Het was een tegenstelling van jewelste: de bevrijde bevolking van Noord-Europa begaf zich vanaf de jaren zestig massaal naar het dictatoriale Spanje om daar aan het strand vakantie te vieren. Dat dit nieuwe toerisme een rechtstreeks gevolg was van de oorlog, blijkt op een expositie in Berlijn.
schrijft voor de Volkskrant over beeldende kunst.
Of ik even wil meezingen? Eh, ja, nee, natuurlijk. De uitnodiging rolt uit de mond van de geüniformeerde kassamedewerker van het Museum Europäischer Kulturen in Berlijn. Het lijkt een grap, maar met een fraaie bariton zet hij plots de beginregel in: ‘Vamos a la playa...’
‘... oh, oh-oh-oh-oh!’, vul ik gedwee aan.
‘Wunderbar. U krijgt een vrijkaartje.’
Opgewektheid alom. Waarschijnlijk is de man blij dat zich überhaupt iemand aan zijn balie meldt. Het museum gelegen in een zuidelijke villawijk met veel geboomte is nagenoeg leeg. Buiten staan ongebruikte strandstoelen. Op het podium daarnaast, met professionele toneelverlichting, is geen spoor van activiteit te zien.
Het contrast met het onderwerp van de bescheiden tentoonstelling die hier te zien is kan haast niet groter zijn: hoe tijdens het regime van generalissimo Francisco Franco het massatoerisme in Spanje ontstond, en hoe de dictator daarmee zijn regime voor miljoenen buitenlanders ‘acceptabel’ maakte. Titel van de expositie, inderdaad: Vamos a la playa, naar de beroemde meezinger van het Italiaanse discoduo Righeira, uit 1983.
Het is een geweldig thema. Zeer tot de verbeelding sprekend en herkenbaar. Want eerlijk is eerlijk, weinig vakantiegangers zullen zich in de jaren zestig en zeventig, op weg naar het Iberisch Schiereiland, de Canarische Eilanden en de Balearen, hebben gerealiseerd dat Spanje toen een hardcore fascistische staat was (net zomin als dat iemand zich in 1983 realiseerde dat de vakantiehit Vamos a la playa in wezen een anti-atoombomliedje was).
Wie het vliegtuig naar Mallorca of Ibiza nam of met de auto naar Benidorm en Torremolinos reed, wilde zo snel mogelijk aan de kust liggen. Hoe de rest van het land ervoor stond, wie er leefde en wat de politieke situatie was, deed er nauwelijks toe. De warmte trok. Net als de goedkoopte van de vakantiewoningen of de koelte van de sangria. En natuurlijk de ongedwongen leefsfeer – lees: hippiebestaan annex seksuele vrijheid en onbeperkt bier drinken.
Franco? Geen idee. Je hoorde er niemand over. Toch is er wel degelijk een relatie tussen zijn repressieve bewind en de bouwwoede die er aan de Spaanse costa’s ontstond. Over het onderwerp is het nodige bekend, maar de benadering in Berlijn, door zeven Duitse kunstenaars en een Britse, geeft aan het historische onderwerp een eigentijdse en eigenzinnige draai, en levert een gevarieerd beeld en commentaar op. Van uiterst kritisch tot melancholisch, van ontnuchterend tot ronduit schrijnend en dramatisch.
Neem de videoportretten die Christoph Otto maakte van Spaanse locals en Duitse expats, en hoe de verschillende groepen praten over het verleden. Hoe de een, dochter van een vermiste Spaanse communist, nog steeds wanhopig over het verlies vertelt; terwijl een Duitser zich herinnert dat zijn familie ergens aan de Spaanse kust een gigantische witte villa liet bouwen omdat het er zo rustig en authentiek was.
De portretten benadrukken dat er onder Franco twee verschillende Spanjes ontstonden: een dictatuur met gevangenissen en een dagelijkse praktijk van dwangarbeid, executies en verdwijningen, maar met het imago van een zonnig, goedkoop en gastvrij land dat de dictator aan de buitenwereld wilde verkopen.
Met succes, kun je rustig zeggen. Tussen het begin van de toeristentoestroom, rond 1960, en de dood van Franco, vijftien jaar later, vervijfvoudigde het aantal vakantiegangers, van 6 naar 30 miljoen. ‘España es diferente’, Spanje is anders, was de slogan waarmee de minister van Toerisme, Manuel Fraga Iribarne, buitenlandse zonzoekers naar zijn land wist te lokken.
