, varkens- en koeienblazen, met olie ingesmeerd papier en linnen. Ramen hoefden niet doorzichtig te zijn, doorschijnend was genoeg.
Van deze venstervullers is nauwelijks iets overgeleverd. Bouwhistoricus Jan Jehee noemt in zijn boek Tussen Lucht en licht één stel ramen dat is afgedekt met varkens- of koeienblaas, op een boerderij uit Heist in het Openluchtmuseum in Genk, België.
Buiten Europa waren er nog meer alternatieven. Op de Filipijnen had je bijvoorbeeld een schelp die in het Engels naar zijn gebruik in vensters is gaan heten, de capiz of windowpane oyster. In het Midden-Oosten werden veel houten of metalen roosters gebruikt, die behalve licht ook lucht doorlieten. Het opdringen van vensterglas in klimaten waar andere oplossingen meer voordelen hebben, kun je zien als een onderdeel van het kolonialisme, zoals Daniel Jütte schrijft in Transparency. The Material History of an Idea.
In de moderne architectuur is het raam de hele muur geworden. Sinds Hardwick Hall („more glass than wall”) en andere lantern houses uit de zestiende eeuw, en de kristallen paleizen uit de negentiende eeuw, zijn er in de twintigste en 21ste eeuw allerlei Glazen Huizen geweest, van Connecticut tot São Paulo, het een nog meer van glas dan het ander. Waar moet dat eindigen?
Ik hoop voor een deel in het verleden. Soms zie je op straat nog wel eens een ruit met oud glas in een gevel, dat de omgeving niet perfect doorlaat maar iets vertekend. Zou je van zulk ouderwets glas een glazen huis kunnen maken?
Source: NRC