De HEMA was mijn moeder te min, Vroom & Dreesmann was voor katholieken (ik heb het over meer dan een halve eeuw geleden) en de Bijenkorf, aan het Damrak in Amsterdam, was boven onze stand. Daarom gingen we er graag naartoe, ieder jaar voor sinterklaas, als de winkels in de binnenstad tot negen uur ’s avonds open bleven. Na het eten – we hadden extra vroeg gegeten – stapten we met het hele gezin in de auto en reden vanuit onze kleine gereformeerde enclave in Nieuwendam-Noord door de IJtunnel naar de Geldersekade, waar je volgens mijn vader het beste kon parkeren. Kwartje in de automaat en dat was dat. We liepen over de Wallen naar de Warmoesstraat – moet je nu eens proberen – en gingen door de draaideur aan de Damzijde het Paradijs voor de Vrouw binnen. Zo noemde ik de Bijenkorf in gedachten sinds ik de roman Au bonheur des dames (1883) van Émile Zola had gelezen. Arm weesmeisje uit de provincie trekt met haar broertjes naar Parijs, waar ze een baan vindt in een van de enorme warenhuizen die daar toen verrezen. Het was het einde van de kleine winkelier.
Alle verdiepingen deden we aan en ondertussen sloop mijn moeder met een geheimzinnig gezicht weg om pyjama’s voor ons te kopen, wanten, sokken, sjaals, mutsen, allemaal van de beste kwaliteit, en dan voor ieder van ons nog iets van ons verlanglijstje. Een lp, een boek, lego, een Barbiepop. De lol was dat we op 5 december allemaal erg verrast zouden zijn. „O, een Skipper. Die vind ik ook heel leuk, hoor.” Skipper was een Barbie zonder borsten.
De lol was ook dat we daarna naar banketbakkerij Kwekkeboom in de Damstraat gingen om taartjes te kopen, gebakjes zeiden we, en dan snel terug naar huis te gaan, waar we niet konden wachten om ze op te eten. Nieuw verworven welvaart van sociale stijgers was het. Mijn vader met zijn avondstudies en elk jaar een periodiek erbij was er een schoolvoorbeeld van.
Zodra ik het kon betalen kocht ik mijn medium-dure gezichtscrème bij de Bijenkorf. Ja, naar de drogist voor Nivea had ook gekund, maar dit was fijner. Ik hield van het gevoel van luxe dat het me gaf, het níét zuinige – net als mijn moeder en net als haar moeder, die vanaf haar achtste met garen en band langs de deuren moest en op haar twaalfde werd uitbesteed als dienstmeisje bij de dominee. Op haar oude dag was ze een deftig dametje dat nooit zonder hoed en handschoenen de deur uitging. Veertig jaar heb ik het zo gedaan en nu is het voorbij, want wat gebeurde er de laatste keer dat ik er was? Ik loop over de parfumerie-afdeling en vraag aan een verkoopster, een prachtige jonge vrouw – alleen maar prachtige jonge mensen die hier werken – of ze me kan helpen, want ik zie nergens mijn merk. „Nee, mevrouw”, zegt ze. „Dat verkopen we niet meer.” Zie ik haar nu minzaam glimlachen?
Ik had het kunnen zien aankomen. De parterre van de Bijenkorf in Amsterdam is nu een marmeren Paradijs waar toeristen van over de hele wereld de duurste cosmetica komen kopen, de duurste parfums, tassen, schoenen. Ongetwijfeld hebben veel van hun ouders of grootouders nog honger geleden, maar wat zou het? Nu zijn ze rijk. De Bijenkorf richt zich op hen. Niet meer op mij.
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen
Source: NRC