Het land moest wel. De Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) had catastrofale gevolgen gehad voor Spanje. Met een verdeelde bevolking en honderdduizenden doden, en verwoest, mede dankzij de Duitsers die Spanje als een oefenterrein beschouwden voor hun latere luchtoorlog met Engeland, Frankrijk en Rusland. Tragisch dieptepunt: de totale verwoesting van het Baskische stadje Guernica door de luchtaanvallen van het beruchte (nazi-)Condor Legioen, een contingent vliegtuigen van de Luftwaffe.
Franco mocht dan in Tweede Wereldoorlog niet aan de zijde van nazi’s hebben meegevochten – het land wilde neutraal blijven – niemand in het bevrijde Europa, na 1945, was vergeten dat Franco niet alleen even fascistisch was als Hitler, maar dat het land dat voorlopig ook zou blijven. Hoewel strategisch gelegen moest Spanje zo veel mogelijk worden geboycot. De effectiefste manier: Franco economisch zo goed als mogelijk isoleren. Het land werd uitgesloten van Marshallhulp, het Amerikaanse hulpprogramma voor de wederopbouw van Europa.
Op zoek naar buitenlands kapitaal om de armoede en hongersnood te verhelpen en de slecht functionerende industrie weer op gang te brengen, kwam Franco’s rechterhand, Luis Carrero Blanco, op een lumineus idee. Met het aantrekken van toeristen zou dat buitenlandse geld als vanzelf Spanje binnenkomen.
Het bleek een gouden greep – voor de Spaanse economie en staatskas althans. In no time verrezen aan de Spaanse zuid- en oostkust de eerste vakantiewoningen en torenflats. Afgelegen havenstadjes en kustdorpjes veranderden alras in conglomeraten van beton en witgeschilderde baksteen; investeringen die zich makkelijk lieten terugverdienen. Voor de rest – zon, zee en zand – was alles gratis.
Interesse vanuit het buitenland was er genoeg, laten de ansichtkaarten op de tentoonstelling, die Stefanie Unruh van Mallorca verzamelde, duidelijk zien. Unruh deed onderzoek naar de veranderende demografie op het eiland, met name door de komst van Duitsers. Voor Duitsland was Spanje vanaf eind jaren vijftig vakantiebestemming numero uno – een rechtvaardiging dat deze tentoonstelling, eerder in het Spaanse Girona en Figueres geopend, nu in Berlijn te zien is.
De ansichtkaarten van Unruh tonen de gebruikelijke toeristische impressie van straten en gebouwen in een subtropisch landschapsdecor. Maar schijn bedriegt: al deze panden en gebouwen waren in handen van Duitse emigranten. Van joden die in de jaren dertig voor het nazisme waren gevlucht, en aan het strand bars en nachtclubs waren begonnen. Van Duitse sympathisanten van Franco die deze joden tijdens de Spaanse burgeroorlog en de Tweede Wereldoorlog weer uit hun huizen verdreven, waarna velen terug naar Duitsland werden afgevoerd en in concentratiekampen werden vermoord. Van oud-SS’ers die op Mallorca de nieuwe Duitse enclave na 1945 aanvulden, op hun beurt weer gevlucht voor de geallieerden om aan berechting en gevangenschap te ontkomen.
Komt bij dat de eerste ‘reisbureaus’ na de Tweede Wereldoorlog, op Mallorca, werden gerund door oud-nazi’s uit Duitsland (en gevluchte collaborateurs uit Vlaanderen) die eerder opgezette reisondernemingen van joden hadden ‘overgenomen’. Lufthansa, de Duitse vliegtuigmaatschappij die eerder (toen nog als Luft Hansa) joden naar Spanje had gevlogen, zag vanaf de jaren zestig het reisverkeer drastisch toenemen, nu met badgasten en zonnebaders, onder wie veel hippies, al dan niet op doortocht naar het in hun ogen nog relaxtere India.
De toestroom was zo gigantisch, dat op eilanden als Ibiza en Formentera de bevolking uiteindelijk voor 25 procent zou bestaan uit bikini-meisjes, vrouwen in wapperend linnen, minislip dragende mannen en blote kinderen – een bont gezelschap dat niet altijd even goed paste te midden van de doorgaans degelijk en in het zwart geklede Spanjaarden. Vrijzinnigheid en onwetendheid over de plaatselijke zeden en gewoonten gingen hand in hand.
Op de expositie in Berlijn is een interview te beluisteren met twee Duitse hippiekinderen die als kleine blonde meisjes in de jaren zestig aan de Spaanse kust woonden. Een van hen herinnert zich het Spaanse landleven zonder stromend water, waar paard en wagen het enige vervoer was, enkel boeren woonden en overal stilte heerste.
En hoe haar ouders, eenmaal in hun nieuwe (witte) onderkomen gesetteld, het hele dorp uitnodigden voor een welkomstdrankje, wat geen onverdeeld succes werd. De ene helft van het Spaanse gezelschap bleek niet met de andere helft te willen spreken.
Want wat de meeste toeristen niet beseften: de burgeroorlog (1936-1939) tussen het linkse, republikeinse volksdeel en de conservatieve, katholieke, (extreem)rechtse bevolking, liet diepe sporen na in de Spaanse maatschappij. Een onverzoenlijke verdeeldheid die de gehele Franco-periode, van 1939 tot 1975, bleef bestaan – en in sommige streken nog altijd niet is verdwenen.
Het maakte het ‘succes’ van het massatoerisme tweeslachtig, zo niet drieslachtig. Voor de meeste vakantiegangers was het een ontspannen periode van enkele weken aan een van de stranden. Voor veel Spanjaarden veranderde er niets aan het gebrek aan vrijheid en democratische rechten. En dat terwijl ze uit diezelfde toeristenindustrie hun inkomsten ontvingen.
Gek is het wel, als je erbij stilstaat: dat zo veel toeristen destijds vanuit het net bevrijde, democratische West-Europa elke zomer naar het fascistische, onvrije en ondemocratische Spanje vlogen. Naar een land waar Franco tot aan zijn dood, in 1975, met ijzeren vuist regeerde, gesteund door de oerconservatieve geest van grootgrondbezitters, de katholieke kerk, oude familiebanden en corruptie. Een totalitair systeem dat desondanks voor velen een surplus aan onbezonnen vrijheid en zomerzotheid bood.
Voor Franco moet het een geslaagde missie zijn geweest, deze perfecte cover-up die van zijn land een geaccepteerde vakantiebestemming en handelspartner maakte.
‘Ik voelde me er vrolijk, het leven in Duitsland was streng, Formentera was het paradijs’, vertelt een van twee Duitse hippie-dochters. Oké, er was de angst voor de Guardia Civil, met hun strenge zonnebrillen. En ja, je mocht geen linkse kranten of boeken meenemen. Voor de rest laten de privé-filmpjes uit het familiearchief, in het werk van Annette Riemann en Tom Theunissen, huppelende meisjes met lang haar zien (van wie een Riemann zelf is) en luchtig geklede ouders die malle danspasjes maken voor hun wit gekalkte woning.
Het zijn jeugdbeelden die velen zullen hebben. Zoals anderen zich weer juist de meegenomen zakken aardappelen, ingeblikte doperwten en rookworsten zullen herinneren. Alles tegen de achtergrond van wat aanvankelijk authentiek was, maar gaandeweg als een zonnige variant van Zandvoort begon te ogen.
Franco is inmiddels vijftig jaar dood. Het land werd in 1975 democratisch en is dat gebleven, ondanks de operette-achtige couppoging van luitenant-kolonel Antonio Tejero in 1981. Fascistisch gemotiveerde executies zijn er niet meer. Het massatoerisme is, met een geschatte omvang van 100 miljoen vakantiegangers dit jaar, bijna 10 procent meer dan in 2024.
Nieuw is wel: het Spaanse verzet ertegen. Dit jaar ging de bevolking de straat op om te ageren – Basta! – tegen de verkoop van woningen aan buitenlanders, tegen de hoge onroerendgoedprijzen, tegen verhuurplatforms als Airbnb, de drukte aan de stranden en in de steden, en de uitbreiding van vliegvelden, zoals bij Barcelona en Palma de Mallorca.
Franco zou zich omdraaien in zijn zelf verzonnen praalgraf, in de Vallei van de Gevallenen, een uurtje rijden vanaf Madrid, ware het niet dat hij daar zes jaar geleden al uit is verwijderd.
Vamos a la playa. Ferien unter Franco. Museum Europäischer Kulturen, Berlijn.
Tot en met 7 december.
Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant