Het lijkt tegenwoordig alsof opulente rijkdom de doorslaggevende vereiste is om een Amerikaanse tv-serie waard te zijn. Zo niet bij The Bear. Karl Marx zou de serie tevreden bekijken.
is schrijver en chef van Zondag, het essay- en boekenkatern van de Volkskrant.
Ik ben er nog niet helemaal uit waarmee ik het gezicht van Jeremy Allen White zou willen vergelijken.
Een pantoffel, dacht ik. Zo’n pantoffel die je een keer in de tuin laat liggen, die dan nat wordt geregend, waarna je hem ergens in de garage gooit en vergeet. En een maand later kom je de pantoffel dan weer tegen, opgedroogd maar helemaal kromgetrokken.
Ik geef toe, deze metafoor vergt enige verbeeldingskracht.
Ik bedoel: er lijkt altijd iets scheefs te zitten. Zijn mond is te klein. Of zijn neus en ogen te groot. Te veel haar.
Dit is niet om te zeggen dat White geen mooie man zou zijn. De mooiste gezichten hebben juist vaak iets afwijkends; het is niet te ontkennen dat de acteur als internationaal sekssymbool geldt. Ik heb vrouwen die elkaar niet kenden elkaar zien aanstoten in treincoupés, telefoon in handen, toen zijn Calvin Klein-ondergoedreclame viraal ging. Moet je zien. OMG.
Het is eerder dat als White conventioneel knap was geweest – symmetrisch gezicht – hij niet de ideale hoofdrolspeler was geweest van The Bear, de hitserie over een zwoegend, ploeterend, nipt overlevend restaurant in Chicago. Als chefkok ‘Carmy’ is White permanent opgejaagd, onzeker, imploderend. Zijn gezicht is daar het toonbeeld van. Verwrongen. Niet in balans.
Vorige week werd The Bear voor de vierde keer genomineerd voor een Emmy voor beste comedyserie, en White voor beste acteur in een comedyserie. Waarna talloze Amerikaanse critici – die de awards heel serieus nemen – opmerkten dat dit dan de voornaamste grap in The Bear is: dat er niks grappigs aan is.
Het restaurant dat Carmy probeert op te bouwen is de nalatenschap van zijn broer. Diens zelfgekozen dood is nog steeds een fragmentatiebom in de familie. Iedereen is beschadigd, niemand spreekt zijn verdriet uit, pijn wordt horizontaal, verticaal, driedimensioneel afgereageerd op en doorgegeven aan anderen. Zelden kwam het monomaan julienne snijden van een winterpeen zo dicht bij rouwverwerking.
In de aflevering waarin zijn restaurant zijn grote openingsavond beleeft, sluit Carmy zich per ongeluk op in zijn koelkast. In een andere serie is dit slapstick. In The Bear eindigt het erin dat Carmy dwangmatig tegen zichzelf begint te praten: ‘Ik hoef geen plezier of genot te geven. Ik hoef geen plezier of genot te ontvangen.’
Ja, echt lachen met The Bear.
In het huidige vierde seizoen lijkt de serie ver voorbij zoiets als een clou te zijn geëvolueerd. Voorbij zoiets als een plot zelfs. De makers vertrouwen zo op onze liefde voor hun personages dat ze de afleveringen de vorm hebben gegeven van muziekvideo’s. Alles is een montage. We zien aaneenvloeiende shots van Chicago, van postbodes, van stratenmakers, van snelwegen, van de forensen die in de vroege ochtend op de metro wachten, van de koks die sjouwen met dozen van de bezorgers die af en aan rijden. Ze staan te hakken, te pielen, te zweten boven het open vuur.
En ondertussen klinken op de achtergrond hele nummers van Van Morrison. Van the Man, met zijn tijdloze stem die diep vanuit de leeggelopen buurtcentra van de vergeten arbeidersklasse klinkt.
Het gekke is dat in al zijn kunstzinnigheid in vertelstijl The Bear een realiteit laat zien die je in de andere voor Emmy’s genomineerde tv-series nagenoeg niet tegenkomt. Vergelijk ze maar. Die andere series gaan over komieken, over studiobazen, over glamoureuze diplomaten, over succesvolle psychiaters en podcasters, over de gasten van vijfsterrenresorts, of over bewoners van een exclusief appartementencomplex op Manhattan.
Over mensen, kortom, met geld. Het lijkt altijd alsof opulente rijkdom de doorslaggevende vereiste is in de Amerikaanse cultuur om een tv-serie waard te zijn.
The Bear daarentegen gaat over werk. Over hoe hard je moet werken om je hoofd boven water te houden in Amerika. Dit is, denk ik, doorgaans een van de eerste dingen die opvalt als je de VS bezoekt: hoe hard iedereen werkt. In restaurants, in ziekenhuizen, in winkels, op bouwplaatsen. En dan moet je je nog bedenken dat veel Amerikanen in die sectoren ergens anders nog een tweede baan hebben om de rekeningen te kunnen betalen.
Het tweede dat je opvalt, overigens, is hoezeer het straatbeeld wordt getekend door schrikwekkend ongezonde mensen.
Als je in The Bear een filosofisch program zou willen ontwaren, zou je kunnen kijken naar Karl Marx’ concept van Entfremdung, het idee dat de makende mens wordt vervreemd van wat hij maakt, omdat, bijvoorbeeld, de eigenaar van zijn fabriek zijn product weer doorverkoopt tegen meerwaarde. De maker wordt door het kapitalisme losgekoppeld van wat hij maakt. En Marx stelde zich nog mensen voor die bij elkaar in een fabriek staan. De laatste tien jaar, extra aangespoord door corona, zit de werkende mens steeds vaker thuis, alleen.
In The Bear is er geen mogelijkheid tot vervreemding. Er zit nooit meer dan een paar meter fysieke afstand tussen werknemer en werkgever, tussen producent en consument. Ergens in een vorig seizoen maakt Syd, Carmy’s rechterhand, een omelet voor Sugar, Carmy’s zwangere zus die bijspringt als accountant. Boter, een paar eieren, boursin. Ze snijdt bieslook en verkruimelt wat chips over de omelet. De scène ging viraal omdat het er zo achteloos mooi uitzag.
Maar de omelet is slechts the medium. The message is werk. Werk geeft Syd een manier om een vriendin troosten; werk geeft Carmy een doel; werk geeft andere bears eigenwaarde. Werk brengt mensen bij elkaar. Je verwacht het niet in het door rijkdom geobsedeerde Hollywood, maar The Bear is een zeldzame ode aan bloed, zweet en tranen van de middenklasse.
Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant