Daan Timmers leeft in Amsterdam als een jager-verzamelaar: al honderd dagen eet ze alleen wilde planten en dieren. Die vindt ze gewoon in de stad. ‘Ik wil laten zien hoeveel overvloed er is.’
is binnenlandverslaggever van de Volkskrant.
Een boeket wilde planten steekt uit de rieten mand op haar fiets als Daan Timmers het Amsterdamse Oosterpark inrijdt. ‘Ik moest haasten om op tijd te komen, maar dit kon ik toch niet laten staan.’ Uitgelaten toont ze de gewassen die ‘gewoon langs de weg stonden’: bijvoet, zeepkruid, wilgenroosje, melde, guldenroede. Dan valt haar oog op het zanderige onkruidperkje rond een jonge boom. ‘Kijk, daar staat perzikkruid, dat is gewoon sla. En daar kamille!’
De pezige vijftiger met dreadlocks, hippieachtige kledingstijl en zelfgemaakte leren schoenen leeft in de hoofdstad als verzamelaar: al zo’n honderd dagen eet ze alleen wilde planten en dieren. Aanleiding was haar deelname aan een ‘burgeronderzoek’ naar de gezondheidsvoordelen daarvan, door de Schotse kruidengeneeskundige Monica Wilde. Daar deden 145 mensen uit Europese landen en de VS aan mee. Een wild dieet zou vooral goed zijn voor de darmflora, aldus de onderzoeker.
‘Ik voel me beter dan ooit’, zegt Timmers met een brede lach. ‘Omdat ik geen bewerkt voedsel meer eet, denk ik.’ Haar lichaam is gespierder, haar waarneming scherper. En dus gaat ze, ook nu ze de laatste monsters van haar nagels, haar en bloed op de post heeft gedaan, nog altijd door het leven als verzamelaar. Als haar dochter volgende week een appeltaart bakt, zal ze misschien zondigen. ‘Maar ik verlang er niet meer naar om iets anders dan wild te eten.’
Naast gezondheid gaat het onderzoek over ‘het accepteren en begrijpen van onze plek in de natuur’, schrijft initiatiefnemer Monica Wilde op haar site. Ze ziet foerageren als een ‘daad van verzet tegen de geasfalteerde wereld’ van ‘mensen tegen humanoïden’. Jagen en verzamelen is de ‘natuurlijke’ staat van de mens, is het idee, en de agrarische revolutie is een verkeerde afslag in de geschiedenis, funest voor de natuur en onze gezondheid.
‘We hadden als jager-verzamelaars een veel relaxter leven’, zegt Timmers, ‘met meer tijd voor onszelf en onze relaties. Ik heb dat in Noorwegen zelf ervaren.’ Daar overleefde ze 45 dagen alleen in de bossen voor survivalprogramma Alone van Videoland.
Dat er in de steentijd bijvoorbeeld geen ziekenhuizen waren, wuift ze weg. ‘Er zijn resten van jager-verzamelaars gevonden met geheelde botbreuken. Mensen zorgden voor elkaar.’ En zonnebrand dan, dat is toch best een prettige uitvinding? ‘Ik geloof niet dat dat goed is. Ik bedek me gewoon als de zon schijnt.’
Niet dat ze de tijd wil terugdraaien. ‘Jager-verzamelaars zijn vooral een inspiratiebron om anders met de natuur om te gaan, want onze huidige manier is niet houdbaar.’ Later dit jaar organiseert ze een ‘steentijdconferentie’ in Zweden met zo’n honderd deelnemers. ‘Zo proberen we oeroude kennis in leven te houden.’
Haar wildfascinatie begon toen ze zwanger was van haar eerste kind. ‘Toen dacht ik: wat als nu de stekker eruit gaat? Als de winkels dichtgaan of de stroom uitvalt? Dan kan ik niks. Dat vond ik zo’n armoedig idee.’ En dus begon ze plant voor plant uit te zoeken of die eetbaar is.
Achttien jaar later is ze een wandelende encyclopedie en geeft ze trainingen om te ‘verwilderen’. Ze leert deelnemers welke wilde planten eetbaar zijn en hoe je zonder lucifers vuur maakt. ‘Ik wil laten zien hoeveel overvloed er is, met inheemse ogen leren kijken. We hebben het er vaak over dat alles duurder wordt en dat er tekorten ontstaan. Maar de berm staat vol met eten, en iedereen loopt er straal voorbij.’
Dat blijkt als Timmers aan de rand van een pad de vruchtjes van de gele kornoelje in haar mandje stopt. ‘Je kunt de boom herkennen aan zijn prachtig symmetrische bladen’, zegt ze terwijl ze er eentje doormidden scheurt. ‘Zie je die draadjes die door de nerven lopen?’
De vruchtjes zijn nog knoerthard; ze plukt bewust vroeg in het seizoen, om ze vervolgens in te maken. Als ze rijp zijn, weten meer mensen ze te vinden en gaan ze hard.
Onder de Wet natuurbescherming is wildplukken zonder toestemming van de eigenaar, in dit geval de gemeente Amsterdam, verboden. Meestal wordt het echter gedoogd. Timmers is er nog nooit op aangesproken. ‘Ik pluk eervol’, zegt ze. ‘Nooit meer dan een vierde van de vruchten, nooit de eerste en nooit de laatste van een soort.’
Ze gelooft niet dat het slecht zou zijn voor de natuur als mensen massaal haar voorbeeld volgen. ‘Weet je wat pas slecht is voor de biodiversiteit? De landbouw.’
In de overgang naar een meer plantaardig voedingspatroon dat veel mensen nastreven, ziet ze geen heil. Dat vindt ze onnatuurlijk: wilde planten in Nederland hebben nu eenmaal niet genoeg calorieën om op te teren. ‘Die mensen eten dan avocado’s uit Peru – nee, dat is lekker duurzaam.’
Maar jagen gaat niet zomaar, dus raapte Timmers bijvoorbeeld een doodgereden das uit de berm. Ze maakt het vlees in, of droogt het, zodat het lang meegaat. En smult ervan. ‘Het liefst dip ik een plakje gans in wildzwijnvet. Zó lekker.’
Op haar woonschip hangen vishuiden te drogen. ‘Ik heb binnenkort een huwelijk – daar maak ik een top van.’ De kornoeljevruchten uit het park worden een delicatesse: een soort inheemse olijven. Timmers zet ze op water en zout – ‘Zelf van een rots geschaafd, op Madeira.’ Vliegen doet de verzamelaar dan weer wel: ‘Ik kijk waar ik het beste kan bijdragen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant