Zoek je in het verleden naar helden, zoals de Amerikaanse revuester Josephine Baker of de Nederlandse arts Aletta Jacobs, dan ontdek je dat die inspiratiebronnen ook missers hebben gemaakt, zoals het verspreiden van vooroordelen. Kunnen ze dan nog gelden als inspiratiebron?
schrijft voor de Volkskrant over tentoonstellingen, musea, kunst en geschiedenis.
Ze staat er sierlijk bij, alsof ze zo kan beginnen te dansen. Heup opzij, een been gebogen, haar armen boven haar hoofd gestoken. Met haar zwart opgemaakte ogen kijkt ze schuin omhoog, de hoeken van haar gestifte mond krullen licht naar boven.
Ze is behangen met sieraden. Verder draagt ze niets – behalve een rokje van bananen.
Josephine Baker heet ze, de zwarte Amerikaanse revuester die in de jaren twintig van de vorige eeuw naar Parijs trok om daar vervolgens wereldberoemd te worden. De levensgrote zwart-witfoto van haar in haar fameuze bananenrok (die ze droeg in de voorstelling La revue nègre) staat midden in de tentoonstelling over haar leven, nu te zien in het Verzetsmuseum in Amsterdam.
Boven haar hoofd staat het woord ‘inspiratie’.
Dit jaar, precies een halve eeuw sinds haar overlijden, staat Baker weer volop in de schijnwerpers. Naast de tentoonstelling in het Verzetsmuseum was dit jaar in Nederland ook een musical over haar leven te zien: Josephine B. ‘Een kat met negen levens’, zo noemt Baker (gespeeld door Channah Hewitt) zichzelf in de musical. Een vrouw die van arm, zwart meisje in St. Louis, Missouri, een Parijse performer werd. En van diva met een cheeta als huisdier, een spion van de Franse résistance.
In die categorie is nu net verschenen: Agent Josephine – Van Parijse artiest tot onverschrokken spion: de rol van Josephine Baker tijdens de Tweede Wereldoorlog, door Damien Lewis, uitgegeven in een bijpassende thrillercover. Lewis zet uiteen hoe spion Baker in Vichy-Frankrijk en Marokko informatie ontfutselde en met zich mee smokkelde, en verzetsmensen met elkaar in contact bracht.
Na de oorlog adopteerde ze twaalf kinderen van verschillende achtergronden en huidskleuren – haar ‘Rainbow Tribe’ – om te bewijzen dat die in harmonie konden samenleven. En ze protesteerde steeds feller tegen het racisme dat de zwarte bevolking in haar geboorteland ervoer.
Volgens de introductietekst in het Verzetsmuseum is ‘de rode draad in haar leven’ dat ze zich uitsprak tegen onrecht en ongelijkheid. De tentoonstelling eindigt met de March on Washington, waar Baker mocht spreken vlak voordat Martin Luther King zijn droom verkondigde. Een brief van haar hangt aan de muur, gericht aan de Amerikaanse president, waarin ze ‘de urgente noodzaak van eenheid onder alle mensen’ bepleit.
Dit jaar werden haar memoires in Engelse vertaling uitgegeven. Het zijn Bakers levensherinneringen, opgetekend door journalist Marcel Sauvage, die haar tussen 1926 en 1949 meerdere keren bezocht. Het lezen voelt alsof ze vlak voor je zit, en ze je enthousiast en goedlachs aan de lopende band grappige en sterke verhalen vertelt. Over haar aanbidders in Parijs, haar reizen door Europa, de dolenthousiaste, maar ook de slechte ontvangst die ze soms kreeg, in dat laatste geval van mensen die haar immoreel en onzedelijk vonden.
De uitgever zal gedacht hebben dat deze memoires, Fearless and Free, Baker dezelfde iconische status konden geven die ze in Frankrijk al had.
Dat is niet hoe het uitpakte.
‘Deze oral history van Josephine Baker is nog nooit uitgegeven in de VS’, kopte The New York Times. ‘En nu weten we waarom.’ Het boek zat vol met ‘dingen waarvan je zou willen dat je ze nooit gezien had’.
Wat is er aan de hand?
Het is niet prettig om te lezen: in een van de laatste hoofdstukken van het boek vertelt Baker over wat ze heeft gehoord – en gecheckt, zegt ze, want ze wilde het eerst niet geloven – over ‘de Joden’ in de wijk Harlem in New York. Alle huisbazen zouden daar Joden zijn, die hun zwarte huurders zouden uitbuiten.
‘De Joden hebben geld, veel geld, altijd meer geld’, maar zouden toch ‘trucjes’ gebruiken om meer te krijgen. ‘In de hele wereld zijn het de Joden die het hardst smeken om genade’, zegt Baker. Maar, vraagt ze: ‘Zien ze dan niet dat ze nog meer tragedie over zichzelf afroepen, en over hun kinderen, en dat de tijd zal komen dat ze meer de schuld dan medelijden zullen krijgen?’
In zekere zin sluit dit aan bij een terugkerend dilemma: we zoeken in het verleden naar helden en heldinnen, naar mensen die ons inspireren, en ontdekken dan dat die inspiratiebronnen historische missers hebben, zoals oude, foute vooroordelen. Kunnen ze dan nog tellen als inspiratiebron?
*
In Nederland hebben we Aletta Jacobs, die als eerste vrouw een universitaire studie afrondde, arts werd en bijna haar hele leven lang onvermoeibaar voor het vrouwenkiesrecht streed. Jacobs zou een standbeeld krijgen in Den Haag, bij de Hofvijver.
Toenmalig burgemeester Pauline Krikke juichte het toe, zei ze destijds: ‘Ik voel me schatplichtig aan Aletta Jacobs en de vele vrouwen na haar die streden voor de positie van vrouwen. Als zij er niet, tegen de tijdgeest in, de barricaden voor waren opgegaan, had ik nu geen burgemeester van Den Haag kunnen zijn.’ Begin 2020 zou het worden onthuld.
Dat gebeurde niet. De kunstenaar in kwestie, die door een commissie was uitgekozen, legde de opdracht neer. Met als reden: ‘Aletta Jacobs was een racist. Punt.’
Over deze gang van zaken schreef Mineke Bosch, historicus, biograaf van Jacobs en lid van de commissie die het standbeeld moest realiseren, in De Groene Amsterdammer. De kunstenaar zette Jacobs weg in ‘de zwart-witmodus van de hedendaagse cancelcultuur’, vond Bosch: Jacobs had namelijk óók haar hele leven gestreden tegen ongelijkheid.
‘Een onwrikbaar geloof in rechtvaardigheid’ was de titel die Bosch aan haar biografie over Jacobs had gegeven. Terwijl de kunstenaar juist op basis van die biografie haar oordeel had geveld.
In 1911 begon Jacobs met een wereldreis die bijna een jaar zou duren. Samen met de Amerikaanse feminist Carrie Chapman Catt trok ze langs vele landen in Afrika en Azië, om internationaal het vrouwenkiesrecht te bepleiten. Onderweg schreef Jacobs reisbrieven, die werden gepubliceerd in De Telegraaf. Op basis van die brieven concludeerde Bosch dat voor Jacobs het rassenonderscheid een gegeven was, dat zij Europeanen als vanzelfsprekend boven de oorspronkelijke bewoners plaatste van de landen die zij bezocht.
Ze wees op hun huidskleur, en vergeleek hen met dieren (‘die twee naakte bruine broeders draafden als paarden’, zei ze bijvoorbeeld over de mannen die haar riksja trokken in Ceylon).
Volgens Bosch paste Jacobs’ vertoog binnen een genre. Ze schreef net zoals andere Europese mannen die verslag deden van hun reis door de koloniën. Juist door net als hen te schrijven, positioneerde Jacobs zich in hun discours, in hun taalgebruik – als hun gelijke. Zo maakte ze zich onderdeel van het koloniale systeem, geen bedreiging daartoe: als ze ooit haar felbegeerde kiesrecht zou krijgen, hoefde niemand te vrezen dat ze daarmee dat systeem zou proberen te ontmantelen.
In haar Burdens of History (1994) beschreef historicus Antoinette Burton een vergelijkbare houding die zij ‘imperial feminism’ noemde. Ze analyseerde Britse feministen die stelden dat Indiase vrouwen waren onderdrukt, en dat hun lot verbeterd diende te worden door de Britten – waarmee zij in feite dus het argument versterkten dat kolonisatie noodzakelijk was.
Zo positioneerden deze feministen zich als goede, koloniale burgers, gecommitteerd aan de beschavingsmissie die vaak juist dé legitimering van kolonisatie was. Omdat juist zij oog hadden voor het lot van deze gekoloniseerde vrouwen, moesten zij, de westerse vrouwen, kunnen meebeslissen in de politiek.
Voor latere feministen zijn dit soort koloniale voorgangers een teleurstelling. Omdat Jacobs tegen de onderdrukking van vrouwen was, zou zij ook wel kritisch zijn op het onderdrukkende koloniale systeem, dachten haar nakomers. Een denkwijze ‘gebaseerd op een naïef vertrouwen in de politieke correctheid van het feminisme’, aldus Bosch.
Solidariteit met anderen die ongelijk werden behandeld is nu eenmaal geen gegeven in de geschiedenis van het feminisme. Sommigen streden in de eerste plaats voor de rechten van de eigen groep; witte, welvarende vrouwen vochten in de eerste plaats voor witte, welvarende vrouwen.
*
Voor Josephine Baker bleef haar verzet tegen racisme altijd de belangrijkste strijd. Ze groeide op als zwart meisje in een sterk racistisch Amerika. Als jonge vrouw in Parijs ervoer ze geen racisme meer, zei ze. Daar werd ze een wereldster.
Maar toen ze later terugkeerde naar Amerika om op te treden, werd ze weer als vanouds gediscrimineerd. Toen een New Yorks restaurant weigerde haar te bedienen, kwamen leden van de National Association for the Advancement of Colored People (NAACP) daar protesteren. Foto’s van dat protest hangen in het Verzetsmuseum.
In het zuiden van Amerika was het nog erger gesteld. Een inzichtelijke toevoeging aan Bakers memoires is een verslag dat ze schreef als undercover journalist, Miss Brown genaamd. Ze beschrijft hoe ze de trein nam naar het gesegregeerde zuiden, ter onderzoek.
Wanneer de trein de onzichtbare noord-zuidgrens overgaat, wordt er een wagon aan het voertuig vastgemaakt, met daarop het woord ‘colored’. Bij een station stapt ze even uit. Ze loopt een café binnen met ‘white’ boven de ingang, stapt zelfverzekerd naar de toog en koopt met succes iets te eten, ondanks de blikken.
Dan loopt ze een ‘colored’-café binnen. Ze verwacht hartelijk te worden ontvangen, maar daar kijken mensen haar afkeurend aan. ‘Waarom is dat?’, vraagt ze haar reisgenoot. ‘Je hebt ze bang gemaakt’, zegt hij, iemand had haar actie als provocatie kunnen opvatten. ‘En als er een incident is tussen witte mensen en mensen van kleur, weet je nooit hoe het zal aflopen.’
In Amerika hoort Baker bij de ‘colored’. Ze zegt het letterlijk: ‘Daar voel ik geen trots of schaamte over. Ik heb geen keuze gemaakt.’
De Amerikaanse schrijver Ijeoma Oluo, auteur van onder meer So You Want to Talk about Race (2018), gaat in de introductie van de vertaalde memoires dieper in op Bakers analyse. Baker was terecht verongelijkt over de naoorlogse situatie in Harlem, zegt Oluo. Ze legt uit waarom: ‘In de geschiedenis van ons land zijn onze zwarte en Joodse gemeenschappen soms tegen elkaar opgezet.’
Het is een ‘instrument van white supremacy’, aldus Oluo, om sommige minderheden net wat meer macht te geven dan andere. Dat creëert verdeeldheid onder onderdrukte groepen en staat solidariteit in de weg.
Oluo geeft Baker gelijk in haar observaties over sommige Joden in Harlem, maar ze benadrukt dat niet alle Joden zich zo gedroegen. En Bakers opmerkingen over ‘de Joden’ in het algemeen zouden onverdraagzaamheid en antisemitisme kunnen veroorzaken, schrijft Oluo, ‘waar Baker volgens mij tegen zou zijn geweest’.
*
De aandacht voor vrouwen uit de geschiedenis is in Nederland de laatste jaren flink toegenomen, ook in tentoonstellingen. Zo zijn er, naast Josephine Baker, dit jaar tentoonstellingen over onder meer de ‘eigenzinnige’ kunstenaar Jo Koster (in Museum Gouda), de ‘ambitieuze’ (en enige) Chinese keizerin Wu Zetian (in Keramiekmuseum Princessehof), en de ‘onterecht onderbelichte’ kunstenaar Giselle Kuster te zien (in Museum Bommel van Dam).
Allemaal vrouwen die als inspirerend worden gepresenteerd, vrouwen die op een voetstuk worden gezet.
Dat is ook nodig – zeker in een tijd waarin vrouwenrechten wereldwijd onder druk staan, de misogyne manosfeer online oprukt en in Nederland vrouwelijke politici buitengewoon veel haatberichten (en doodsbedreigingen) krijgen, waarbij steevaast de favoriete scheldwoorden ‘heks’ of ‘hoer’ zijn.
Overigens: óók Josephine Baker heeft Nederlandse haatberichten over zich heen gekregen, van het vrouwonvriendelijke en het racistische soort. Toen zij in 1928 een tour door het land maakte, werd haar naam genoemd in ruim 1.500 artikelen in kranten en tijdschriften. Zoals in de katholieke krant De Maasbode, die haar lichaamsbedekking typeerde als ‘zoo onvoldoende, dat zelfs een heidense boschn** er nauwelijks genoegen mee zou nemen’, en vond dat voor haar dansen ‘de betiteling ‘obsceen’ zeker niet overdreven is’.
De protestantse krant de Delftsche Courant schreef dat Baker, toen ze in Frankrijk aankwam, ‘dood-arm, hongerig, ellendig en half wild’ was: ‘een half-bloed, een mulatin, die geen woord Fransch kende, rauwe geluiden uitstiet en zich behagelijk tegen een deurpost wreef’.
Met dit in het achterhoofd voelt het niet verkeerd dat het Verzetsmuseum opteerde voor een soort rehabilitatie. ‘Ze wordt vooral herinnerd vanwege het bananenrokje’, staat in een van de tentoonstellingsteksten. ‘Waarom niet voor haar verzet en activisme?’
Want, zo staat op de wand: ‘Josephine Baker had een visie; ze geloofde in een wereld zonder onderscheid van mensen vanwege kleur, geloof of afkomst.’
Het is lastig om die visie van Baker te rijmen met haar opmerkingen over Joden in Harlem. Baker had haar hele leven tegen discriminatie gestreden, was nota bene in het verzet tegen de nazi’s gegaan omwille van hun rassenpolitiek. En toch spreekt ze over ‘de Joden’ op een manier die aantoont dat antisemitisme na de Tweede Wereldoorlog niet zomaar was verdwenen, dat het bleef sluimeren, zelfs bij hen bij wie je dat niet zou verwachten.
Ook Aletta Jacobs gebruikte racistische stereotypen: een manier van spreken die het kolonialisme ondersteunde, en waar destijds het taalgebruik van doordrongen was. Maar Jacobs liet ook een geluid horen wat destijds als progressiever werd beschouwd. Zo noemde ze Javanen ‘volstrekt geen lager soort menschen dan wij’, en schreef ze: ‘het idee, dat wij, Nederlanders, hunne meerderen zijn, moet er uit’.
Mineke Bosch pleitte ervoor om Jacobs niet zomaar weg te zetten, in haar tijd te plaatsen, een tijd ‘waarin het bestaan van de koloniën een alomtegenwoordige vanzelfsprekendheid was’. Haar oproep had effect: naar aanleiding van haar essay in De Groene Amsterdammer vroeg Janneke Holman, fractievoorzitter van de PvdA Den Haag, het college van burgemeesters en wethouders van de stad of het bereid zou zijn het standbeeldinitiatief nieuw leven in te blazen.
Afgelopen februari antwoordde het college dat het 120 duizend euro opzij zou zetten voor een standbeeld van Aletta Jacobs. Binnen enkele jaren zou het er moeten zijn.
Volgend voorjaar gaat er een musical over Jacobs in première, van TEC Entertainment en Theater Oostpool. Op de website staat dat Carrie Chapman Catt, met wie Jacobs op wereldreis ging, daar ook een belangrijke rol in zal krijgen. Zouden de reisbrieven van Jacobs, met daarin haar problematische observaties, dan ook in het verhaal naar voren komen?
De antisemitische woorden van Josephine Baker worden in het Verzetsmuseum in ieder geval niet genoemd.
*
Het blijft moeilijk tot een slotsom te komen, om het verleden vanuit nu eerlijk, onbevooroordeeld te wegen. Er zit een risico in om naar het verleden te kijken en problematische uitingen of gedragingen weg te relativeren door te zeggen: ‘Zo ging het vroeger nu eenmaal.’ Veel mannen – politici, kunstenaars, filmmakers – hebben zo geprobeerd hun wangedrag in het verleden goed te praten.
Maar dat zijn mannen die al op een voetstuk staan. Hun iconische status wordt hooguit gerelativeerd. Veel vrouwen hebben nooit de kans gekregen om tot iconen te worden uitgeroepen.
In zekere zin zou je kunnen zeggen dat de les van wankelende iconen moet zijn dat het maar zelden voorkomt dat iemand in elk onderdeel van het leven correct was, en dat dat generaties later nog steeds zo wordt beschouwd.
Dus misschien moeten we niet zoeken naar foutloze vrouwen – dan maken we dezelfde denkfout als wanneer het om foutloze mannen gaat – maar naar echte vrouwen, die in hun tijd leefden, soms fouten maakten of denkbeelden hadden die we nu mogen veroordelen, maar die ook dingen durfden waarvoor we ze nu mogen bewonderen. En dat we inspiratie moeten putten niet uit onaantastbare, uit marmer gehouwen heldinnen, maar uit vrouwen van vlees en bloed.
Josephine Baker – Een leven vol verzet. Verzetsmuseum, Amsterdam, t/m 9/11.
Josephine Baker, Marcel Sauvage: Fearless and Free – A Memoir, uit het Frans vertaald door Anam Zafar en Sophie Lewis, met een introductie van Ijeoma Oluo. Vintage Publishing; 288 pagina’s; € 28,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant