‘Mijn oudste dochter is geslaagd voor haar havo’, zegt de patiënte tegenover me ineens. Een brede glimlach verschijnt op haar licht opgemaakte gezicht terwijl ze haar beige hoofddoek – keurig afgestemd op haar lange, bruine rok – fatsoeneert. Ik werp een blik op het klokje dat achter haar in de hoek van mijn praktijkruimte hangt. We hebben nog tien minuten.
‘De twee jongsten zijn ook over naar een hogere klas’, gaat ze verder. ‘We zijn zaterdag naar de Bazaar in Beverwijk geweest om het te vieren, met de trein en daarna de bus. De meiden hebben alle drie een Gucci-tas uitgezocht. Een nepperd natuurlijk, maar ze waren zó blij.’
Forugh Karimi groeide op in Kabul en woont sinds 1996 in Nederland. Ze is schrijfster, psychiater en psychotherapeut. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Ze is 45. Haar jeugd bracht ze door onder tentzeil, in de zinderende hitte van een Saudisch vluchtelingenkamp. Verjaagd door een dictatuur in haar geboorteland, werden haar familie en zij in de jaren negentig met nog vele anderen een paar jaar opgevangen door een wereld die hen buiten de stadsgrenzen wilde houden, in de genadeloze leegte van de woestijn. In Nederland mocht ze weer ademen. Ze leerde de taal, haalde zelfs een mbo- diploma, en stichtte een gezin.
Ze doet wat vrijwilligerswerk. Een betaalde baan zit er niet meer in: haar lijf draagt de last van alles wat is geweest, en het is alsof haar pijn nu pas ruimte krijgt om zich te nestelen in haar gewrichten, spieren en organen. Haar geest is moe van het overleven. Maar haar dochters doen het goed.
Ze vertelt dat ze boos was geworden op haar jongste, die op het vwo zit en steeds zeurt dat ze op vakantie wil. Maar dat zit er gewoon niet in. Dat dagje Bazaar moet, samen met nog een paar andere uitjes, maar als vakantie tellen. Zo erg is dat toch niet? Haar meiden zouden eens moeten weten hoe háár jeugd was.
Ik kijk door het raam naar de muur van het belendende gebouw, als altijd de stille getuige van wat zich hierbinnen afspeelt. In het roodbruin van de bakstenen zoek ik de juiste reactie op haar verhaal. ‘Denk jij dat ik een goede moeder ben?’ Haar vraag onderbreekt mijn gepeins. ‘Waarom vraag je dat?’
‘Gewoon. Omdat jij me hebt geleerd tegenover mijn kinderen niet zo zielig te doen over mijn verleden. Ik wil ook niet boos zijn, maar het gebeurt vanzelf. Ze moeten toch snappen dat ze niet te vergelijken zijn met hun Nederlandse klasgenoten? Wij komen gewoon uit een andere situatie. Ze moeten maar flink hun best doen op school en dan hard werken om iets van hun leven te maken, zodat ze later wél op vakantie kunnen.’
Woorden vormen zich spontaan in mijn therapeutenbrein, maar voor ze mijn lippen bereiken houd ik mezelf tegen. Het bekende relaas over opvoeding, het riedeltje over parentificatie en wat al niet meer, het lijkt allemaal ineens zo ongepast. ‘Hoe zouden je dochters die vraag beantwoorden? Of je een goede moeder bent?’ Wat een briljante zet, Forugh! Komt ze hiervoor nou bij jou?
Haar gezicht vertrekt meteen. Ze wendt haar blik af en graait met onrustige gebaren een paar tissues uit de doos op het bijzettafeltje. ‘Ze worden boos als ik zo’n vraag stel’, zegt ze zacht. ‘Ze zeggen dat ze me voor geen andere moeder zouden willen ruilen.’
Ik zeg niets. Haar schouders schokken licht, haar gezicht is half verborgen achter de verfrommelde tissues in haar handen. Ik geef haar de ruimte om te huilen, en om zich daarna weer te herpakken. Ze dept haar ogen, knijpt de tissues tot een bal en glimlacht voordat we opstaan, elkaar een hand geven en ik de deur achter haar sluit.
In de tien minuten pauze voor de volgende patiënt probeer ik mijn gedachten te ordenen, maar ze springen alle kanten op. Ik laat de bakstenen achter het raam de stroom muizenissen absorberen: het ongemak over mijn goedbetaalde baan en mijn vakantieplannen, de impuls om anoniem geld over te maken aan haar gezin en allerlei andere ingevingen die schuren tegen de grenzen die me heilig zijn.
Ik herinner mezelf eraan dat ik moet schakelen. Hoofd leeg. Adem in, adem uit. De volgende patiënt wacht.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns