Schrijver Joris van Casteren is coördinator bij het begeleiden van eenzame uitvaarten in Amsterdam. Onregelmatig schrijft hij over zijn wederwaardigheden bij dat werk. Vandaag: meneer K. die, afkomstig uit Rusland, zo van het water in Nederland hield.
Donderdag 5 juni, een 16-jarige jongen fietst van school naar huis. Hij woont op een woonboot in de Amstel, bij de Utrechtsebrug. Het is half 4, de jongen zet zijn fiets op slot. Tussen de waterlelies ziet hij iets drijven, een etalagepop? De etalagepop heeft zwarte kleren aan en werkschoenen aan de voeten. De etalagepop draagt ook een brilletje.
De jongen roept zijn vader. Wel vaker drijven er voorwerpen bij de boot, dit is wel een hele gekke vondst. De vader ziet dat het geen etalagepop is en haast zich met zijn zoon naar binnen. Hij belt de politie, ze komen eraan. Wat als de dode man intussen wegdrijft? Met de hockeystick van zijn vrouw loopt de vader naar buiten, om het deinende lichaam in bedwang te houden.
Plotseling kantelt het lichaam, het brilletje glijdt van het hoofd en verdwijnt tussen de waterlelies. De vader ziet dat de dode man een diepe snee in de hals heeft en denkt meteen aan moord.
Daar zijn de agenten, de vader moet naar binnen. Vanuit de badkamer van de woonboot ziet hij meer agenten arriveren, en ook heel wat rechercheurs. Het fietspad wordt afgezet, ze gaan op de brug staan om eventuele pottenkijkers weg te sturen.
Onbevreesd stapt een forse diender met een reddingsbrancard het water in, de vader hoopt dat hij niet op het brilletje gaat staan. Een takelwagen hijst het druipende zaakje omhoog, het is een akelig gezicht. In een witte tent wordt het gehavende lichaam uitgekleed.
Schrijver Joris van Casteren doet in de Volkskrant verslag van zijn wederwaardigheden als coördinator bij het begeleiden van eenzame uitvaarten in Amsterdam. Daarbij leest een dichter, aangesloten bij de zogenoemde Poule des Doods, een gedicht voor de gestorvene voor.
De rechercheurs komen hem niet ondervragen, de vader zit daar maar op z’n boot, terwijl hij over waardevolle informatie beschikt. Hij loopt naar de tent, ook al hebben ze gezegd dat hij binnen moet blijven.
Tegen de rechercheurs zegt hij dat hij de dag ervoor een fiets onder de Utrechtsebrug zag staan. Er lag een lege rugzak naast en een zwarte jas. Hij zette de fiets en de spullen op de steiger voor zijn boot. De rechercheurs lopen met hem mee en bekijken de boel aandachtig.
Dan vertelt hij over het brilletje. De rechercheurs lijken niet erg geïnteresseerd, de forse collega blijft op de kant. ‘Het brilletje ligt hier nog steeds ergens tussen de waterlelies’, zegt de vader als ik hem spreek.
’s Avonds vertelde hij het verhaal aan zijn vrouw, de moeder van de jongen. Ze vond het vreselijk maar snapte absoluut niet waarom hij met haar hockeystick aan het lichaam had gezeten.
Meneer K. werd op 12 januari 1971 geboren in Oefa, een sombere Russische industriestad aan de voet van de zuidelijke Oeral. Zijn vader werkte in de luciferfabriek die in Stalins tijd uit de grond was gestampt.
Zijn moeder had een administratieve functie bij een van de olieverwerkende complexen die met walmende schoorstenen een vettige zwaveldamp over de stad uitsmeerden.
Als het krappe budget het toeliet verliet het gezin op vrije dagen de stinkende stad. De vader van meneer K. hield van vissen. In de Belaja of in de Oefa, rivieren die in het gebergte ontspringen, sloeg hij forellen aan de haak die de moeder op een vuurtje roosterde.
Meneer K. was dol op de rivieren, altijd wilde hij ernaar toe. Net als zijn vader ging hij met een hengeltje in het ijskoude water staan, urenlang, en meestal zonder iets te vangen. Zijn onderbenen raakten onderkoeld, hierdoor kreeg hij op latere leeftijd last van zijn knieën.
Een leraar zei tegen de ouders dat meneer K. een slimme kop had. Hij zou hogerop kunnen komen, de toekomst zag er hoopvol voor hem uit. Misschien, zei de docent, kan hij wel directeur worden van een van onze fabrieken.
In 1988 vertrok meneer K. naar Moskou om daar aan het Lomonosov-instituut scheikunde te gaan studeren. Maar heimwee kwelde hem, zonder zijn ouders voelde hij zich verloren.
Nog geen jaar later keerde hij terug naar Oefa. Daar zette hij aan de minder prestigieuze Bashkir Universiteit de scheikundestudie voort. In 1993 haalde hij zijn diploma.
De wereld was intussen grondig veranderd. Na de ineenstorting van de Sovjet-Unie waren de grenzen open gegaan, er kwamen vrije verkiezingen. Hoopvol en optimistisch stelde meneer K. zijn toekomstplannen bij.
Hij wilde geen directeur worden van een van die smerige fabrieken, die in handen zouden vallen van corrupte oligarchen. Computers hadden de toekomst, die brachten internet, een prachtig systeem dat mensen met elkaar in contact zou brengen en verbroederen.
De bevlogen jongeman – tenger, punkachtig gekleed en al wat kalend – volgde allerlei cursussen en las specialistische tijdschriften. In 1997 trad hij in dienst van een pas opgericht bedrijfje dat in Oefa software ontwikkelde.
Het bedrijfje groeide en werd een paar keer overgenomen. Naar Russische maatstaven stond meneer K. er financieel uitstekend voor, in het centrum van de stad huurde hij een appartementje.
Regelmatig bezocht hij zijn behoeftige ouders in een van de fantasieloze buitenwijken, verder was hij alleen maar aan het werk. Hij hoopte een alternatief besturingssysteem te ontwikkelen dat ook hanteerbaar zou zijn voor ongeschoolde Russische gebruikers.
De liefde schoot er een beetje bij in. Een inmiddels in Polen woonachtige oud-collega laat weten dat meneer K. ook niet erg romantisch was aangelegd. ‘Vaak zei hij direct wat in hem opkwam en wat hij van zo’n meisje vond.’
Kort na elkaar stierven zijn ouders. Ten gevolge van kanker, zoals vele Russische ouderen die langdurig zijn blootgesteld aan industriële vervuiling en amper toegang hadden tot fatsoenlijke medische zorg.
Meneer K. was verdrietig en vooral ook boos. Wat was er nou helemaal terechtgekomen van die betere wereld waarnaar ze in de jaren negentig zo verlangden? Het ging de nieuwe machthebbers alleen maar om geld.
Poetin hielp het land naar de vernieling. Internet bracht geen verbroedering, Russische veiligheidsdiensten tuigden er trollenfabrieken mee op. Over zulke zaken gaf meneer K. onbevreesd zijn mening.
In 2014 annexeerde Poetin De Krim. ‘Ik wil geen deel meer uitmaken van een crimineel regime,’ zei meneer K. tegen een vroegere vriend. Hij vertrok naar Montenegro, daar kon je als Rus gemakkelijk een visum voor krijgen.
In het stadje Bar aan de Adriatische Zee vond hij een baan bij een softwareontwikkelaar. Op Facebook deed hij verslag van zijn belevenissen. Hij at in een restaurant waar een papegaai in een kooi tegen hem praatte. Hij verbrandde op het strand en stapte op een zee-egel.
Hij reisde door naar Belarus. Daar werkte hij voor een idealistisch computerbedrijfje dat met het bewind van Loekasjenko overhoop kwam te liggen omdat er ‘buitenlandse spionnen’ actief zouden zijn.
Meneer K. vertrok naar Kyiv. Daar was een filiaal van Amazon gevestigd, het multinationale Amerikaanse technologiebedrijf. Hij werd aangenomen, om het te vieren ging hij naar de opera. Mogelijk kon Amazon hem aan een werkvergunning voor West-Europa helpen.
In 2022 viel Poetin Oekraïne binnen, in Kyiv voelde meneer K. zich niet op zijn gemak. In zijn Russische paspoort noteerde hij een hatelijke, aan het Kremlin gerichte leus.
Amazon stuurde hem naar het kantoor in Warschau, vervolgens kwam hij in het Finse Tampere terecht. De Finse manager van Amazon vond hem een vriendelijke maar wat ongewone man.
Hij vertelt dat meneer K. in kantooruitrusting verscheen toen ze met het hele team een wandeling maakten naar een afgelegen meer. ‘Hij kreeg last van zijn knieën maar voltooide de barre tocht op leren schoenen met spekgladde zolen.’
Meneer K. vond Finland te donker, de mensen waren er zwijgzaam en zwaarmoedig. Hij wilde naar Nederland, dat land trok hem enorm, misschien omdat ze daar net zo direct waren als hij.
De manager vond het prima, sinds de coronatijd mocht personeel op afstand werken. Hij bleef onderdeel uitmaken van het Finse team maar kwam formeel in dienst van de Amsterdamse afdeling. Aan het Ingenhouszhof in Oost vond hij een appartement.
Het appartement, dat hij zeer netjes hield en schaars meubileerde, was duur maar eindelijk woonde hij op een plek waar hij wilde zijn. Hij las Nederlandse kranten en nam veelvuldig de trein. Op Facebook schreef hij wat hem opviel: digitale informatiezuilen in Eindhoven en scanauto’s van parkeerhandhavers in Rotterdam.
In Amsterdam wandelde hij langs de grachten. De constante nabijheid van zoveel water, schreef hij, maakt me blij. Hij ging naar de opera, bezocht de Vermeer-tentoonstelling in het Rijksmuseum en liep op Koningsdag in zijn eentje met een oranje petje door de drukte.
Aan zijn vrijgezellenbestaan leek een einde te komen toen hij een Braziliaanse vrouw ontmoette. Ze was in Europa op vakantie en wilde zich in Portugal vestigen. Hij zei dat hij niet met haar mee zou gaan, alleen in Nederland voelde hij zich thuis.
In het najaar van 2024 draaide een verschil van inzicht met een Londense Amazon-baas uit op een conflict. Meneer K. meende dat de Brit hem vals van iets beschuldigde en liet dat weten ook.
De Brit eiste excuses, meneer K. liet de manager in Finland weten dat hij liever ontslag nam. Hij wisselde wel vaker van baan, zoiets deerde hem niet. In de ontslagbrief, verzonden in december, schreef hij nog dat Amazon-topman Jeff Bezos een schurk was die zijn ziel aan de duivel had verkocht.
Een nieuwe baan vinden in Nederland bleek veel lastiger dan gedacht. Want kort voor hij vol bravoure opstapte bij Amazon was een Rus opgepakt die bij Nederlandse chipfabrikanten gegevens had gestolen.
Meneer K. solliciteerde zich suf, vertelt de in Polen woonachtige oud-collega. Telkens werd hij afgewezen, het leek wel alsof iedereen dacht dat hij ook zo’n spion was. Zonder baan zou zijn verblijfsvergunning, die in mei verliep, niet worden verlengd.
Hij werd wanhopig, Nederland was minder hartelijk dan gedacht. In maart sprak de oud-collega hem voor het laatst, via een videocall. Meneer K. kwam zeer depressief op hem over. ‘Wat ik ook zei, hij zag het niet meer zitten.’
De oud-collega stuurde nog enkele berichten, die niet werden beantwoord. De Finse manager, de vroegere vriend en de intussen naar Portugal verhuisde Braziliaanse hoorden ook niks meer van hem. Op Facebook plaatse meneer K. een foto en een video van de Amstel.
Waarschijnlijk is hij in de nacht van 3 op 4 juni op zijn fiets gestapt. Van het keurige appartement aan het Ingenhouszhof reed hij naar de Amstel, op zoek naar een plek waar niemand hem zou zien.
Bij de Utrechtsebrug was het stil. Hij deed de rugzak af, trok zijn jas uit en zette de fiets niet op slot. Zijn kleding zoog zich vol toen hij de rivier in liep. Bereidwillig ging hij kopje onder.
Net als de vader van de 16-jarige jongen dachten de rechercheurs aanvankelijk ook aan moord. Maar in de witte tent zagen ze dat er behalve in de hals ook op andere delen aan de bovenzijde van het lichaam sneden zaten, in een regelmatig patroon. Het bleken de slagen van een scheepsschroef te zijn.
Meneer K. hield van Tsjaikovski. Hij vond het maar vreemd, schreef hij op Facebook, dat in Nederland tijdens de feestdagen De Notenkraker niet standaard op het repertoire stond.
Donderdagmiddag 10 juli kreeg meneer K. alsnog zijn Tsjaikovski, tijdens de eenzame uitvaart op begraafplaats Sint Barbara. Niet De Notenkraker, die is te lang en te feestelijk. Het Andante cantabile uit het Eerste strijkkwartet en vooral Nocturne in D-mineur leken me passend.
van een leven blijven de slordige details over tot wanorde
veroordeeld als niemand ze meer bijeenhoudt
zonder ons kronkelen ze als beken in bergen
dansen ze zonder ritme
neem je afwas geordend in het rek bij leven
ordeloos bij dood wie kent nog de code van jouw orde
dans dans speler dans
de papegaai in het soho café die sprak niet danste
niet zong wat zei hij over wat komen ging
somde hij de rivieren op die zonder jou onverbonden
zouden blijven
Belaja moskva svislats dnipro žèljeznica schelde amstel
die laatste bracht je in kaart als een renner het parcours
al je waterwegen laten zich in oneindige variaties afleggen
dans dans speler dans
Niets wil een schaduw vooruit werpen schaduwen bewaren
we voor achterwaarts we doen net doen alsof het filter dat we
voltooiing noemen samenhang brengt
alsof iets ooit voltooid kan zijn alsof dat kan zolang je code
nog beweegt
dans dans speler dans
je dans is misschien ooit uitgedanst
je lied moet nog altijd worden gezongen
Jeroen van Kan schreef dit gedicht speciaal voor de gestorvene en las het bij de uitvaart voor.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant