Home

Wie bepaalt eigenlijk wat, en van wie, een rivier is? Peddel maar eens de Kromme Rijn af

Is de rivier, of de zee, een plek die je naar believen mag gebruiken, of een levend wezen dat respect verdient? Nikki Dekker leest Leeft een rivier? van bestsellerauteur Robert Macfarlane, peddelt de Kromme Rijn af en buigt diep voor de kracht van het water.

Wie zomer zegt, zegt water. Kinderen bouwen zandkastelen van modder terwijl hun moeders in boerkini’s tot aan hun middel in het water staan te kletsen. Even verderop verzamelen de zwemmers zich, wurmen zich in hun wetsuits, omringd door tieners met bluetoothboxen en chipszakken.

In een andere hoek buigen de mannen zich over hun wegwerpbarbecues met al dan niet alcoholvrij bier in hun handen.

Verdekt opgesteld, in de hoeken van de plas, tussen de struiken, zitten de vissers en verliefde stelletjes, half ontkleed. Elke (sub)cultuur kent z’n plek, maar bijna elke plek is aan het water.

De plas, rivier of zee kleurt onze zomer, maar voor de meeste mensen is ze toch vooral dat: een plek. Een ding dat we onder controle hebben en naar eigen inzicht gebruiken. Er zullen weinig mensen zijn die het water als levend wezen tegemoet lopen, bedanken en proberen ermee te praten.

Leeft een rivier? vraagt het nieuwe boek van Robert Macfarlane, en alsof hij al weet dat de meeste lezers daarop ontkennend zullen antwoorden, begint hij zijn boek met een voorstelling van het tegenovergestelde, een dode rivier:

‘Zwanen in de bovenloop van de Thames hebben tegenwoordig een bruine waterlijn op hun sneeuwwitte borstveren die duidelijk laat zien dat ze in rioolwater hebben gezwommen. In de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw was de Don in Toronto zozeer vervuild door de olieraffinaderijen op zijn oevers dat hij twee keer vlam vatte en in brand stond.

‘In de jaren negentig was Lake Ontario chemisch zozeer verontreinigd dat je een fotorolletje kon ontwikkelen door het onder te dompelen in een emmer water uit het meer. In de herfst van 2023 werd een uitvaartdienst gehouden voor Lough Neagh, het grootste waterlichaam van Noord-Ierland: een in zwart gehulde rouwstoet droeg een doodskist naar de oever van het meer, waarvan het water stonk en waar honden doodgingen door de algenbloei die zich erin had verspreid.’

Nog maar 1 procent van het Nederlandse oppervlaktewater voldoet aan de standaard ‘schoon’. We scoren het slechtst van heel West-Europa. Deels komt dat doordat we het afvoerputje van Europa zijn, maar grotendeels komt het door eigen beleid, of de afwezigheid daarvan: jarenlang mocht alles in Nederland, en de landbouw en industrie hebben lustig geloosd in de rivieren. Het water zit vol chemische stoffen, medicijn- en drugsresten, nitraat, pesticiden, (micro)plastic en pfas.

Als onze rivieren niet dood zijn, dan zijn ze in ieder geval behoorlijk ziek.

In het Maori is het woord voor ‘zijn’ hetzelfde als het woord voor water: wai.

‘Ko wai?’ betekent ‘wie ben jij’, of eigenlijk: ‘wie is je water?’.

Het gaat over je voorouders, je hele stamboom die zich als een vertakkende rivier achter je uitstrekt.

De vervolgvraag luidt meestal ‘no wai’, of: ‘waar kom je vandaan, waar is je water?’.

Mijn dichtstbijzijnde water zou het Merwedekanaal kunnen zijn, daar wandel ik dagelijks langs, maar daar gaan we al: dat is geen rivier. Een kanaal wordt door mensen gemaakt, daarom loopt-ie ook in zo’n perfect rechte lijn van Amsterdam tot, je raadt het al, de Rijn.

Tegen de stroom in

Nee, als ik denk aan ‘mijn’ water, denk ik aan de Kromme Rijn. Toen ik net in Utrecht woonde, zwom ik er regelmatig in; tegen de stroom in tot aan de witte brug, waar het water een bocht maakte en de stroming nog sterker werd, tot ik nauwelijks meer vooruit kwam. Tegen de klippen op maaide ik met mijn armen tot aan de laatste paal en dan liet ik me, uitgeput, op mijn rug meevoeren door het water, terug naar mijn handdoek in het gras.

Aan dat plezier kwam een einde toen ik, na het zwemmen, pannenkoeken ging eten en de ratten in het water zag plonzen en er weer uit zag komen.

Als rivier stelt de Kromme Rijn weinig voor, zeker in vergelijking met de woeste, 150 kilometer lange Mutehekau Shipu (Magpie River) in Quebec waar Robert Macfarlane in tien dagen doorheen ploetert – maar hé, het is een rivier. Ik reserveer een kajak om er op mijn vrije dag achter te komen wat deze rivier behelst, en met de hoop om een beetje plaatselijke wildernis te voelen. Maar omdat ik de dagtocht niet zomaar in m’n eentje kan boeken, bleef als enige optie de zaterdag over.

Een zaterdag met een verwachte temperatuur van 31 graden. Ik laad m’n tas vol flessen water en ijskoffie, een theedoek en handdoek (om nat te maken en over mijn schouders en benen te leggen) en zonnebrandcrème. Met achttien anderen stap ik in een bus.

‘Schoolreisje!’, gilt een groepje vrouwen uitgelaten.

Het gros stapt uit in Odijk; drie jongens, twee stellen en ik volgen in Wijk bij Duurstede. De buschauffeur zet ons af op een brug, mompelt dat de kano’s eraan komen. Binnen vijf minuten nadert het busje met aanhangwagen, parkeert in de berm, en de bestuurder begint zwijgend zes kano’s uit te laden. Een voor een stappen we in (kalm, door de knieën, met je zwaartepunt in het midden), en varen weg. Iedereen vertrekt stoomafwaarts, richting Utrecht, ik zet koppig koers in tegenovergestelde richting, verder Wijk bij Duurstede in, naar het echte begin van de Kromme Rijn.

Drinken uit de Oude Dommel

Robert Macfarlane (1976) is inmiddels misschien wel de bekendste Britse natuurschrijver – Trouw doopte hem de David Attenborough van de literatuur. Maar ook in Nederland hebben we een eigen riviervoorvechter. Met haar stichting en boek Drinkbare rivieren strijdt Li An Phoa voor, nou ja, drinkbare rivieren. Het lijkt een onhaalbaar utopisch ideaal, maar niet zo lang geleden bestond het nog: Phoa spreekt een 80-jarige die als kind op weg naar school uit de Oude Dommel dronk.

Bij de bron zijn onze rivieren nog hartstikke gezond; de vervuiling stapelt zich pas op tijdens hun loop langs alle fabrieken, boerderijen en industrie. Drinkbare rivieren leest als de autobiografie van een activist: iemand die de wildernissen van de wereld ontdekte, en die schoonheid vervolgens, zo goed en kwaad als het kan, naar Nederland probeert te brengen.

Phoa loopt de Nederlandse rivieren af: de Maas, de Rijn, de Vecht, de Schelde, om met bewoners en burgemeesters te praten over verbetering van de waterkwaliteit.

In zijn boek keert Macfarlane steeds terug naar de bron in de buurt van zijn huis. Bron is een meer dan dubbelzinnig woord, het heeft veel verschillende betekenissen: de oorsprong van een rivier of de plek waar water uit de grond omhoogborrelt. Maar ook figuurlijk: de oorsprong van iets: geluk of lijden, voedsel of inkomsten, informatie of roddels.

Bronnen zijn er om gebruik van te maken, land om bewerkt te worden, rivieren om te bevaren, te verleggen en in te zetten voor elektriciteit. Het lijkt niet meer dan logisch, we moeten ons immers ontwikkelen. Hoewel: is een rivier die z’n eigen gang gaat niet het ultieme voorbeeld van ontwikkeling?

Zoals Yuvan, die Macfarlane in India rondleidt, opmerkt: ‘Die ontwikkelt zich al duizenden jaren lang.’

Yuvan is een bijzondere figuur. Hij houdt meerdere wespennesten in zijn huis, is dol op slangen, geeft les en schrijft boeken over de natuur. Hij is beïnvloed door de Amerikaanse ecoloog Thomas Berry en zijn begrip ‘inscendentie’. Waar transcendentie poogt om al het aardse te overstijgen, draait inscendentie nu juist om het aardse: daar moet je diep in doordringen om het te begrijpen, te doorzien, tot op de kern.

Het appartementencomplex waar Yuvan woont is oud moerasgebied, vertelt hij, alsof dat een unicum is. Maar, denk ik bij mezelf, is heel Nederland niet voormalig moerasgebied?

Macfarlane haalt de Oosterscheldekering aan, of de leus die daar op een blok gehouwen staat: ‘Hier gaan over het tij, de wind, de maan en wij.’ Als Nederlanders al respect voor het water hebben, is het vanwege de dreiging, niet van de scheppende, creatieve, of metafysische kracht.

Een rivier is een gebruiksvoorwerp, iets om te managen.

Dit aangelegde land

‘Van bos tot strand, van polder tot kanaal: we trekken recht, pompen droog, hogen op, graven in en om en uit, spuiten vol en zuigen leeg’, zoals Kirsten van Santen het treffend beschrijft. Met haar boek Water pakken (2022) schreef ze het eerste Nederlandse zwemboek: een geschiedenis van onze relatie tot het water vol ontmoetingen met zwemmers, mythen en culturele gebruiken en natuurlijk zwemverslagen: in chloor, zee, rivier of plas.

‘De enigen die in dit aangelegde land nog ervaren wat ongereptheid is, zijn zwemmers’, aldus Van Santen: ‘Met het hoofd vlak boven het wateroppervlak ervaar je een onbeduidend slootje als een woeste jungle waarin je kunt verdwalen. (...) Een eend kan best een groot dier zijn, de schaduw van een karper die onder je voorbijflitst intimiderend, net als de priemende blik van een reiger die sacherijnig, met hoog opgetrokken schouders aan de kant staat. Dan weten we: ik ben niets. Of in ieder geval: ik ben heel weinig.’

Dat steeds meer mensen met een zwemboei en wetsuit aan de waterkant te zien zijn, laat volgens haar zien dat Nederlanders behoefte hebben aan wildernis, aan een leven voorbij de rechte ballenlijnen en antisliptraptredes van het zwembad.

Maar ja, is het nu wel zo veilig om deze zomer in een wild waterlichaam te springen? Fabrieken lozen nog altijd in de rivieren, hoewel inmiddels netjes geregeld met vergunningen (je kunt als bedrijf simpelweg betalen om rotzooi in publiek water te gooien).

Decennia eerder was het nog veel erger, en zichtbaarder ook. Van Santen beschrijft hoe in de jaren zestig de rivier de Regge in Overijssel paars kleurde, met aan het oppervlak een dikke laag schuim die je, als je er een lucifer bij hield, in brand kon steken.

In ieder boek over water keert dezelfde vraag terug: hoe kan water, een van de meest alomtegenwoordige elementen, een zogenaamd ‘natuurlijk recht’, straffeloos worden vervuild, ingepikt en of doorverkocht door een klein clubje mensen?

Vreselijk veel tuinmeubels

Aan die gedachte ontkom ik ook in de kajak niet. Het enige wat aan weerszijden van de rivier ligt zijn landbouwvelden en grote huizen met uitgestrekte tuinen vol tuinmeubels, zo vreselijk veel tuinmeubels. Sommige mensen bezitten wel vier hoekige designerbankstellen, uitgestald op hun brede vlonders; wie moeten daar in hemelsnaam allemaal op zitten? Heeft elk gezinslid een eigen bank?

Ze zwaaien beleefd, de vrouwen in hun witte blouses en opgestoken haar die hun benen nog eens insprayen met zonnebrandcrème, en de mannen die hun keramische ei-barbecues in gereedheid brengen voor de avond.

In de hoeken van hun tuinen hangen slurfen in het water; ze pompen water op om hun bloemperken en gazons mee te sproeien.

Schrijver Roger Deakin besloot eens een stukje in de rivier de Itchen, bij Hampshire, te gaan zwemmen. Hij beschrijft de middag in Waterlog (1999): de zonnige dag, het glinsterende water dat hem lokt, hoe hij zijn kleren en tas in de bosjes verstopt en in een lome slag met de stroom mee crawlt, geniet van de windingen en een heen en weer zwemmende woelrat.

Als hij daarna over land terugloopt naar het brandnetelbosje begint de ellende: twee beveiligers komen op hem afgelopen, vanuit de verte al luid roepend dat hij hier niet mag zijn, dat hij hier niet moet zwemmen. De rivier loopt door particulier land, en de visrechten zijn afgekocht.

Vreemd, schrijft Deakin, want is de vis in de rivier niet van iedereen? Hij pleit voor het ‘right to roam’, of het recht op ronddwalen.

Ronddwalen gaat hier niet. Er loopt een officiële wandelroute langs de Kromme Rijn, een netjes aangegeven pad; het overige land is in handen van anderen. ‘Verboden aan te leggen’ staat op bordjes in de achtertuinen en boerenland. Geen wonder dat het altijd zo stervensdruk is bij Rhijnauwen: dat is de enige plek in dertig kilometer waar je vrij de Kromme Rijn in mag waden.

Ik dobber voort op de stroming, eet mijn boterhammen terwijl er een torenvalk boven me bidt. In het riet zingt een karekiet, in de boom een zwartkop, in de verte een grasmus, en zo is het weer idyllisch en stil, lijkt het even echt een natuurgebied.

Pas ter hoogte van Werkhoven kom ik de eerste tegenliggers op het water tegen: supboards. De vrouw draagt praktisch niets meer: haar broekspijpen heeft ze opgerold, de broek zelf naar beneden, en het hemdje zit zo hoog dat haar beha eronderuit piept. Ze zit op het board, op haar knieën, haar buik in witte rolletjes. De man peddelt er traag, in kleermakerszit, achteraan.

SUP staat voor Stand Up Paddling. Ik zal er nog heel veel zien vandaag, maar slechts enkelen die rechtop staan. De meesten zitten, of liggen plat op hun rug, bakkes in de zon, alsof het een luchtbed is.

Vanuit het niks knalt, vanachter de bomenrij, Bruno Mars over het water. ‘It’s a beautiful night, we’re looking for something dumb to do. Hey, baby, I think I wanna marry you.’ Applaus en gejoel. Een zanglijster probeert het te overstemmen: piuuu, piiiiuuu, piuuu.

Maar een paar honderd meter verder is het weer zo kalm dat ik degene ben die de rust verstoort. Langs de kant, uit het hoge gras, vliegen acht kievieten en een scholekster schreeuwend op. De zure mestgeur is doordringend.

Achter de wilgen hoor ik het gesuis van auto’s en door een gat in de begroeiing zie ik bus 41 naar Wijk bij Duurstede voorbijrijden.

Mannen in legertenten

Leeft de Kromme Rijn? Ik weet het niet. Het bruingroene water stroomt wel, en er moet vis in zitten (anders zouden er niet zo veel mannen in legertenten langs de waterkant bivakkeren), maar ik heb er nog niet één gezien. Wat misschien maar goed ook is. Een paar jaar geleden slalomde ik nog om de drijvende dooie karpers heen (een warme zomer, algengroei, vergiftiging).

Vandaag zie ik twee kikkers – niet de dieren zelf, maar hun kenmerkende slagkringen in het water. De s-golven van een ringslang blijven uit.

In 2017 kreeg de Nieuw-Zeelandse rivier Whanganui als eerste rivier ter wereld haar eigen rechten, en sindsdien zijn er vele gevolgd. De Canadese rivier waarover Macfarlane kanoot is benoemd tot ‘een rechtspersoon met het recht om te leven, te bestaan en te stromen, om op natuurlijke wijze te evolueren, te worden behouden en beschermd’.

In Nederland lijkt er nog geen sprake van dergelijke rivierrechten. Misschien leent onze cultuur zich er ook niet voor, misschien kunnen we niet anders: onze watergeschiedenis is een verhaal van gevaar.

Voordat Macfarlane de Mutehekau Shipu betreedt, krijgt hij een les in de risico’s – niet de symbolische of filosofische, maar de praktische, die met een snelheid stroomt die mensen doet verdrinken. Binnen een paar uur leert hij een heel nieuw vocabulaire: ‘geulen’, ‘tongen’, ‘staande golven’ en ‘zevers’ (afgebroken takken die onder water in rotsblokken zijn vast komen te zitten, die je kajak doorboren of omver doen slaan).

Of de echte zeef: gaten in rotsblokken waar je met je voet in blijft haken, zodat je niet meer bovenkomt en verdrinkt.

En toch: echt bang wordt hij niet. De bedreiging in dit boek komt van mensen.

Inmiddels heb ik de theedoek in het water gehangen en over mijn hoofd gedrapeerd als een soort helm tegen de zon. Het water druipt over mijn rug. De boerenzwaluwen schieten over het water, nu en dan scheren ze op een armlengte langs mijn kajak, steeds te snel om ze ooit aan te kunnen raken.

Bordkartonnen struiken

Ik dobber voort over een kalm riviertje, dat zich op geen enkele manier kan meten met een Canadese reus. Er valt niks te kiezen, enkel vooruit, door bordkartonnen struiken, zo dun dat er niets echt leeft; achter de groenstrook van een meter of vier liggen de boerenbedrijven, fruitboomgaarden, landhuizen, autowegen en campings. Het is een decor. ‘Het lijkt wel een pretparkattractie, zo’n bootje dat traag wordt voortgetrokken’, noteer ik.

Nog geen vijf minuten later sla ik om.

Het is de sluis die sneller dichterbij komt dan ik inschatte, ik koers veel te hard op de kade af, ik reik naar het hout om tot stilstand te komen, maar hel te ver over en voel de boot onder me wegschieten.

‘Kutkutkut!’, roep ik naar twee onbewogen jongetjes op de steiger. Ze kijken me wazig aan terwijl ik mijn tassen op het land gooi en de kajak in bedwang houd. Goddank kan ik hier staan, anders was ik hem allang aan de trekkende sluis verloren. Als ik vraag of ze kunnen helpen, knikken ze. Met al het water erin is de kajak nu tien keer zo zwaar. Met z’n drieën krijgen we hem nauwelijks aan land. Zodra hij op de vlonder ligt, en ik ernaast uithijg, fietsen ze verder.

‘Dag mevrouw Theedoek!’, roepen ze me na.

Dat krijg je, met al je gedroom over wildernis en avontuur. Grijnzend duw ik de kajak om en om, tot bijna al het water eruit is gelopen, en sleep ’m naar de andere kant.

Dit is waarom je zo’n tocht niet in je eentje onderneemt, ook niet op de braafste babyrivier die je kent. In het meest gemanagede water schuilt woestheid; het beweegt naar eigen inzicht.

Het magische van een rivier is dat ze op zoveel plekken tegelijkertijd bestaat: in de bergen, in het bos, in het weiland, in een meer, in een stad. De rivier ziet alles. Toch blijf ik moeite houden om me een rivier voor te stellen als persoon, want wat is ze zonder vissen, zonder meerkoeten, zonder begroeiing, zonder stenen, zonder zonaanbidders op supboards?

Geen plek, maar een festival

Een rivier is misschien geen plek, maar het is ook geen eenheid. Het is een festival, een gemeenschap die continu verandert. Li An Phoa betoogt dat wij weer deel moeten gaan uitmaken van die gemeenschap. Dat we, wanneer we ons weer identificeren met onze omgeving, er ook voor zullen vechten wanneer (of, laten we eerlijk zijn: nu) die in gevaar komt: ‘Herkenning van jezelf in die grootsheid, dát moeten we stimuleren. Dat heeft meer zin dan dingen verbieden, zoals de milieubeweging regelmatig voorstelt.’

Misschien moet de rivier ook helemaal geen zelfstandig naamwoord zijn, maar een werkwoord.

Het is zijn beste vriend Wayne die Robert Macfarlane de enige echt kritische vraag stelt: wat moet een rivier met rechten? Is dat geen stropop in een asymmetrische machtssituatie die simpelweg voortduurt? De ambassades en spreekbuizen voor andere levende wezens gaan nog altijd uit van hetzelfde systeem, van hetzelfde wereldbeeld: individuen die zich langs elkaar bewegen en hun plek opeisen. Dat is niet genoeg, het hele systeem moet op de schop.

‘Ik weet niet of je hoopvol of hopeloos bent gestemd’, antwoordt Macfarlane.

‘Hoopvol!’, zegt Wayne. ‘Kijk, zo’n rivier kan goddomme een bérg splijten, een berg van het oudste, hardste gesteente op aarde. Wou jij beweren dat hij niet ook ideologische bouwwerken kapot kan maken, dat die god niet in de een of andere gedaante minstens een paar van de grote concepten uit de doodsstrijd van het kapitalisme kan slopen?’

De rivier leeft in haar handelingen, in de dingen die ze doet om ons op andere gedachten te brengen. De Maori streden honderdvijftig jaar voor de rechten van hun Whanganui. Laat het tot je doordringen: de mensen die zich aansloten bij de strijd toen die al vijftig jaar bezig was, hebben tijdens hun leven nooit resultaat gezien – maar uiteindelijk wonnen ze. Dat is hoe de rivier leeft: op een veel trager tempo dan wij, maar vele malen sterker.

Robert Macfarlane: Leeft een rivier?. Uit het Engels vertaald door Nico Groen. Athenaeum; 416 pagina’s; € 29,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next