Home

Lezersreacties: ‘Wie denkt dat je rechtvaardigheid bereikt door harder te belasten, zal vooral draagvlak verliezen’

Verhoog de erfbelasting en zet het geld in voor armoedebestrijding, aldus Max van den Berg in een opiniestuk. Volkskrant-lezers reageren.

Extra geld

Een erfenis is (vaak) ‘gratis geld’. Het argument dat er al belasting over is betaald, dat is al zo vaak onderuitgehaald – niet in de laatste plaats in de vakliteratuur. Maar, dan moet wel vaststaan dat het extra geld zinnig gebruikt wordt. En daar wringt de schoen.

Laten we het voorbeeld van de (niet meer bestaande) vereniging van belastingbetalers volgen en eens kijken wat er allemaal over de balk wordt gegooid. Daarover werd in de jaren negentig jaarlijks een Zwartboek gepubliceerd. Als het niet zo triest was , dan zou het lachwekkend zijn. Dus de extra erfbelasting gebruiken om dat fenomeen in stand te houden? Nee, dat is zinloos.

Maar er zijn zoveel misstanden in onze maatschappij die door extra geld kunnen worden opgelost! Laten we die opzoeken en daar het goede doen.
Marjan Langbroek, Utrecht

Ongelijkheidskaart

In zijn pleidooi voor een verhoging van de erfbelasting wekt Max van den Berg de indruk dat dit een daad van solidariteit zou zijn, die ongelijkheid vermindert en kansengelijkheid bevordert. Een sympathiek uitgangspunt, maar helaas economisch ondoordacht, maatschappelijk riskant en gebaseerd op misleidende aannames.

De erfbelasting is de meest gehate én inefficiënte heffing van Nederland. 76 procent van de Nederlanders, ongeacht politieke voorkeur, vindt deze belasting oneerlijk. Ze wordt ervaren als een boete op zorg voor je naasten, vaak op het meest kwetsbare moment in het leven – na het verlies van een dierbare. Daarbij is de opbrengst, met circa 2,5 miljard euro op een rijksbegroting van ruim 400 miljard, marginaal. Daartegenover staan honderden ambtenaren, bureaucratische procedures en een belastingcomplexiteit die voor veel erfgenamen zonder fiscale hulp ondoenlijk is. Alleen al de Belastingtelefoon voor nabestaanden krijgt jaarlijks 400 duizend telefoontjes van mensen die verstrikt raken in erfbelastingregels.

Van den Berg presenteert de erfbelasting als een logische heffing op ‘nieuw inkomen’. Maar dat is een misvatting. Het gaat vaak om vermogen waar al drie keer belasting over is betaald: bij het verdienen (inkomstenbelasting), het bezitten (box 3) en het besteden (btw en accijnzen). Een vierde ronde belasting – enkel omdat iemand overlijdt – voelt voor mogelijk als juridisch geoorloofd, maar voor velen moreel discutabel. Bovendien is het frame ‘de ontvanger betaalt belasting over iets nieuws’ onvolledig: een in Nederland woonachtig kind dat een erfenis krijgt van zijn vader in Marokko, hoeft daarover geen erfbelasting te betalen. Terwijl eenzelfde overdracht binnen Nederland wél zwaar belast wordt. Dat wringt.

Daarnaast is de economische schade van een hogere erfbelasting evident. Meer dan driekwart van de nalatenschappen bestaat uit niet-liquide vermogen zoals de eigen woning (61,8 procent), en ruim 15 procent betreft ondernemingsvermogen. In beide gevallen leidt belastingheffing tot gedwongen verkoop of uitholling van vermogen. Familiebedrijven – goed voor ruim 2,5 miljoen banen – worden bij overdracht geconfronteerd met een extra onttrekking van 7,5 procent uit het bedrijf, dit mét de bestaande bedrijfsopvolgingsregeling (BOR). Zonder die regeling – iets waar de partij van Van den Berg voor pleit – loopt dit op tot 45 procent. Daarmee zet je familiebedrijven structureel op achterstand ten opzichte van private equity en multinationals. En dat in een tijd waarin we juist lokale werkgelegenheid, continuïteit en gemeenschapszin nodig hebben.

Van den Berg trekt ook de ongelijkheidskaart. Maar de cijfers over vermogensongelijkheid zijn selectief. Pensioenvermogens – voor veel Nederlanders het grootste bezit – blijven buiten beeld. Familiebedrijven worden wél meegeteld als ‘zakjes geld’, hoewel het vermogen vaak vastzit in machines, gebouwen en mensen. Zelfs het CPB erkent dat erfenissen nauwelijks bijdragen aan vermogensongelijkheid.

Wie écht kansengelijkheid wil vergroten, moet investeren in onderwijs, toegang tot de woningmarkt en het stimuleren van ondernemerschap – niet in herverdelingsmechanismen die vooral kapotbelasten wat met moeite is opgebouwd. En juist familiebedrijven leveren hier dag in, dag uit een essentiële bijdrage aan: via werkgelegenheid, via lokale betrokkenheid én via belastingafdrachten aan de schatkist. Die schatkist maakt al die publieke investeringen überhaupt mogelijk.

Natuurlijk is het verdedigbaar om bij grote maatschappelijke ambities ook naar de sterkste schouders te kijken. Maar wie denkt dat je met kortzichtige proefballonnetjes als een hogere erfbelasting de solidariteit vergroot, jaagt juist die schouders het land uit. Dan blijft er niets over om op te steunen.

Tot slot verdient Van den Berg erkenning voor zijn inzet om de opbrengsten van een hogere erfbelasting doelgericht in te zetten voor armoedebestrijding. Die gedachte – dat herverdeling pas legitiem is als ze ook echt bij de onderkant van de samenleving terechtkomt – is principieel juist. Maar juist daarom is realisme geboden: in de praktijk bestaat er geen structurele koppeling tussen specifieke belastingopbrengsten en sociale doelen. Vandaag kan men beloven dat de erfbelasting naar kansengelijkheid gaat, maar morgen verdwijnt het alsnog in de brede begrotingsdiscussie – voor defensie, stikstof, rente of welke coalitieprioriteit dan ook.

En belangrijker nog: zelfs als het lukt om het geld ‘goed’ in te zetten, is dat nog geen garantie voor een betere samenleving. Een hogere erfbelasting leidt tot het kapot belasten van het ouderlijk huis en het uithollen van familiebedrijven. Je dupeert de middenklasse, vergroot de kans op kapitaalvlucht, en levert uiteindelijk méér wantrouwen en mínder economische stabiliteit op.

Een gezonde samenleving bouw je niet door bezit aan de top af te romen, maar door onderop te versterken. Wie denkt dat je rechtvaardigheid bereikt door harder te belasten, zal vooral draagvlak verliezen. En dan is er straks geen rechtvaardigheid meer om te verdelen.
Stefan Tax, partner bij Meines Holla & Partners en belangenbehartiger van familiebedrijven, Den Haag

Spaarzaam leven beboet

Het is gemakkelijk uitdelen als het niet je eigen geld betreft. Max van den Berg maakt net als vele anderen de fout dat ‘superrijke’ erflaters met de erfenis ook de kansenongelijkheid vergroten, waarbij de erfgenamen dan vaak ook nog eens al in goeden doen zijn. Nu gaan de meeste erflaters dood op een moment dat de kinderen al lang de scholing hebben gehad, toegetreden zijn tot de arbeidsmarkt en de erfenis op zich weinig meer verandert aan de kansenongelijkheid.

Vermogen is in veel gevallen – los van degenen die op een dieptepunt in de markt, zoals bijvoorbeeld begin 1990, een huis gekocht hebben – in een koopwoning opgebouwd met eigen verdiend geld. De waardestijging is niet de volledige winst, omdat de hypotheekrente en kosten voor het onderhoud en verbetering daar nog van afgetrokken moeten worden.

In mijn geval, afkomstig uit een gezin met acht kinderen – waardoor we niet echt arm waren maar het ook niet breed hadden – hadden we de mazzel dat onze ouders onderwijs altijd gestimuleerd hebben en door aanvullende avondopleidingen heb ik met name de laatste twintig jaar een goed salaris gehad. Dat is niet uitgegeven aan leuke vakanties of een dure auto. Door spaarzaam te leven, is er vermogen opgebouwd wat grotendeels in de stenen van de woning zit.

Dit had nog meer kunnen zijn als ik ook mee had gedaan aan het beleggingscasino, maar daar doe ik uit principe niet aan mee. Door tussentijds extra af te lossen, is de restschuld niet echt hoog meer en als ik de komende jaren niet overdreven veel uitgeef, kunnen mijn beide zonen elk een leuk bedrag tegemoet zien.

De oudste heeft angststoornissen en geen baan, de jongste is na een langdurige maagverlamming qua energie nooit weer op het oude niveau teruggekomen en kan ook niet werken. De erfenis betekent voor beiden dat hun uitkering stopgezet wordt en ze eerst de erfenis op moeten maken. Een voordeel voor de overheid, zonder dat dit hun kansen in de maatschappij vergroot. Als de erfenis opgesoupeerd is vallen ze weer terug op de uitkering. Wat voegt het dan toe als van die erfenis ook nog eens 10 procent aan erfbelasting wordt afgeroomd?

Stel dat ik nu gekozen had voor een aflossingsvrije hypotheek, leuke vakanties naar verre oorden, elke twee jaar een nieuwe glanzende bolide voor de deur et cetera; dan zouden mijn zonen geen ‘inkomen’ uit de erfenis hebben gekregen en de overheid geen 10 procent erfbelasting innen. Spaarzaam leven wordt in zo’n geval dus in feite beboet, wat toch niet echt de bedoeling zou moeten zijn.
Meerten van der Laan, Meeden

Logica erfbelasting

‘Wie de erfbelasting wil verhogen, kan in het huidige verrechtste politieke klimaat misschien maar beter even wachten tot na de verkiezingen. Toch is het een prima idee.’ Aldus Max van den Berg. Uitstekend dat de Volkskrant regelmatig aandacht aan dit onderwerp besteedt. In de ‘belangrijke morele vraag’ die Van den Berg opwerpt, ‘of een staat de legitimiteit heeft om (...) te snijden in het privévermogen van mensen’, kan ik echter niet meegaan.

Natuurlijk mag die vraag gesteld worden, maar waarom je niet eerst afvragen of een staat (tegen beduidend hogere tarieven: 35,82 tot 49,50 procent) belasting mag heffen op ‘de privé-inkomsten van mensen’? Mogelijk gaan inkomstenbelastingbetalers dan vanzelf de logica van (gelijke of hogere) erfbelasting inzien.
Jasper Laros, Zaandam

Familieplan

Families moeten tegenwoordig een plan hebben. Of je nu meer of minder verdient, de wereld is veranderd en om je kinderen een stabiel bestaan te geven is voor hen meer hulp nodig dan vroeger. Mijn vader kon in 1960 van een minder dan modaal salaris een huis kopen en dat – op één inkomen, want zo ging dat toen – in dertig jaar afbetalen. Door woningschaarste, en omdat we nu vaak tweeverdieners zijn, zijn de woningprijzen absurd hoog en kun je het als kind van deze tijd vergeten om aan een huis te komen zonder hulp.

Het huis van mijn ouders is natuurlijk ook in waarde gestegen – een veelgehoord argument in deze discussie – maar daar hebben zowel zij, als ik als erfgenaam niks aan gehad. Mijn ouders hebben er hun hele leven in gewoond en de erfenis die overbleef is geheel in mijn huis verdwenen, want vestzak-broekzak. Wat je daarom tegenwoordig doet is die vestzak-broekzak constructie bewust toepassen, om je kind aan een huis te helpen. Wat mijn vader vroeger in zijn eentje kon doen, moet je als gezin nu noodgedwongen aan elkaar doorgeven. Dat we daarmee onbedoeld meewerken aan het betalen van te hoge prijzen voor huizen, is een ongewenste bijkomstigheid. Het is helaas niet anders.

Waar ik moeite mee heb, is dat het als immoreel wordt bestempeld om geld te erven dat simpelweg nodig is om te kunnen doen wat mensen in 1960 in hun eentje konden. Er hangt een luchtje omheen van ‘gemakzucht’, ‘oud geld’ en ‘er niks voor hoeven doen’. Dat is niet juist. Ik heb er bewust voor gekozen om tijdens mijn leven minder uit te geven, bijvoorbeeld niet twee keer per jaar op vakantie te gaan wat tegenwoordig bijna gewoon is, maar één keer. Wat is er dan op tegen dat mijn kinderen van dat bewust uitgespaarde geld op vakantie zouden gaan als ik er niet meer ben?

Als ik ze nu drie keer per jaar had meegenomen, had daar geen haan naar gekraaid. Waarom dan wel als het bloed gestopt is te stromen in mijn aderen? Blijkbaar is het verschil tussen mijn leven en dood dé factor die bepaalt hoeveel mijn kinderen van mij mogen krijgen en of de belastingdienst mag zeggen ‘hier met dat geld’, want het is blijkbaar dan opeens niet meer van mij. Omdat ik niks meer terug kan zeggen?

Ik vind het een sympathieke gedachte om bij te dragen aan de samenleving via 10- tot 20 procent erfbelasting. Maar met grijpgrage vingers langskomen bij families met een plan, en onder het mom van ‘gemakzuchtig geld’ 50 procent ophalen over geld dat bewust is opgespaard om kinderen een start te geven in een dure, harde maatschappij, is onkies.
Arjen Göbel, Amstelveen

Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next