The Naked Gun had in de jaren tachtig een simpele formule: serieuze acteurs spelen met een uitgestreken gezicht absurde situaties. In de reboot keert het fenomeen terug, maar heeft dit in de huidige tijd vol ironische sitcoms en series nog hetzelfde effect?
Als de klassieke komedie The Naked Gun – From the Files of Police Squad om één grap herinnerd wordt, dan is dat de volgende: inspecteur Frank Drebin (Leslie Nielsen) gaat langs bij een steenrijke projectontwikkelaar, Vincent Ludwig, die hij verdenkt van gemene zaken. Hij vraagt Ludwig daarom om zijn logboeken. Ludwig roept zijn assistente erbij, de verleidelijke Jane Spencer (Priscilla Presley). Drebin valt meteen voor haar en volgt haar richting de vliering, waar de logboeken zich bevinden. Zij bestijgt de ladder, hij staat schuin onder haar en zijn blik volgt haar omhoog.
‘Nice beaver’, zegt hij waarderend.
‘Thank you’, zegt ze.
Ze tilt iets naar beneden dat een opgezette bever blijkt te zijn.
‘I just had it stuffed.’
Voor wie de Amerikaanse dubbelzinnigheid niet machtig is: de verbaal-visuele grap laat zich naar het Nederlands vertalen door voor ‘beaver’ ‘poes’ in de plaats te zetten, terwijl zij een opgezette kat van de vliering haalt, en vul de rest vooral zelf in.
Op zich goed gevonden, dit absurdisme, omdat het om te beginnen verrassend is (onder veel meer, onthutsend ongepast) om een vrouw te complimenteren met haar ‘nice beaver’, op een toon alsof het een mooie jurk betreft, in een werkgerelateerde omgeving waar je elkaar pas net hebt ontmoet. Het is vooral de fantastische uitvoering van de grap die hem tot een filmklassieker maakt. Het is een absurd ver doorgevoerde deadpan.
Om deadpan uit te leggen kun je een visuele grap uit de nieuwe Naked Gun-film aanhalen, vanaf donderdag in de bioscoop. Ook dit is een komedie vol prima vondsten. Zo is er een gewelddadige bankoverval; het buiten opgestelde politiekorps is besluiteloos. Er huppelt een klein meisje voorbij dat ogenschijnlijk nietsvermoedend de bank binnengaat. Eenmaal binnen blijkt het twee turven hoge meisje de onwaarschijnlijke vermomming van de nieuwe Frank Drebin, zoon van de oorspronkelijke, die vervolgens afrekent met het complete boevengilde. Als hij klaar is vraagt een geschrokken klant vol ontzag:
‘Wie bént u?’
‘Frank Drebin, Police Squad. De nieuwe versie.’
Terwijl hij dit zelfverzekerd vertelt, staat hij in een klassiek stoere houding, één voet op een prullenbak – in een veel te klein schoolmeisjesuniform, zijn aardbeienboxershort onder het rokje uitpiepend.
Beide grappen, die uit het origineel en die uit de reboot, zijn in hoge mate vergelijkbaar: ze maken gebruik van de ernst die je van misdaadfilms gewend bent, en van de clichés die daarbij horen, en bouwen daar zorgvuldig een fundament mee op om de punchline goed te laten overkomen. Ook het soort humor is vergelijkbaar: grappen om de grappen, de omdraaiing, en het absurdisme. Maar de uitvoering verschilt op één punt drastisch.
Liam Neeson, aan de ene kant, is een intense acteur, bij wie je de emoties van zijn gezicht kunt scheppen. Dat was ook de reden om hem te casten – het is de bloedige ernst van actiethrillers als Taken waarin hij de laatste decennia grossierde die het knipogende fundament vormt voor deze Naked Gun-versie.
Neesons acteerstijl is zo dik aangezet, dat hij al vaker geparodieerd is – kijk naar de geweldige scène uit de Britse komedie The Trip (2012, Michael Winterbottom), waarin twee bevriende acteurs (Steve Coogan en Rob Brydon) elkaar aan een restauranttafel vermaken met imitaties. Op een gegeven moment zetten ze oudere actiehelden als Sean Connery en Roger Moore tegenover Neeson: de eerste vol understatement, de laatste vol aangeblazen emotie: ‘I will hunt you downhhh.’
In The Naked Gun parodieert Neeson zichzelf met verve, wat ertoe leidt dat hij zijn ernst steeds een beetje overdrijft, en al doende steeds een beetje naar de kijker knipoogt: kijk, ik ben nu heel serieus aan het acteren, maar ik sta tegelijk in mijn onderbroek.
De benadering van Leslie Nielsen, en ook van Priscilla Presley, in de oorspronkelijke The Naked Gun is anders: ze acteren neutraal, zoals je dat zou tegenkomen in honderden Amerikaanse misdaadtelevisieseries in de jaren tachtig: redelijk overtuigend, serieus en een beetje achteloos, met een uitgestreken gezicht. Ze reageren op geen enkele manier op de grap, maar praten onverstoorbaar door terwijl Nielsen de opgezette bever van Presley aanneemt en op de archiefkast zet. Dit verregaande uitgestrekene heet deadpan, te vertalen als: ‘dode smoel’, stalen gezicht.
Deadpan is een acteerstijl én een regieopvatting. De bedenkers van de Naked Gun-films, de broers David en Jerry Zucker en Jim Abrahams, hebben deze opvatting voor het eerst tot in het extreme doorgevoerd.
Alledrie maakten ze deel uit van een groep studievrienden in Wisconsin die, zoals studievrienden dat kunnen, een eigen soort humor deelden. Die sloeg aan, waarna ze eind jaren zestig een eigen theater begonnen, eerst in Madison, Wisconsin en daarna in Los Angeles. Ze werden een culthit en wisten een studio zover te krijgen om ze halverwege de jaren zeventig hun beste sketches te laten verfilmen: The Kentucky Fried Movie (1977, John Landis).
Met regelmaat duikt de deadpan in die film op, in voor die tijd niet eerder vertoonde mate. Een op zichzelf niet eens zo briljante sketch over een pijnstillerreclame wordt er geestig door: televisieacteur Bill Bixby loopt, zogenaamd als zichzelf, door een laboratorium, kreukvrij in de camera pratend als een man met autoriteit, terwijl op de achtergrond permanent proefpersonen met hamers en flessen op hun hoofd worden geslagen. Het is het zorgvuldig volgehouden contrast tussen de voor- en achtergrond dat maakt dat de reclameparodie werkt.
En dat is wat deadpan doet: het is een grapversterkend middel. Op zich heeft een grap grofweg altijd dezelfde structuur: in de opbouw wordt een normale situatie neergezet (inspecteur vraagt vrouw om dossiermappen). Dan volgt een afwijking van dat normale (inspecteur zegt: ‘nice beaver’).
Vervolgens krijgt de kijker of lezer de inlossing, die de normale gang van zaken en de afwijking met elkaar in verband brengt (de opgezette bever). Hoe grappig een grap is, wordt bepaald door de mate van spanning tussen de te verwachten normale gang van zaken (man vraagt vrouw om logboek, vrouw geeft logboek, niks aan de hand), en de afwijking daarvan (man lijkt gesprek te beginnen over geslachtsdeel).
Dit gebeurt binnen het kader van een nieuwe logica die de parallelle werelden van ‘normaal’ en ‘afwijking’ bijeenhoudt (het blijkt om een opgezette bever te gaan).
De voornaamste manier om die spanning zo groot mogelijk te maken is door de grap inhoudelijk zo te schrijven dat de parallelle werelden van verwachting en afwijking zo ver mogelijk uit elkaar liggen.
Neem een scène uit het begin van de oorspronkelijke The Naked Gun: een agent valt een havenkantoortje binnen waar een drugsdeal plaatsvindt. Hij trapt daarbij nogal onhandig de deur in, waardoor de boeven tijd genoeg hebben hem met een enorme hoeveelheid wapens onder schot te houden en hem de volle laag te geven. Hij stort langzaam ter aarde, maar stoot daarbij eerst nog zijn hoofd tegen een verwarmingsbuis, leunt met zijn hand op een gloeiende kachel, komt met zijn schouder tegen een deur aan die nog nat is van de verf, strompelt van schrik naar een schuifraam dat dichtklapt op zijn vingers, trekt zijn hand terug, verliest daarbij opnieuw zijn evenwicht en belandt met zijn hoofd in een taart.
Hij ziet geen hand meer voor ogen, trapt nog in een wolvenklem en valt hinkelend in het water.
De grap, kortom, is zo bedacht dat er een vrij uitzinnig contrast zit tussen wat je normaal verwacht van een sterfscène (ernst, een zekere waardigheid) en wat je voor je ziet gebeuren (onhandigheid, vernedering, extra pijn boven op de bijna dodelijke verwonding).
Maar ook in de uitvoering van de grap kun je de spanning en daarmee de grappigheid verhogen. Het voornaamste middel daarbij is het oppompen van de verwachting van de kijker. Komisch acteren is daarbij het meest gangbaar, wat in de meeste gevallen wil zeggen: alles een klein beetje overdrijven.
Je kunt midden in een scène vallen van een serie die je niet kent en, ook zonder lachband of livepubliek, onmiddellijk aanvoelen dat je in een sitcom zit door de manier waarop personages praten. Kijk nog maar eens naar de eeuwige standaard Friends, waarin Ross, Monica, Phoebe, Chandler, Joey en Rachel permanent steeds een beetje te hard bij stem zijn, expressief reageren, trager van begrip zijn dan strikt noodzakelijk, of, samengevat, een klein beetje gek doen.
Dat heeft een functie: doordat de kijker continu voelt dat hij naar comedy kijkt, wordt hij ontvankelijker voor de grappen (de pointes worden als het ware soepel naar binnen gelepeld) en verwacht hij ook constant dat er weer een nieuwe grap komt. De kijker verkneukelt zich als het ware, en verkneukeling is spanning, en die spanning maakt de grap beter. De mate van aangezet acteren verschilt, maar heel veel van de beste comedy hanteert deze strategie: South Park, Chateau Promenade, Arrested Development, Girls, Reservation Dogs, Monty Python, Family Guy, Abbott Elementary, The Good Place, Fawlty Towers, Curb Your Enthusiasm, Parks and Recreation; ik ga te lang door.
En Liam Neeson dus, in de nieuwe The Naked Gun, en daar is dus helemaal niks mis mee. Zelfs in de scènes waarin niet zoveel emotie wordt gevraagd, zoals in een reeks geestige running gags waarin hij gedurende de hele film lang steeds van buiten beeld een beker koffie aangereikt krijgt (zelfs als hij autorijdt), aanvaardt hij de koffie met een net wat overdreven doorleefde ernst. Hij zoekt hiermee naar het contrast met de situatie, opdat dat contrast zo duidelijk mogelijk aan de kijker wordt overgebracht.
Op zich houdt hij zich hier, licht overdreven of niet, aan een bekende comedy-regel: ‘Play it straight’, oftewel: speel het serieus. Maar is het serieus genoeg voor maximaal effect? Het waren Zucker, Abrahams en Zucker die een overtreffende trap op die comedyregel uitvonden, of op zijn minst perfectioneerden, in de film Airplane! (1980).
Airplane! was in beginsel een parodie op de rampenfilms die het in die jaren goed deden, maar het was vooral een alibi om een bestaande doorsnee B-film als geraamte te gebruiken, het ingehouden paniekerige Zero Hour!, en dat geraamte helemaal vol te proppen met grappen, volgens een andere klassieke comedyregel: dien je grappen in hoog tempo op.
Ingegeven door het vakkundige maar wat afgezaagde basismateriaal kwam het schrijvende en regisserende drietal tot een geïnspireerde keuze: ze besloten louter halfbekende, ernstige B-acteurs in de hoofdrollen te casten.
Het viel ze op dat in die B-films de ernst van het spel en de overkooktheid van het plot an sich al een komisch contrast vormden, in het geval van Zero Hour! bijvoorbeeld een verhaaltje over een vliegtuig dat dreigt neer te storten omdat de halve passagierlijst en driekwart van de crew geveld is door een voedselvergiftiging.
Zo kwamen ze ook uit bij Leslie Nielsen, een tot dan toe niet onknappe, serieuze B-acteur die ze gezien hadden in The Poseidon Adventure, een rampenfilm waarin een cruiseschip ondersteboven in het water komt te liggen. In het heerlijke boek Surely You Can’t Be Serious, over de totstandkoming van Airplane!, herinnert het trio zich dat ze vielen voor het moment waarop Nielsen, die de kapitein speelt, een grote vloedgolf op zijn schip ziet afrollen en uitroept: ‘O mijn God.’
De casting kostte best wat moeite. De doorsnee-actiehelden Robert Stack, Peter Graves en Lloyd Bridges zagen niet meteen het komische in van de eindeloze reeks absurditeiten, noch wat hun rol daarin precies zou zijn. Het regisseren van die acteurs was zo mogelijk nog moeilijker. Omdat in het komisch acteren de overdrijving zó dominant is, bleven ze in het begin steeds de verkeerde toon aanslaan. ‘Play it straight’ was niet genoeg als regieaanwijzing. ‘Dat zeiden we eigenlijk nooit’, herinnert David Zucker zich. ‘We zeiden: doe alsof je personage helemaal niet dóórheeft dat-ie in een komedie zit.’
Dat werkte. Het zal daarbij schelen dat de acteernorm in actiefilms destijds op zichzelf al wat ingehoudener was dan nu; de betrekkelijk blanco gezichtsuitdrukking werd toen als kwaliteitsstempel ervaren. Hoe dan ook is het contrast met de absurde grappen in Airplane! onweerstaanbaar.
Beroemdste voorbeeld, waaraan ook de titel van het boek refereert, is wanneer een van de passagiers, in een vorig leven gevechtspiloot, naar de cockpit wordt geroepen, waar de aanwezige arts, gespeeld door Nielsen, hem verzoekt het gecompliceerde passagiersvliegtuig te besturen, omdat beide piloten zijn geveld door een bacterie in het vliegtuigdiner. Waarop de gevechtsvlieger zegt:
‘Surely, you can’t be serious.’
En dokter Nielsen antwoordt in volle ernst:
‘I am serious. And don’t call me Shirley.’
Leslie Nielsen is hier nét overtuigend genoeg om aan de kijker over te brengen dat hij er niet van gediend is Shirley genoemd te worden, en tegelijkertijd uitgestreken genoeg om op geen enkele manier te suggereren dat zijn personage doorheeft dat hij iets raars zegt: deadpan.
Gaan we even terug naar de basisstructuur van de grap, dan zie je hoe óók dit de spanning verhoogt tussen de verwachte normale situatie (een urgent gesprek over het voorkomen van een vliegramp) en de afwijking daarvan (de wereld waarin de arts denkt Shirley genoemd te worden, omdat dat klaarblijkelijk weleens het geval is). De uitgestreken ernst in het acteren laat de normale situatie en de afwijking verder uiteenlopen, waardoor ze op gespannener voet met elkaar staan. Resultaat: grapversterking.
Dit combineert in Airplane! voortreffelijk met al het absurdisme; bijvoorbeeld ook in deze scène, tussen de piloot en de arts, op een moment dat de eerste passagiers ziek beginnen te worden en de arts vindt dat het vliegtuig zo snel mogelijk ergens moet landen:
‘Captain, hoe snel kunnen we landen?’
‘Dat kan ik niet zeggen.’
‘Wel tegen mij, ik ben arts.’
‘Nee, ik bedoel: ik weet het gewoon niet precies.’
‘Kunt u geen inschatting maken?’
‘Nou, niet binnen twee uur.’
‘U kunt niet binnen twee uur een inschatting maken?’
‘Nee ik bedoel: we kunnen niet binnen twee uur landen.’
Airplane! werd een groot succes, en staat decennia later in vrijwel alle lijstjes van beste komedies aller tijden.
Waarmee Zucker, Abrahams en Zucker beseften dat ze met hun geheel eigen variant van vriesdroge humor iets geweldigs in handen hadden. Dat tegelijk ook moeilijk bleek vol te houden. En dat niet alleen omdat de natuurlijke neiging van acteurs in komedies dus ironisch genoeg het tegenovergestelde van deadpan is, namelijk overdrijven.
Met een tweede vrij geweldige speelfilm op hun naam, Top Secret! (bekijk daarvan vooral de geniale scène in de ‘Zweedse boekwinkel’, volledig achterstevoren opgenomen), zette het drietal zich aan een televisieserie, die de alomtegenwoordige ‘police procedurals’ als basis zou nemen: Police Squad!, met als Lieutenant Frank Drebin opnieuw Leslie Nielsen in de hoofdrol, omdat hij bij Airplane! de deadpan zo goed in de vingers had.
Police Squad! (1982) is waarschijnlijk hun beste werk – meer geestigheden per minuut kom je waarschijnlijk nergens in de film- of televisiegeschiedenis tegen, van details op de achtergrond (op de melkglasdeur van het politiebureau staat het woord ‘Police’ in spiegelbeeld, maar ‘Squad’ niet) tot briljant in het oog springende variaties op clichés, zoals telkens de eindscène, die eindigt in een freeze frame, waarbij niet het beeld wordt stilgezet, maar de acteurs bevroren stil blijven staan (en altijd ergens per ongeluk nog wat beweging doorgaat).
De serie flopte, en werd al na vier afleveringen stopgezet. Mogelijkerwijs lag het probleem bij de aanpak: als je een komedie serieus uitserveert, dan zien binnenvallende televisiekijkers niet dat ze in een comedy terecht zijn gekomen. Je moest, met andere woorden, te veel opletten.
Dit is een communicatieprobleem met deadpanhumor zoals je die ook op de affiches van de Zucker-Abrahams-Zuckerfilms zag: die films deden wél gek, zoals het vliegtuig met de knoop erin op de poster van Airplane!.
Het lag voor de hand nog te proberen er een film van te maken, en dat werd zes jaar later The Naked Gun – From the Files of Police Squad (1988). Een chef d’oeuvre, reboot-waardig, hoewel niet meer zo stijlvast als Airplane! en de televisieserie. Wellicht licht onzeker geworden door het floppen van de laatste werd er een komedie-element aan de mix toegevoegd: slapstick.
En hoewel je slapstick beslist deadpan kunt doen (zoals Buster Keaton dat al in 1928 deed met de beroemde scène waarin de gevel van een huis precies om hem heen valt), is slapstick fysieke humor, paniek, die zo als vanzelf lijkt uit te nodigen tot overdrijving, tot opgelegde hilariteit. Die overdrijving infecteert in The Naked Gun ontegenzeggelijk ook het personage van Frank Drebin, al vormen de schitterend droog uitgevoerde scènes – zoals die met de dossiermappen – daarop een uitzondering. Wanneer Drebin het in het veel te dure kantoor van Vincent Ludwig aan de stok krijgt met een Japanse vechtvis, breekt de overdreven mimiek door het pantser van de deadpan heen.
En zo begon al bij The Naked Gun de aftiteling te rollen voor het unieke ultra-ingehouden non-komisch acteren. Er kwamen twee vervolgen op het kassucces, nummer 2 ½ en 33 ⅓, waarbij Frank Drebin steeds wat warmbloediger en charmanter werd, en minder de onverstoorbare autoriteitsfiguur.
Zucker, Abrahams en Zucker zouden elk huns weegs gaan, met soms een aardige poging om de toon van Airplane! te doen herleven (Hot Shots!, 1991, Jim Abrahams), vaak met heel andersoortige films (het melodrama Ghost, 1990, Jerry Zucker, of de prima schreeuwerige Bette Midler-komedie Ruthless People, gedrieën, 1986).
Af en toe duikt de deadpan nog op in een heel andere vorm, virtuoos quasi-documentair bijvoorbeeld in Ricky Gervais’ The Office (2001), of geniaal vermomd als moderne romantiek in Phoebe Waller-Bridges Fleabag (2016). Of binnenkort in het vervolg op de legendarisch hilarische rock-mockumentary This is Spinal Tap.
Het is niet hetzelfde, en dat kan misschien ook helemaal niet meer. Als je naar de onmiskenbaar charmante Liam Neeson kijkt is de conclusie misschien ook: de laatste decennia zijn de mainstreamfilms en -series vanzelf al zo doorleefd en ironisch dat ze onmogelijk ooit nog als serieus basismateriaal kunnen dienen – en is dat soort deadpanhumor nooit meer grappig.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant