Het leven: wat dachten we, wie waren we en hoe is het allemaal zo gekomen? Cabaretier Yora Rienstra werd vroeger buitengesloten omdat ze geen meisjesmeisje was. Nu is ze in de gloria met haar eigen jongens, met wie ze ongestoord kan voetballen en kan spelen met autootjes.
Naam: Yora Rienstra
Leeftijd: 44 jaar
Is: programmamaker, presentator, acteur en cabaretier
Bekend van: vier cabaretvoorstellingen, speelde in meerdere toneelstukken (waaronder Paaz in 2017) en presenteerde het televisieprogramma Rambam. Ze is initiatiefnemer en host van Vrouwejaars. Ze maakte de VPRO-documentaires Ik deed aangifte tegen de minister van Onderwijs (2021) en Half Holland Dakloos (2022) en is nu onder meer Druktemaker bij De Nieuws BV op NPO Radio 1.
‘Ik kom uit een links, creatief, Amsterdams gezin. Of zoals sommigen dat noemen: een elitair nest. Mijn vader was directeur van het Nederlands Filmfonds, mijn moeder beeldend kunstenaar – nog steeds, trouwens. Ze maakt abstracte kunst, dat is ook terug te zien op deze foto, want ze knipte vroeger altijd mijn haar. Of misschien zat ik niet stil, ik was een beweeglijk kind. Veel buitenspelen, vaak klimmen. Dat deed ik vooral met mijn zus. We schelen maar een jaar, ik was een ongelukje. Mijn moeder had een spiraal, maar ik wilde kennelijk heel erg graag bestaan.
‘Mijn ouders hebben het altijd belangrijk gevonden dat we deden wat we leuk vonden, nooit werd er gehamerd op het belang van studeren. Van kleins af aan speelde ik elke dag piano, ik jongleerde, had een eenwieler en wilde de clownerie in. Zo heb ik een jeugd overleefd die niet zo zorgeloos was.’
‘Op de basisschool was ik geen meisjesmeisje. Dat snapten ze daar niet, dus ik werd gepest. Of meer buitengesloten: smiespelen, sneaky doen, fluisteren en als ik dan vroeg: ‘Wat is er?’, zeiden ze: ‘Oh, niks’. Leren lukte ook niet, dus ik moest naar de lomschool (school voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden, red.). Daar was het niet veel beter, want als je eenmaal bent gepest, dan ruiken ze dat.
Grote verwachtingen is een zomerrubriek van Volkskrant Magazine waarin bekende Nederlanders uit hun fotoalbum putten en praten over hun verwachtingen.
‘In die tijd was ik groot fan van Brigitte Kaandorp. De luistercd’s van haar shows heb ik helemaal grijsgedraaid en ze heeft me met haar humor door die moeilijke periode heen geholpen. Humor relativeert, altijd. Dat is voor mij de grote aantrekkingskracht ervan en mensen aan het lachen maken is altijd een soort eerste neiging van me geweest. Ik wilde naar de kleinkunstacademie, maar wist dat je daarvoor havo moest hebben – wat stom is, want hoezo heb je dat nodig om op een podium te staan? Maar goed, met keihard werken en hulp van docenten kon ik op mijn 16de naar de havo en heb ik dat diploma gehaald. Op mijn 20ste, als oudste van de klas. Gaf niets, ik was blíj.’
‘De laatste schooljaren gingen beter. Ik zorgde dat ik niet meer kon worden geraakt. Mijn rol was de clown van de klas, mijn haar was gegroeid en ik had ondertussen behoorlijke bombonella’s gekregen, dus ik leek nu ook meer op een ‘meisje’. Ik had ook vriendjes. Deels door onwetendheid – ik had geen lesbische rolmodellen in mijn leven – en misschien had ik nog niet helemaal in de gaten hoe het bij mij zat, al merkte ik wel dat ik benauwd werd van jongens. Maar het was ook een kwestie van meelopen met de rest.
‘Achteraf vind ik het jammer dat ik niet eerder uit de kast heb kunnen komen. Dan had ik in mijn puberteit die ontdekkingstocht met meiden kunnen hebben, in plaats van met jongens, en daar misschien ook leukere herinneringen aan gehad.’
‘De kleinkunstacademie was geweldig, maar daarna viel ik in een zwart gat. Veel klasgenoten gingen auditie doen of bij een gezelschap spelen, maar ik wilde mijn eigen programma maken. Maar zonder theater geen publiek – en zonder publiek geen theater. Ik moest dus eerst een beetje naam maken. Dus ik besloot, veel te vroeg, om mee te doen met het Leids Cabaret Festival. Ik had op de academie een keer een stukje gedaan over dat ik vrouwen zo goed kon laten klaarkomen. Toen sloeg dat aan, maar op het festival totaal niet. Na een half uur voor een stille zaal spelen ging ik kruipend de coulissen weer in en wachtte niet eens het juryrapport af. Terecht, bleek.
‘Twee jaar heb ik in schuren en in de kleinste zaaltjes geoefend en in 2009 schreef ik me in voor het Amsterdams Kleinkunst Festival. Ik werd geholpen door Jeroen Woe, die ik al ken sinds mijn 13de, en Bas Hoeflaak. Het ging goed en Bas zei: ‘Nou, als jij niet wint, eet ik mijn schoen op.’ Hij droeg een soort leren lakschoenen, dus gelukkig voor ons beiden won ik.’
‘Dat was de start van mijn cabaretcarrière. Ik heb vier voorstellingen gemaakt, elke keer legde ik veel druk op mezelf. Dít wordt nu mijn meesterwerk, dat gevoel, ik zette er alles voor opzij. Het was schrijven, try-outen, spelen, reprises en weer nadenken over de volgende show. Ik vond het heel leuk, maar ook eenzaam. Reed ik midden in de nacht weer in mijn eentje terug naar Amsterdam, lag iedereen al te slapen of was dronken. Gelukkig kon ik vrij snel ook bij de radio terecht, een paar jaar later kwam daar televisiewerk bij.’
‘Tijdens de voorbereidingen van mijn tweede cabaretprogramma werd ik moeder. Mijn toenmalige partner heeft onze oudste zoon gedragen, ze werd zwanger met behulp van een donor.
‘Dat had nog best wat voeten in de aarde, want ja: die moet je wel eerst vinden. Ik belde het Rijnstate Ziekenhuis in Arnhem, omdat ik had gelezen dat de wachtlijst voor een spermadonor daar niet zo lang was. ‘Ik ben op zoek naar een donor’, zei ik tegen de vrouw aan de telefoon. Zij zei: ‘Jémig wat erg, wat is er gebeurd? Een ongeluk, of is het voor iemand die u kent?’ Ik dacht: wat reageert zij raar, joh. Lang verhaal kort: ik had de verkeerde afdeling gebeld, ik zat bij orgaandonatie.
‘Maar goed, onze zoon kwam uiteindelijk, nadat we hadden besloten om toch iemand uit onze eigen omgeving te zoeken. Dus hij heeft ook een vader in zijn leven. En alle angsten die ik vooraf had – kunnen we van elkaar houden als we niet biologisch verwant zijn, bijvoorbeeld – waren verdwenen toen hij in mijn armen lag. Ook dat klópte gewoon.
‘Met mijn huidige vriendin (actrice Kirsten Mulder, red.) heb ik ook nog een zoon gekregen. Ze zijn inmiddels 12 en 8. Als moeder doe ik maar wat. Ik ben wel een praktisch type, vind het leuk om met ze op pad te gaan. En sinds ik de jongens heb, kan ik weer spelen zoals vroeger. Ik hield als kind van autootjes en voetballen en voelde me vaak een jongen, dus ik ben helemaal in de gloria dat ik zelf ook jongens heb gekregen. Misschien ook wel door mijn eigen slechte ervaringen op school met die konkelende smiespelmeisjes, als ik dochters had gehad zou ik me daar denk ik wel druk om hebben gemaakt.’
‘Ik ben, terugkijkend, trots op hoe alles is gegaan. Mijn moeder ook, ze heeft vroeger weleens gezegd: ‘Er is er eentje die we waarschijnlijk de rest van ons leven moeten onderhouden, en dat is Yora.’ Ik heb in de afgelopen twintig jaar nooit zonder werk gezeten, niet slecht voor iemand die niet kon leren.
‘Mijn grootste wens is meer rust in mijn hoofd. Het voelt altijd alsof ik aan het rennen ben, zonder te weten waarnaartoe. Ik leef, maar sta te weinig stil bij het nu. Geen idee hoe andere mensen dat kunnen, ik ben daar vreselijk jaloers op.
‘Eerder dit jaar bleek ik borstkanker te hebben. Lang verhaal, hoop gedoe. Het gaat inmiddels goed, dat is het belangrijkste. En ik kan nu wel wat meer genieten. Op deze foto liepen Kirsten, onze jongste zoon en ik de avondvierdaagse en tijdens het lopen had ik eindelijk het gevoel dat ik even níét aan het rennen was. O ja, dit is het dus, dacht ik. Mijn gezin is het allerbelangrijkst. Een enorm cliché natuurlijk, maar er is geen woord van gelogen.’
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant