Home

Antropocentrisme is een gewelddadige filosofie

Er is een nieuwe versie van het populaire telefoonspel Snake. Net als in de oude versie ben je een slang en eet snoepjes en wordt dan langer. Het speelveld is nu echter bevolkt door talloze andere slangen. Wie wil winnen zet de ander klem, eet de restanten van de ander op en stijgt in de ranglijst. In theorie kun je groeien door vreedzaam snoepjes te eten en het gevaar te ontwijken. Maar het spel beloont dominantie. Wie goed kijkt ziet hier een diepgewortelde logica: groei door overheersing en individueel succes door competitie. En dat is precies het probleem.

Koosje van Leeuwen is schrijver en publicist.

De gedachte van de wereld als strijdtoneel is een hardnekkige culturele overtuiging geworden. Uitspraken als ‘het is eten of gegeten worden’ of ‘de sterkste overleeft’ dienen daarin als rechtvaardiging voor egoïstisch gedrag. Wat we het natuurlijke noemen, is vaak cultuur in een camouflagepak. We kijken niet neutraal naar de wereld maar via lenzen die bepalen wat we zien en wat we belangrijk vinden. Deze verhalen sturen onze blik en bepalen uiteindelijk ook wat we normaal of wenselijk gedrag vinden.

Genuanceerder verhaal

Het idee van survival of the fittest, oorspronkelijk bedoeld als beschrijving van natuurlijke selectie, is hier afgeslankt tot: het sterkste individu wint. Binnen het neoliberale denken werd deze lezing dominant: markten waarderen prestatie boven zorg of wederkerigheid en afhankelijkheid geldt als zwakte. Zo sijpelde een competitiegedreven logica door in ons bredere wereldbeeld.

Maar de natuurlijke wereld vertelt een genuanceerder verhaal: evolutie draait net zozeer om samenwerking en aanpassingsvermogen. Een keur aan wetenschappers heeft dat de afgelopen decennia laten zien.

De Engelse chemicus James Lovelock beschouwde in zijn Gaia-hypothese de aarde als een levend systeem, in stand gehouden door de synergie tussen planten, bacteriën, dieren en atmosferische omstandigheden. Evolutiebioloog Lynn Margulis, medegrondlegger van deze hypothese, stelde dat complex leven niet alleen ontstond door eliminatie, maar ook door samenwerking. Bacteriën die ooit zelfstandig leefden, gingen in en met elkaar leven. Ze toonde aan dat onderdelen van cellen zoals mitochondriën (de ‘batterijen’ van cellen) en chloroplasten (verantwoordelijk voor fotosynthese), ooit zelfstandige bacteriën waren die opgenomen werden in grotere organismen. Zulke symbiotische samenwerkingen spelen een cruciale rol in het ontstaan van complex leven.

Ook primatoloog Frans de Waal daagde het competitieverhaal uit. In zijn boek Chimpanseepolitiek liet hij zien hoe apen macht handhaven via strategische allianties en het uitwisselen van sociale gunsten. In Van nature goed liet hij zien dat gedrag als troost, verzoening en zorg evolutionair voordelig zijn: groepen die samenwerkten waren succesvoller.

Dat samenwerking evolutionair voordeel oplevert wil niet zeggen dat we ons precies zo moeten gedragen als de natuur; dat zou een drogreden zijn. Maar hoe wij haar interpreteren stuurt onze keuzes. We trekken wél morele conclusies uit dit kader en baseren ons politieke, sociale en economische beleid erop. Het zijn machtige denkkaders die bepalen wat als waarheid geldt.

Evolutiebiologen Daniel R. Brooks en Salvatore J. Agosta bestudeerden de bredere mechanismen van evolutie. In het vorig jaar verschenen A Darwinian Survival Guide betogen ze dat wij, net als alle andere organismen, voortkomen uit een complex proces van miljarden jaren oud en aan de wetten daarvan onderworpen zijn. Ze schetsen een minder heldhaftig beeld van evolutie dan we het kennen. Het leven struikelt voort in wat zij een „sloppy fitness space” noemen: een evolutionaire ruimte die allesbehalve strak georganiseerd is. Daarin zijn talloze manieren om nét voldoende aangepast te zijn aan de omgeving. Perfectie doet er niet toe.

Superioriteit

Overleven in die evolutionaire ruimte is mogelijk dankzij genetische diversiteit en veerkracht. Bestaand DNA wordt voortdurend gerecycled en hergebruikt en genen fungeren als modulaire bouwstenen die desnoods dubbel worden ingezet. Verschillende genen kunnen dezelfde functie overnemen waardoor een organisme flexibel blijft. Simpel gezegd: hoe meer variatie in de gereedschapskist, hoe groter de kans dat er iets bruikbaars tussen zit. Evolutie is geen rechte lijn richting een superorganisme of een statisch evenwicht maar een proces van onderhoud en bijstelling. Soorten die niet meebewegen, verdwijnen.

De biosfeer (het geheel aan ecosystemen op aarde) is constant in beweging. Het is een veerkrachtig, robuust en zelfregulerend systeem waarin soorten en ecologische processen zich blijven aanpassen aan veranderende omstandigheden. Dat is goed nieuws voor de aarde, maar minder goed nieuws voor ons als wij ons niet voegen naar haar grenzen. Begrippen als verbinding en wederkerigheid zijn om die reden minder zacht dan ze klinken: evolutionair gezien zijn het harde voorwaarden voor overleving.

Ergens in dit proces zijn we Darwins theorie anders gaan uitleggen. Hoewel hij liet zien hoe soorten zich via natuurlijke selectie aanpassen aan hun omgeving, werd zijn theorie versimpeld tot een ideologie van competitie en uitsluiting: het sociaal-darwinisme. Daarmee plaatsten we ons boven alle andere organismen en de natuur als geheel met als gevolg een afstand tussen ons en de natuurlijke wereld.

Die overtuiging van superioriteit is ook diep verankerd in het moderne denken. Volgens filosoof John Gray komt dit verlangen naar dominantie voort uit het humanisme. Hij ziet het humanisme als een seculiere voortzetting van de christelijke belofte van verlossing: waar vroeger God de wereld zou redden, gelooft de moderne mens dat hij dat zelf kan (via technologie, wetenschap en vooruitgang). Dat technologie of de wetenschap ons zullen redden of dat we ons uit deze crisis kunnen innoveren zijn echter gevaarlijke illusies omdat ze ons blind maken voor de grenzen van de biosfeer. Ze kan niet overwonnen, beheerst of verbeterd worden.

Het geloof in vooruitgang is daarom allesbehalve onschuldig. Het jaagt een eindeloze strijd aan waarin de mens eigenbelang voorop blijft stellen, ook als dat merkbaar ten koste gaat van de wereld om hem heen. Maar als je je afvraagt wat dat ‘zelf’ precies is, en erkent dat je lichaam, ademhaling en voedsel onlosmakelijk verbonden zijn met de wereld om je heen, krijgt eigenbelang een totaal andere betekenis.

Geen lokaal probleem

Eigenbelang in huidige vorm lees ik in een verklaring van het Witte Huis waarin inperken van ‘Marine Protected Area’s’ en het opnieuw openstellen van grote delen van de oceaan voor commerciële visserij wordt aangekondigd. De titel luidt: „Amerikaanse vis en zeevruchten weer concurrerend maken” en de tekst staat vol met termen als controle, hulpbronnen, markten en winst. Het contrast met het beeld uit de recente documentaire Ocean van bioloog en televisiemaker David Attenborough had niet groter gekund: waar de oceaan daarin voorgesteld wordt als levend en samenhangend systeem, wordt zij in deze beleidslogica gereduceerd tot niet-gerealiseerde winst en onontgonnen gebied dat vooral gedomineerd moet worden, met als doel de groei van de Amerikaanse economie.

In Darwins evolutionaire wereldbeeld ontbreekt ieder idee van lineaire vooruitgang. Voor wie is gevormd door het vooruitgangsdenken van het humanisme is dat moeilijk te verkroppen. Dat idee van competitie blijft verleidelijk, want het biedt een kader om succes en falen te duiden vanuit persoonlijke verdienste: wie wint heeft het aan zichzelf te danken, wie verliest heeft gefaald.

Mensen zijn maar in staat een klein gedeelte van de wereld te begrijpen, schrijven Brooks en Agosta. We weten vaak wel wat er misgaat maar zelden waarom. Hoe meer we weten hoe onzekerder en complexer de wereld wordt. Die dynamiek kent haar wortels in de evolutie: mensen zijn van oorsprong prooi en het leven van prooien is gegrond op wat biologen de ecology of fear noemen: als je een risico onderschat word je een snack, als je het overschat sterf je van de honger. Mensen moesten hun omgeving dus goed inschatten om te overleven, wat leidde tot een voorkeur voor eenvoudige verklaringen. Onzekerheid werd als gevaarlijk ervaren en zo gaven behapbare verhalen een gevoel van schijnveiligheid.

De klimaatcrisis is alleen geen lokaal probleem maar een verschijnsel dat zich uitstrekt over tijd en ruimte; een hyperobject: te groot om volledig te bevatten maar wel een fenomeen waar we deel van uitmaken. Narratieven kunnen die verbondenheid tastbaar maken, ook als dat ongemakkelijk is. Tegelijk is verkondigen dat we ons moeten voorbereiden op ontwrichtende rampen een voorbeeld van hoe een verhaal ontaardt in verlamming.

De kloof tussen hoop en urgentie overbrug je door de fysieke begrenzing van de biosfeer centraal te stellen. We kunnen alleen voortbestaan binnen de ecologische realiteit. Als we deze realiteit tot uitgangspunt maken, krijgt die perspectiefwissel handen en voeten. Het goede nieuws is dat we dat kunnen. Aanpassen zit in onze aard.

En als verhalen bepalen hoe we beleid vormgeven en onze samenleving inrichten, is het essentieel dat we ze afstemmen op wat de biosfeer nodig heeft en kan dragen. Dat is geen kwestie van moraal maar van gevolgen: de biosfeer reageert als haar grenzen worden overschreden: met klimaatverandering en verlies van biodiversiteit.

Geen uitzonderingspositie

Brooks en Agosta formuleren drie verfrissend pragmatische regels van bio-ethiek die de biosfeer centraal stellen en de focus verleggen van kortetermijnwinst naar een leefbare toekomst. Ten eerste, vermijd schade aan de biosfeer want alles hangt met elkaar samen. Elk onderdeel telt omdat het verlies van één schakel het geheel kan ontwrichten. Leef van wat de aarde opbrengt, niet van haar reserves. En de laatste, misschien wel moeilijkste: mensen nemen geen uitzonderingspositie in. Dat is een mythe waar we afscheid van moeten nemen.

We kunnen bouwen vanaf een fundament dat aansluit bij de wereld om ons heen maar dan moeten we onszelf wel zien als onderdeel daarvan. Echte intelligentie is aanpassen aan het systeem dat je voortbrengt zodat de focus ligt op een toekomst waarin de mens nog kán bestaan.

Wie het leven wil begrijpen – ze zeggen het in Azië al eeuwen – moet zich onderdompelen in zijn omgeving. Verbondenheid met de wereld is iets dat we zijn afgeleerd, maar opnieuw moeten aanleren. Wie voelt en ervaart in de wereld, kan zich verdiepen in de ander. En wie zich verwondert of zorgen maakt, ervaart dat iets of iemand ertoe doet. Alleen dan ga je iets doen, simpelweg omdat je erom geeft.

Antropocentrisme is een gewelddadige filosofie en funest voor onze overlevingskans. Lineaire vooruitgang bestaat niet, wel eindeloze, noodzakelijke aanpassing in een constant veranderende wereld. Het is een hard maar hoopvol verhaal van verbinding en aanpassing.

Source: NRC

Previous

Next