Home

Nietsdoen, hoe doe je dat? Twee misverstanden, drie tips en een conclusie

Het lijkt zo vanzelfsprekend, maar over de kunst van het nietsdoen bestaan veel misverstanden. Redacteur Wilma de Rek pleit voor rustrichtlijnen. ‘Nietsdoen is niet niets doen, uit nietsdoen komen mooie dingen voort.’

is cultuurverslaggever bij de Volkskrant.

Het leven kent weinig bezigheden waarover zoveel misverstanden bestaan als nietsdoen, en het zijn heus niet alleen de onnozelen van geest die er maar niet in slagen er de finesses van te doorgronden (dit is zeker al mijn vijfde poging in deze krant). Ook verstandige types zoals de Franse politicus, schrijver en filosoof Michel de Montaigne hadden er moeite mee.

Montaigne leefde van 1533 tot 1592, een turbulente eeuw vol godsdienstoorlogen, en probeerde na zijn 40ste het hoofd koel te houden door zich in zijn vredige torenkamer in de Dordogne over zijn eigen ziel te buigen en op te schrijven wat hij zoal tegenkwam. Dat was niet veel soeps, vond hij zelf.

In het eerste deel van zijn Essays schrijft Montaigne een kort stukje over nietsdoen onder het kopje De l’oisiveté, een woord dat je ook als luiheid, ledigheid of lanterfanterij kunt vertalen. Waar ‘nietsdoen’ nog tamelijk neutraal klinkt, hebben lui, ledig en lanterfanten ontegenzeggelijk een negatieve bijklank. En dat is ook hoe Montaigne naar nietsdoen kijkt: als naar iets negatiefs.

Hij begint zijn essay met een citaat uit de Aeneis van Vergilius, die de geest vergelijkt met een vruchtbare akker. Zoals een braakliggende akker binnen mum van tijd overwoekerd raakt door onkruid en nutteloze planten, schrijft Vergilius, zo zal de geest, als hij niet op een bepaald onderwerp wordt gericht dat hem beteugelt en in toom houdt, ‘aan de haal gaan en van hot naar her door het braakland van de verbeelding zwalken’ (naar het Nederlands vertaald door Hans van Pinxteren).

Spooksels en gedrochten

Zo’n dolende geest produceert niets dan dwaasheid en schimmen, meent Montaigne, want dat heeft hij inmiddels zelf in zijn torenkamertje ondervonden. Hij dacht dat hij zijn geest geen grotere dienst kon bewijzen dan hem in een volstrekt nietsdoen lekker met zichzelf bezig te laten zijn; maar hij merkt nu dat die geest zich begint te gedragen als een ‘op hol geslagen paard’ en zóveel ‘spooksels en gedrochten’ voortbrengt dat hij heeft besloten ze te boek te stellen: zo kan hij zijn eigen onzin op zijn gemakje bestuderen, in de hoop dat die geest zich ‘nog eens voor zichzelf gaat schamen’. Probeersels, noemt hij zijn stukken: essays.

In die paar alinea’s van Montaigne ligt meteen al het grootste misverstand over nietsdoen besloten:

Misverstand 1: Nietsdoen is niets doen

Montaigne kreeg een humanistische opvoeding maar hij was ook een kind van zijn tijd, gekleurd door het christendom dat hard werken beduidend hoger aanslaat dan nietsdoen. Dat hij ervan overtuigd was dat zijn vrij ronddolende geest niets dan wartaal zou produceren is begrijpelijk, maar de geschiedenis gaf hem ongelijk.

In werkelijkheid bleek die dwalende, ‘nietsdoende’ geest van De Montaigne niet alleen productief, maar ook uiterst creatief en origineel. De probeersels die hij in zijn torenkamertje noteerde, worden ruim vier eeuwen na zijn dood nog altijd gelezen en herdrukt. Montaigne is de geschiedenis ingegaan als de pionier van het essay, een genre dat niet kapot te krijgen is (deze krant heeft er recent nog een heel katern omheen gebouwd). Nietsdoen is niet niets doen, uit nietsdoen komen mooie dingen voort.

Default mode network

Hoe dat zit, is pas sinds kort bekend. Begin deze eeuw liet de Amerikaanse neurowetenschapper Marcus Raichle (1937) mensen in zijn laboratorium een complexe opdracht uitvoeren terwijl hij intussen PET-scans van hun breinen maakte. Tot zijn verbazing zag hij dat het energieverbruik in grote delen van die breinen niet terugliep als ze klaar waren met die opdracht, zoals hij had verwacht, maar juist steeg. Raichle had het default mode network ontdekt, een netwerk dat ‘aangaat’ als je wat voor je uit mijmert of iets anders rustgevends doet.

Dat het brein nooit stilstaat was al bekend, maar dat hele delen van het brein die met elkaar zijn verbonden (in de frontale cortex, de precuneus achter in het brein en in de temporale en pariëtale gebieden) tijdens het nietsdoen zelfs extra actief worden, was een eyeopener.

Sinds de ontdekking van Raichle wordt het default mode netwerk druk bestudeerd, ook in Nederland, onder meer door de neurowetenschapper Martijn van den Heuvel van de Vrije Universiteit Amsterdam, die ik eerder deze maand sprak voor een ander stuk over nietsdoen. Hij noemde het default mode netwerk een magisch netwerk. Niet zozeer omdat veel nog niet bekend is, maar vooral omdat wat we wél weten behoorlijk intrigerend is. Zo is het default mode netwerk betrokken bij zaken als bezinning en bij het nadenken over het zelf of over de lange termijn. Activatie ervan levert bovendien ingevingen op die je niet krijgt als je er keihard naar zit te zoeken. Doe vooral vaker niets, luidde Van den Heuvels advies.

Nietsdoen kan je leven redden, schrijft de Britse neurowetenschapper Joseph Jebelli (1986) in zijn dit voorjaar verschenen Rust in je hoofd (uitgeverij Balans). Zijn Iraanse vader had zich als arbeidsmigrant in Engeland bijkans doodgewerkt: als computerprogrammeur maakte hij veel te lange, verpletterend eentonige dagen. Zelf was Jebelli aan een ‘burn-out en een ernstige geestesziekte’ ontsnapt omdat hij net op tijd zag dat hij veel te weinig rust nam. ‘Rust, besef ik nu, is de sleutel tot mijn gezondheid en productiviteit.’

En de sleutel tot rust is dat magische default mode netwerk.

Volgens Jebelli is de Franse wiskundige Henri Poincaré (1854-1912) de echte ontdekker van dat netwerk. Jebelli schrijft dat het Poincaré opviel dat als hij gefrustreerd van zijn bureau was weggelopen omdat hij ergens niet uitkwam en wat in een bos of op het strand ging wandelen, de oplossing zich vaak alsnog aandiende.

Maar misschien is het default mode netwerk nog veel eerder ontdekt. Een kernbegrip in het taoïsme, dat al sinds de zesde eeuw voor Christus bestaat, is wuwei. Dat raadselachtige woord wordt vaak foutief vertaald als nietsdoen, aldus sinoloog en filosoof Woei-Lien Chong in de bundel Inleiding taoïstische filosofie. Leven vanuit niet-doen (ISVW). Leven volgens wuwei zou neerkomen op passief achterover hangen en de boel op zijn beloop laten. In werkelijkheid verwijst het naar het tegengestelde: een spirituele discipline waarbij de beoefenaar in zijn bewustzijn ruimte creëert voor nieuwe dingen. ‘Even het hoofd leegmaken’, heet dat vandaag de dag. En dat is precies wat er gebeurt als je je default mode netwerk activeert.

Misverstand 2: Wie lekker wil nietsdoen, kan het best op de bank of in een hangmat gaan liggen

Er zijn grofweg twee manieren waarop je kunt nietsdoen: dom en slim. Dom nietsdoen doe je door op de bank of in de hangmat te gaan liggen met een telefoon in je hand, woedend op X te tikken en je volgers voor de zoveelste keer uit te leggen waarom Donald Trump een lul is.

Waarom is dat dom? Omdat je hoofd druk bezig blijft. Het enige wat in die hangmat uitrust is je lijf, maar dat krijgt waarschijnlijk al veel meer rust dan goed voor hem is: meer dan de helft van de Nederlanders haalt de beweegrichtlijnen niet, eveneens is meer dan de helft van de Nederlanders te dik.

Het misverstand dat lekker uitrusten vooral een kwestie is van een horizontale positie aannemen, komt niet helemaal uit de lucht vallen; lange tijd wás dat ook zo. Voor een groot deel van de bevolking kwam werken gedurende een groot deel van de geschiedenis neer op het plegen van zware fysieke inspanning, en uitrusten logischerwijs op fysieke ontspanning. Dat werk nam ook nog eens veel meer tijd in beslag dan nu, waardoor er nauwelijks niksdoetijd overbleef.

Rond 1812 pleitte de Britse ondernemer en sociale hervormer Robert Owen voor arbeidswetgeving die de werkdag in fabrieken zou beperken tot maximaal twaalf uur (twaalf uur!). Een paar jaar later bedacht Owen dat twaalf uur ook nog wel veel was. Je zou, vond hij, de dag in drie gelijke stukken moeten verdelen: acht uur werk, acht uur slaap en acht uur vrije tijd.

Die drieslag bleef jarenlang het motto van socialisten. Zelf zou Owen de komst van de achturige werkdag niet meer meemaken. In 1890 bracht de Sociaal-Democratische Bond een affiche uit waarop ‘tien voordeelen van den achturigen arbeidsdag’ stonden vermeld (op 1: ‘Bij den achturigen werkdag wordt het lichaam van den arbeider gespaard en zijn leven verlengd’), maar pas in 1911 wist de Nederlandsche Diamantbewerkersbond als eerste een achturige werkdag te bedingen, en in 1919 was hij landelijk wettelijk geregeld.

Burn-outepidemie

Intussen leven we alweer geruime tijd in een 24/7-maatschappij waarin op elk moment van de dag wordt gewerkt, geslapen dan wel uitgerust. Dat heeft tot nieuwe, vooral mentale gezondheidsproblemen geleid. In de jaren zeventig van de vorige eeuw muntte de Duits-Amerikaanse psycholoog Herbert Freudenberg de term burn-out voor de klachten die in Nederland inmiddels worden ervaren door 20,1 procent van de werknemers en 11,7 procent van de zelfstandig ondernemers.

Voor die burn-outepidemie is niet één oorzaak aan te wijzen. Aan de werkdruk alleen kan het niet liggen, zegt hoofdsocioloog Tanja Traag van het CBS telefonisch. ‘Die meten we sinds 2014 aan de hand van drie vragen: heb je het gevoel dat je veel moet doen, heb je het gevoel dat je het snel moet doen en heb je het gevoel dat je hard moet werken? Die werkdruk is nu niet hoger dan tien jaar geleden. Maar zodra je verder terug wilt kijken, wordt het lastig, want dat soort subjectieve vragen werd vroeger niet gesteld. Overigens is werkdruk niet per se erg, zolang er maar voldoende werkplezier en autonomie tegenover staan, factoren die bij burn-outs een belangrijke rol spelen.’

Tanja Traag is vandaag thuis aan het werk en vertelt dat ze zojuist een wasje in de machine heeft gestopt, dat ze straks in de zon gaat ophangen. Aansluitend brengt ze een huisgenoot naar zijn afspraak en daarna rijdt ze weer naar huis: supergezonde werkonderbrekingen! Traag: ‘Ja, interessant. Een verpleegkundige – om maar even een beroepsgroep te noemen waar veel burn-outs voorkomen – heeft dat soort mentale pauzes wellicht minder. Maar een verpleegkundige heeft ook minder autonomie in haar of zijn werk dan ik en komt veel meer rottigheid tegen. Vergelijken is vreselijk moeilijk. En burn-outs hebben bijna nooit alleen met werk te maken.’

Vaststaat dat veel werk in onze tijd fysiek minder zwaar is dan vroeger, en vaker het hoofd belast. Wie aan het werk is, of dat nu in de bouw is, in het onderwijs of achter een bureau, gebruikt een ander deel van het brein (Jebelli noemt dat het ‘executieve netwerk’) dan wanneer hij in rust is. ‘Overbelaste hersenen zien we in elke economische sector, van leraren tot schoonmakers, van buschauffeurs tot bankiers’, schrijft Jebelli.

In een ideale wereld wordt inspanning altijd gevolgd door voldoende ontspanning en is sprake van balans. Maar dan moet dat wel échte ontspanning zijn. En het zou zomaar kunnen – maar ook dat is niet met cijfers te staven – dat mensen van de manier waarop ze tegenwoordig hun vrije tijd inrichten, niet voldoende uitrusten.

Toen de achturige werkdag net een feit was, werd de nieuw verworven vrije tijd niet doorgebracht op drukke festivals en pretparken, en evenmin sloom achter de mobiele telefoon, want al die dingen waren er toen nog niet. Op zondag winkelen zat er ook al niet in. Wat er wel was: bossen en parken (in 1919 werd de eerste ANWB-paddenstoel neergezet), meren, rivieren en de zee. Natuur die door onze ouders, grootouders en overgrootouders werd verkend met fietsen, trage antieke auto’s en de befaamde benenwagen natuurlijk. En die default mode netwerkjes maar knetteren.

Conclusie: er moeten rustrichtlijnen komen

Aan het begin van dit stuk kwamen de beweegrichtlijnen aan de orde en het is goed dat die er zijn, maar het mag duidelijk zijn dat onze tijd ook schreeuwt om rustrichtlijnen. Werk aan de winkel voor de Gezondheidsraad dus. Intussen proberen we er het beste van te maken: tijd voor de tips!

Tip 1: maak van je reistijd nietsdoetijd

Gezond leven is niet hollen of stilstaan, maar kalm de geest laten dwalen. Er zijn natuurlijk talloze manieren te bedenken om de geest in de dwaalstand te krijgen (zie ook tip 2) maar de simpelste is deze: gebruik je reistijd. De tijd die je toch al kwijt bent om van a naar b te gaan. Zet tijdens het fietsen geen koptelefoon op (sowieso gevaarlijk) maar kijk dommig om je heen. Luister tijdens het wandelen niet naar een podcast maar bestudeer de geveltjes van gebouwen, de grappige wolken boven je hoofd, het water in de grachten, de bomen langs de weg. Laat in de trein de mobiel in je tas en staar naar het voorbij zoevende landschap. Doe tijdens het autorijden geen radio aan maar geef je over aan je eigen gedachten.

Tip 2: ga fietsen, zwemmen, wandelen, vissen of desnoods mediteren

Reis je nooit van a naar b, dan moet je een andere activiteit verzinnen waarbij de geest ongericht zijn gang kan gaan. Het gezondst is dus een activiteit die niet alleen het brein in beweging zet, maar ook de rest van het lichaam. Fietsen, hardlopen en wandelen zijn geschikt, maar niet als je voortdurend op het verkeer moet letten; woon je in een stad, ga die dan geregeld uit. Zoek bossen en andere stukken natuur op, blootstelling aan natuur heeft een bewezen positief effect op de gezondheid. Ook hier weer: laat die oortjes thuis.

Zwemmen is eveneens een prima nietsdoesport, al was het maar omdat je in het water niet in de verleiding komt je mobiel erbij te pakken. Over de vraag of vissen een sport is valt te twisten, maar vaststaat dat het gezond is voor je default mode netwerk. Tanja Traag: ‘Ik deed het vroeger geregeld, niets is zo rustgevend als naar een dobber kijken. Er gebeurt niets en toch is het opwindend.’ En natuurlijk kun je ook gaan mediteren om de geest los te krijgen, alleen zit dat lijf dan stil. Dat geldt ook voor breien, borduren, televisiekijken (wel naar iets rustgevends), naar muziek luisteren of in een bad liggen.

Tip 3: zorg dat nietsdoen een onderdeel van je vaste ritme wordt

In 2011 verscheen van filosoof, arts en voormalig Denker des Vaderlands Marli Huijer het boek Ritme, waarin ze onder meer pleit voor het inplannen van een vaste dag per week nietsdoen. Zelf gebruikte ze daar de zaterdag voor. Veertien jaar later is die zaterdag nog altijd heilig, zegt ze: ‘Mijn lichaam is daaraan gewend geraakt, ik kijk er de hele week naar uit. De zaterdag houd ik vrij. En vrijhouden is dan ook echt vrijhouden, dus niet denken: dan ga ik fijn dit of dat klusje doen. Het is lege tijd.’

Het lichaam bepaalt hoe die lege tijd wordt gevuld, heeft Huijer gemerkt: ‘Als je moe bent, doe je op zo’n dag vanzelf niks. En als ik uitgerust ben en vol energie pak ik de fiets en ga ik naar het IJsselmeer. Ik zie wel wat er gebeurt.’

Zou het ook goed zijn om die lege ruimte niet alleen per week maar ook per dag in te plannen? ‘Als je een vast dagelijks ritme aanhoudt, gaat dat vanzelf’, zegt Huijer. ‘Ik heb in de ochtend de meeste energie dus ik sta vroeg op en ga meteen aan het werk. Ik houd ook vaste eettijden aan. En ik zorg dat ik minstens een uur per dag beweeg, maar de ene keer gebeurt dat vanzelf, bijvoorbeeld omdat ik aan de andere kant van de stad moet zijn, en de andere keer ga ik ’s avonds nog even wandelen. Dat nietsdoen doe ik niet op vaste tijden, maar ik doe het wel dagelijks.’

Tot slot: in dit stuk ging het vooral over nietsdoen als iets waar mensen te weinig aan toe komen. Maar er zijn natuurlijk ook mensen die genoeg tijd hebben om niets te doen en zich daar geen raad mee weten, verse pensionado’s bijvoorbeeld. Ook daarover is veel te zeggen. Dat komt in een volgend stuk wel.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next