Home

Het woningtekort is nijpend, net als in de jaren zeventig. Wat kunnen we nu leren van de ‘bloemkoolwijken’ van toen?

De bloemkool- of woonerfwijken waarmee groeisteden als Zoetermeer groot werden, staan bekend als ‘truttige’ verdwaalbuurten. De buurten herbergen echter talloze architectonische parels, weet architectuurhistoricus Michelle Provoost. En: in het kader van de huidige woningbouwopgave valt er van de bloemkoolwijk best wat op te steken.

schrijft voor de Volkskrant over architectuur, landschapsontwerp en stedenbouw.

Woningnood. De Rotterdamse Irma Schwartz-Kerstens (69) weet nog hoe groot die in 1978 was. Veel jongeren woonden bij hun ouders op zolder, zij en haar man Henk, pasgetrouwd, bivakkeerden in een piepklein flatje in de naoorlogse wijk Hoogvliet. Op zoek naar een gezinswoning belandden ze in Capelle aan den IJssel, een groeikern, zoals door de overheid aangewezen uitbreidingsgebieden bij de grote steden gedoopt werden. Daar verrees de Bergenbuurt, een zogenoemde bloemkoolwijk.

De naam verwijst naar de stedenbouwkundige plattegrond, die in zijn opzet, met vertakkingen van grote naar steeds kleinere, veelal gebogen straten, doet denken aan de structuur van een bloemkool.

‘Het oogde heel apart’, zegt Schwartz-Kerstens over de twaalf achthoekige woonhoven, opgebouwd uit vierlaagse appartementenblokken van felrode baksteen. Ze waren enthousiast over de ruime woningen en collectieve woonstraten op de eerste verdieping, met daaronder weelderig beplante parkeergarages.

Direct meldde het stel zich bij de woningcorporatie, en tot hun geluk konden ze een appartement aan een woonstraat huren. ‘Onze twee jongens speelden altijd buiten, het wemelde hier van de kinderen’, wijst Schwartz-Kerstens op de met bloempotten ingerichte buitenruimte.

Het stel woont ‘nog steeds hartstikke fijn’ in de Bergenbuurt, die in 2000 is gerenoveerd. Maar de winkels en woningen bij het op steenworp afstand gelegen metrostation De Terp ogen sleets, ze wachten op onderhoud en verduurzaming. Na vijftig jaar moet ook de riolering in de wijk vervangen worden. Op het plein bij de metro staat een bord met ‘verboden alcohol te drinken’.

Gigantische operatie

Deze kwesties spelen in alle Nederlandse groeikernen, van Hoofddorp tot Spijkenisse en Zoetermeer, waar in totaal 1 miljoen woningen staan. In hetzelfde hoge tempo waarin die destijds verrezen, moeten ze nu worden vernieuwd. Een gigantische operatie, en een mooie aanleiding om de bloemkoolwijken onder de loep te nemen. Wat kan en moet er veranderen, en: wat is juist de moeite waard om te behouden?

Over die vragen buigt architectuurhistoricus Michelle Provoost zich als directeur van het International New Town Institute (INTI), in 2006 opgericht in Almere. ‘Er bestaat een neiging om stukken stad die niet meer werken te slopen’, zegt Provoost. ‘Mede doordat groeikernen in de vakwereld weinig gewaardeerd worden. Bloemkoolwijken staan bekend als verdwaalbuurten, architect Carel Weeber bestempelde de architectuur met zijn talrijke hoekjes als truttig. Dat is blijven hangen.’

Zelf had Provoost er aanvankelijk ook weinig mee. Dat beeld veranderde toen ze daadwerkelijk in de groeikernen op bezoek ging. ‘Vanuit het New Town Institute hadden we een Groeikernenkring opgericht voor kennisuitwisseling over naoorlogs erfgoed. Purmerend wilde zich aansluiten, maar dacht dat er geen erfgoed was’, vertelt Provoost.

Zij werd gevraagd ernaar te kijken en stuitte op ‘waanzinnige gebouwen’. Zoals een wooncollectief van zestig mensen ‘dat nog steeds geweldig werkt’ en de stadverwarmingscentrale met bijbehorende verwarmingshuisjes. ‘Een innovatief energiesysteem, ontworpen als een ensemble van gekantelde kubussen, en minstens zo monumentwaardig als de Rotterdamse kubuswoningen’, aldus Provoost.

Lelystad, dat eenzelfde onderzoeksopdracht gaf, bleek ‘een schatkist’. Provoost trof er fraaie zelfbouwwoningen van hout, centra voor ‘kunstzinnige vorming’ en een hightech treinstation.

‘Er is geen periode geweest die zo divers was in vorm, stijl en uitstraling, zo ambitieus wat betreft maakbaarheid van de samenleving en waarin zo veel gebouwd werd als de jaren zeventig’, stelt Provoost in haar pas verschenen boek Bouwen aan de geluksmachine. Daarin belicht zij de politiek achter de bloemkoolwijken, die bestuurlijke macht en kapitaal inzette om de maatschappij beter, gelijkwaardiger en gelukkiger te maken.

Een uitgelezen plek

Het progressieve kabinet Den Uyl (1973-1977) formuleerde een even idealistisch als vernieuwend programma, met speerpunten als emancipatie, democratisering en milieu hoog op agenda. De groeikernen, die in de uitvoeringsfase kwamen, waren de uitgelezen plek om die ideeën om te zetten in bouwprojecten op het gebied van duurzaamheid, participatie en (bouw)technologie.

De interessantste 167 gebouwen beschrijft Provoost in haar boek. Niet vanuit een nostalgische terugblik op de tijd van zitkuilen en bruin-oranje interieurs, maar ‘als zijnde relevant voor de aanpak van – vergelijkbare – ruimtelijke opgaven waarvoor Nederland staat’. Welke lessen kunnen we daarvan leren?

Laagbouw in hoge dichtheid

Wist je dat de Bergenbuurt net zoveel woningen omvat als deze gebouwen?’ Provoost wijst op twee gigantische galerijflats die de wijk aan de noordwestkant flankeren. In antwoord op de nijpende woningnood na de oorlog, werd in eerste instantie vooral dit soort hoogbouw gerealiseerd. Maar rond 1970 ontstond een omslag in het denken. Men vond de flats te grootschalig en anoniem; woningbouw moest een meer menselijke maat krijgen.

De eis voor een hoge dichtheid bleef evenwel staan. Dat noopte tot creatief puzzelen. Het ontwerp dat architect Benno Stegeman voor de Bergenbuurt maakte is een sprekend voorbeeld, waarbij alle ruimtelijke elementen als radertjes in elkaar grijpen. De wooncirkels en het omringende groen met waterpartijen, het woondek boven de parkeerhoven, de 878 appartementen die in 65 torentjes rond portieken zijn gegroepeerd, en via splitlevels worden ontsloten.

‘Terwijl je de buurt ervaart als kleinschalig, is een enorme dichtheid bereikt. Dat is een van de grote verdiensten van de bloemkoolwijken’, zegt Provoost.

Lever kwantiteit én kwaliteit

Een tweede eis was dat de wijken autoluw zouden zijn, opdat kinderen er veilig konden spelen. De verkeerskundige oplossing, met een rondweg voor doorgaand verkeer, vanwaar aftakkingen leiden naar buurten met gebogen ‘speelstraatjes’, vormt de basis voor de bloemkoolstructuur, legt Provoost uit tijdens een rondgang op de fiets door Zoetermeer.

Vanaf de rondweg nemen we de afslag naar de Koepeltjesbuurt, vernoemd naar de knaloranje perspex koepeltjes op de witgrijze kalkzandsteen huizen. Het wijkje, dat heel anders is in sfeer dan de Bergenbuurt, werd in 1971 ontworpen, ook door Benno Stegeman. ‘Hier is het parkeren ondergronds opgelost’, wijst Provoost op een in het groen verscholen inrit van een half verdiepte parkeergarage. Daarboven is een speelplaats ingericht.

De Koepeltjesbuurt was een van de projecten uit het (landelijke) programma Experimentele Woningbouw dat minister Wim Schut van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening in 1968 was begonnen, en dat het kabinet-Den Uyl voortzette. Het doel was om vernieuwing te stimuleren, van betere plattegronden tot energiezuinige installaties. ‘Schut, opgeleid als stedenbouwkundige, wilde de gevraagde een miljoen extra huizen leveren, maar ook ruimtelijke kwaliteit’, zegt Provoost.

Hoewel de Koepeltjesbuurt een succes werd, kreeg het experiment geen navolging. Dat had enerzijds te maken met een omslag in de politiek, anderzijds met geldgebrek. Den Uyls PvdA won de verkiezingen in 1977, maar er kwam een coalitie van CDA en VVD. Die reageerde op de oliecrisis van 1979 met forse bezuinigingen, en vond dat het aan bedrijven was om in innovatie te investeren. Maar de bouwwereld, in zijn aard conservatief, ging op de oude voet verder.

Denk verder dan woningen

Vertegenwoordigers van de groeikernen stuurden vorig jaar een brief aan woonminister Mona Keijzer, waarin zij waarschuwden om, nu het kabinet op het punt staat om nieuwe grootschalige woonlocaties te bouwen, niet dezelfde fouten te maken als in het verleden. Zij wijzen op het gebrek aan voorzieningen en werkruimtes, waardoor bewoners ontmoetingsplekken missen en een gebrek aan sociaal contact ervaren.

Dat er weinig voorzieningen zijn, komt doordat de bouw van groeikernen vooral gericht was op extra woningen, maar ook door afbraak. Zo moest in 2001 in Zoetermeer het multifunctionele wijkcentrum Meerzicht wijken voor de bouw van een seniorenflat. Het glooiende bakstenen wijkcentrum was een van de eerste werken van architect Ton Alberts, die later met zijn compagnon Max van Huut in dezelfde bouwstijl het fameuze ING-hoofdkantoor ‘Het Zandkasteel’ in Amsterdam bouwde.

Een buurt verderop lopen we binnen bij het tussen de winkels verscholen wijkcentrum Buytenwegh, waar het gezellig druk is. In het achthoekige, met hout omklede gebouw kun je houtbewerken, er is een upcycle store en een naaiatelier. De projectontwikkelaar die eigenaar van het gebouw is, maakt een nieuw plan voor de locatie. Provoost vermoedt dat het op sloop zal uitdraaien. ‘Dat zou spijtig zijn, want ook al oogt het gedateerd, in dit gebouw schuilt veel waarde: architectonisch, historisch en cultureel.’

Niet slopen, maar transformeren

‘Er is weinig aandacht voor de verhalen achter de gebouwen in groeikernen’, zegt architect Alcuin Olthof, sinds 1981 woonachtig in Zoetermeer. Toen de stad in 2012 zijn vijftigjarig bestaan vierde met een architectuurtentoonstelling, werden enkel de oorspronkelijke bouwplannen getoond. ‘Ik vond het vreemd dat je niets zag van de stad in gebruik, hoe die ouder wordt, of van de 110 duizend mensen die er wonen’, zegt Olthof.

Om daarin inzicht te geven, richtte hij samen met stedenbouwkundige Willem Hermans de stichting Schatbewakers op. Ze organiseren stadsgesprekken en maken een magazine met verhalen over de stadsgeschiedenis. ‘Wij zijn geen bewaarders die zeggen dat er niets afgebroken mag worden’, benadrukt Olthof. ‘Maar we willen discussie daarover, zodat een zorgvuldige afweging gemaakt kan worden.’

Begin 2025 besloot het college van B&W tot sloop van het kantorencomplex De Mammoet, een bouwwerk dat uit een sciencefictionfilm lijkt te komen, met liftkokers als raketten en een gevel van aluminium panelen in fluoriserend geel. Het werd in 1980 gebouwd voor vakbond FNV en is nu een levendig bedrijfsverzamelgebouw. Het moet wijken voor de bouw van de nieuwe woonwijk Entree, evenals de naastgelegen, uit brutalistisch beton opgetrokken Kristalkantoren. En dat terwijl De Mammoet mogelijk door de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed wordt aangewezen als rijksmonument.

Voor beide complexen is door architectenbureau Rijnboutt in opdracht van de gemeente een ontwerpstudie gedaan, die toont dat ombouwen naar woningen mogelijk is. ‘Maar nieuwbouw levert meer rendement op, waarbij indirecte kosten die sloop meebrengt voor het klimaat waarschijnlijk niet zijn meegerekend’, zegt Olthof. Provoost: ‘Het is zonde, ook omdat betaalbare werkruimte voor kleine bedrijven verdwijnt, terwijl dat nou precies is wat de stad nodig heeft.’

Zij vindt dat groeikernen zich moeten richten op transformatie in plaats van sloop-nieuwbouw. ‘Grijp het vervangen van de riolering aan om straten te vergroenen. Realiseer extra woningen door eengezinswoningen te splitsen en panden op te toppen. Verbouw onbenutte wijkcentra tot gezondheidscentrum of maak er een creatieve broedplaats.’

Trek starters aan

Woningen worden minder snel gesloopt dan kantoren en voorzieningen. Dat heeft te maken met het versnipperde woningbezit: corporaties verkochten in de loop der tijd veel sociale huurwoningen aan particulieren. Daardoor kunnen zij niet zomaar complexen afbreken. Bovendien is 80 procent van de bewoners tevreden over hun wijk, toont onderzoek uit 2013 naar bloemkoolwijken. Wel trokken veel jongeren weg. ‘Maar die komen de laatste jaren weer terug’, ziet Olthof.

Zo ook in Capelle aan den IJssel, waar architectuurhistoricus Stefanie Korrel (30) en haar partner Pim Leewis (32) – vanuit een krappe huurwoning in Rotterdam – in het (koop)appartement naast Irma en Henk Schwartz-Kerstens trokken. Korrel, die samen met Provoost werkte aan het onderzoek naar groeikernen, ‘ontdekte’ de Bergenbuurt tijdens een excursie. ‘Toen ik de rotsachtige gebouwen zag opdoemen, dacht ik: wauw, wat ís dit?’

De betaalbaarheid van de woning (350 duizend euro voor 95m2), de nabijheid van openbaar vervoer en de groene buurt speelden mee in de keus om hier te gaan wonen. Ook was ze gecharmeerd van de bakstenen gevels en de gemetselde nisjes naast de voordeuren, waarin de bewoners snuisterijen zetten. ‘Maar het was vooral de efficiënte en ruimtelijke indeling die ons aansprak, met veel lichtinval en doorzichten naar buiten. Daarvan worden we elke dag blij’.

Ze blikt over het ronde woondek waardoor metershoge coniferen vanuit de parkeergarage omhoog groeien. ‘Als ik hier loop, waan ik me in een bos. Het voelt als op vakantie.’

Michelle Provoost: Bouwen aan de geluksmachine, architectuur in de Groeikernen 1972-1988, INTI, € 25.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next