DEN HAAG - In het centrum van Den Haag zijn twee standbeelden van Willem van Oranje te zien, kort na elkaar geplaatst in de jaren 1840. Toenmalig koning Willem II was belangrijk bij de totstandkoming van beide standbeelden. Al groeide dat op het Plein uit tot het standbeeld van het volk, terwijl dat op het Noordeinde een persoonlijk project van de monarch was.
Dagjesmensen die neerstrijken voor een lunch op het Plein in Den Haag, hebben genoeg om zich aan te vergapen. Natuurlijk is daar de grootschalige verbouwing van het Binnenhof, bedoeld om de oude luister te herstellen. Maar ook de vele historische gebouwen die herinneren aan eeuwen Haagse geschiedenis, trekken de aandacht. En centraal op het Plein prijkt het standbeeld van Willem van Oranje, hoog boven de terrasstoeltjes verheven als een ware staatsman.
Na een broodje en een kop koffie trekt men verder, op weg naar de bezienswaardigheden van de Haagse binnenstad. Een stop bij Paleis Noordeinde mag daarbij niet ontbreken. En jawel, ook hier staat een standbeeld van Willem van Oranje. Dit keer gezeten op een paard, afgebeeld als veldheer en militair leider van het verzet tegen de Spaanse overheersing in de zestiende eeuw.
Twee standbeelden van dezelfde man, hemelsbreed slechts 615 meter van elkaar verwijderd. En opmerkelijk genoeg ook nog eens kort na elkaar geplaatst: het beeld op het Plein in 1848, dat op het Noordeinde drie jaar eerder, in 1845.
Dat er twee beelden van de Vader des Vaderlands in het hart van Den Haag staan, is te danken aan koning Willem II. Via allerlei dynastieke lijnen stamde hij af van Willem van Oranje en hij wilde zijn genealogische voorganger eer aan doen. Zodoende had hij een hand in de oprichting van beide monumenten.
De bronzen eerbetonen zijn een uiting van de tijdgeest. In de loop van de negentiende eeuw kreeg de vaderlandse geschiedenis een steeds prominentere plaats in het publieke bewustzijn. Ze verleende Nederland vorm en diepte, en droeg bij aan een groeiend besef van nationale eenheid.
Historische gebeurtenissen als de opstand van de Bataven, de zeeoorlogen tegen Engeland en vanzelfsprekend, de Tachtigjarige Oorlog werden ingezet om het nationale gevoel te versterken.
In het begin van de regeerperiode van Willem II, die sinds 1840 op de troon zat, wilde men het nationale gevoel aanjagen. De minister van Binnenlandse Zaken, Willem Anne Schimmelpenninck van der Oye, verwoordde het zo in een brief in de Staatscourant:
Standbeelden voor grote mannen die hun leven volledig aan het vaderland hebben gewijd, zijn een passende manier om onze dankbaarheid te tonen voor de weldaden die zij, vaak met gevaar voor eigen leven, hebben verworven. Tegelijk vormen ze een uiting van het nationale gevoel, dat de roem van het vaderland ziet als iets van ons allemaal, iets dat ons verbindt. We voelen ons, bewust of onbewust, verbonden met elke daad die die roem vergroot in de ogen van tijdgenoten en latere generaties.
Met dit denkbeeld voor ogen vraagt de vreemdeling zich verwonderd af: waar in Nederland staat het standbeeld van de grondlegger van het Nederlandse volksbestaan? Van de man die als eerste de ketenen verbrak die ons knechtten, en onze vrijbrief met zijn bloed verzegelde, Willem de Eerste? Nergens treft hij zo’n beeld aan, behalve op zijn graf.
In hetzelfde schrijven riep hij op tot donaties om een standbeeld te verwezenlijken. Het moest een beeld worden van de hele Nederlandse bevolking.
Die geldinzameling moest verlopen via de plaatselijke besturen van de vele steden en dorpen in Nederland. Die gemeenten kregen een donatielijst en een afbeelding van hoe het standbeeld eruit moest komen te zien.
Want hoe de bronzen prins eruit kwam te zien was al klip-en-klaar vóór de inzameling begon. Daar had Willem II een hand in. Na de eerste schetsen wilde hij veranderingen aanbrengen. Onder andere over de positie van het hondje, de zichtbaarheid van de degen en het hoofddeksel had hij iets te zeggen.
Ook de beeldhouwer was al gevonden. De Vlaming Louis Royer zou zijn gereedschap ter hand nemen om de beeltenis te maken. Hij woonde in die tijd al in Den Haag en had voor de koninklijke familie al meerdere kunstwerken afgeleverd.
Het duurde vijf jaar voordat het beeld werd onthuld. Op 5 juni 1848, precies tweehonderd jaar na de Vrede van Münster die een einde maakte aan de Tachtigjarige Oorlog, kon de Haagse bevolking rond de metalen Willem lopen.
Toen stond er in de hofstad al tweeënhalf jaar een eerbewijs in brons voor de opstandige edelman. Niet staand, maar zittend op een paard.
Toen duidelijk werd dat er voldoende geld was ingezameld om Royer aan het werk te zetten, diende zich in Den Haag een Franse beeldhouwer aan: Émile de Nieuwerkerke. Hij had zelf een ontwerp gemaakt voor een standbeeld van Willem van Oranje. De koning was gecharmeerd van zijn creatie en besloot het beeld op eigen kosten te laten uitvoeren.
Het moest het sluitstuk worden van zijn verbouwde paleis. Willem II woonde op Paleis Kneuterdijk en liet het flink uitbreiden. Zo werd de Gotische Zaal gebouwd, die er nog steeds staat, evenals vele bijgebouwen in dezelfde stijl. De achterkant van het toenmalige paleis eindigde aan het Noordeinde, waar het ruiterstandbeeld het slotstuk werd (zie foto hieronder).
Er klonk ook kritiek op het standbeeld. Niet iedereen kon de soloactie van Willem II waarderen, zeker niet omdat er al een ander standbeeld, namens het volk, in voorbereiding was. Daarnaast stuitte de keuze om Willem van Oranje als militair af te beelden bij sommigen op bezwaren. Hij werd zo neergezet als iemand die de touwtjes strak in handen had, als een vorst die hoog boven het volk verheven was.
Wellicht zal de dagjesmens de beelden slechts passeren voor een foto, maar ze symboliseren ook de tijd waarin ze ontstonden. Het was het revolutiejaar 1848 waarin beide beelden van de vermoorde prins voor het eerst te zien waren in Den Haag. Het jaar waarin Nederland een grondwet kreeg en de macht van de koning afnam. Het ruiterstandbeeld als symbool van de oude werkelijkheid, en het andere als gedenkteken van de natie.
Tijdens de zomermaanden schrijven we wekelijks een artikel over onbekende verhalen uit de regionale geschiedenis.