schrijft voor de Volkskrant over literatuur, non-fictie en onderwijs.
Triage – dat is een mooi woord voor een lelijk ding. Het betekent eerst patiënten in levensbedreigende situaties redden, daarna pas andere gevallen behandelen, in volgorde van ernst. Medische triage mag alleen bij rampen. Dan moet je kiezen, maar er vallen slachtoffers bij.
In de jeugdzorg is ook sprake van triage. ‘Jeugdbescherming moet al jaren kiezen welke kinderen ze als eerste helpt’, schrijft Trouw. Dat is verschrikkelijk voor kinderen die thuis in een bedreigende, onveilige situatie zitten. Kinderen komen terecht bij Jeugdbescherming als de rechter oordeelt dat het thuis gevaarlijk is. De wet zegt dat zij vijf dagen na de uitspraak een vaste jeugdbeschermer moeten krijgen. Dat lukt vaak niet, want er is een tekort aan jeugdbeschermers.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Al drie jaar valt Jeugdbescherming regelmatig terug op een noodprotocol, waarbij de ergste gevallen voorgaan. Dat mag wettelijk niet, maar nood breekt wet, zegt de Inspectie zuchtend.
De niet-acute gevallen staan maandenlang op een wachtlijst. Dat is afschuwelijk als je ouders elkaar naar het leven staan en jou verwaarlozen of mishandelen. Dan sta je als kind moederziel alleen. Soms loopt het gruwelijk fout af.
Wat is er toch mis met jeugdzorg in Nederland? Jeugdbescherming is maar een klein deel van de jeugdzorg. Daaronder valt veel, van hulp bij opvoedvragen, behandeling van gedragsproblemen en stoornissen als ADHD en ASS, tot ingrijpen bij gevaar. Maar jeugdbescherming en andere jeugdzorg hangen wel samen als het om onveilige gezinnen gaat.
Er lijkt een onstelpbare behoefte te bestaan aan jeugdzorg: de afgelopen 25 jaar groeide het aantal kinderen dat een beroep doet op jeugdzorg van een op de 27 naar een op de zeven. Sinds 2015 is de jeugdzorg gedecentraliseerd, de gemeenten zijn ervoor verantwoordelijk, maar dat heeft de stormloop niet verminderd.
Onhoudbaar, vindt ook Vincent Karremans, tot voor kort staatssecretaris voor Jeugd, Preventie en Sport. In een overheidsnotitie maakte hij onlangs een kloppende analyse: jeugdhulp wordt steeds vaker ingezet bij ‘lichtere problematiek’. Dat gaat ten koste van de kinderen die het hardst hulp nodig hebben. De ‘lichte’ hulp wordt geleverd door tal van bureaus en instellingen, die omzet moeten draaien en klantjes werven; dat heeft een aanzuigende werking. Als het om oplossingen gaat is Karremans minder helder. Ja, de hulp moet passender en effectiever. Maar hoe bereiken we dat?
Niet door er meer geld in te pompen. Er is een andere kijk nodig op kinderen en probleemgezinnen. De meeste kinderen zijn veerkrachtig, de meeste ouders verstandig. We mogen de marges van wat normaal is best wat oprekken. Er zijn kinderen die baat hebben bij een psychiatrische diagnose, maar een kind dat druk is, gevoelig, eenzelvig, superslim of traag, kortom afwijkend, is niet vanzelf een geval dat grondig door de onderzoeksmolen moet. Ouders die veel stress hebben, zijn niet meteen ongeschikte opvoeders. Het zou al schelen als praktische opvoedhulp dichtbij aanwezig is, in een buurthuis of op school. Maar zet bij ernstige gevallen alsjeblieft wél zwaardere hulp in.
Laten we ophouden maatschappelijke misstanden te benaderen als persoonlijke gebreken. Een kind dat opgroeit tussen geweld, of in armoede, of met zieke of overspannen ouders, is niet geholpen met individuele klinische behandeling. De omstandigheden moeten veranderen, anders knapt het gezin er niet van op. Kinderen uit onveilige gezinnen horen niet op een wachtlijst, maar moeten altijd hulp krijgen, gezamenlijk als gezin, acuut of voor langere tijd.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant