Home

Iedereen wil minder dierproeven, maar kan het zonder?

De tijd dat voor onderzoek bijna gedachteloos werd getest op proefdieren is allang voorbij. Maar is het ooit mogelijk dierproeven uit te bannen?

Hanneke de Klerck is wetenschapsredacteur van de Volkskrant.

2025 was de stip aan de horizon, in 2016. In 2025 zou Nederland koploper zijn in het gebruik van alternatieven voor dierproeven, schreef toenmalig staatssecretaris van Economische Zaken Martijn van Dam aan de Tweede Kamer. Zoals Nederland eerder, bij het uitbannen van dierproeven voor cosmetica, vooropgelopen had. Maar al tien jaar schommelt het aantal dierproeven tussen een dikke 400- en een kleine 500 duizend. Is er iets veranderd?

‘We gaan er al lang van uit dat 2025 een illusie was’, zegt Jan Langermans, de adjunct-directeur van het apenonderzoekscentrum BPRC, en aan de Universiteit Utrecht hoogleraar met als leeropdracht welzijn van proefdieren. ‘Helemaal zonder proefdieren kunnen we nog niet’, zegt Anne Kienhuis van het RIVM. Zij is net benoemd tot hoogleraar toxicologie in transitie, ook aan de Universiteit Utrecht, en is al sinds haar proefschrift in 2008 bezig met onderzoek naar alternatieven voor dierproeven.

Naar de aantallen dierproeven kijken ligt voor de hand, maar die cijfers ­zeggen niet zo veel, legt zij uit. Er wordt meer onderzoek ­gedaan, en naar verhouding zullen daar misschien minder dierproeven tussenzitten. En een daling van het ene op het andere jaar kan ook ­komen doordat een groot onderzoek met bijvoorbeeld veel zebravisjes is af­gerond. Een spectaculaire daling, die een indicatie zou zijn voor echt minder proefdieronderzoek, zie je in Nederland evenmin als in de rest van Europa.

Geen alternatief

Er zijn in Nederland volgens de recentste cijfers – uit 2023, van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit – 74 instellingen met een vergunning om dierproeven te doen. Dat zijn vaak universiteiten en universitaire ziekenhuizen, onderzoeksinstellingen en farmaceutische bedrijven. De meeste proeven worden gedaan om te beoordelen hoe schadelijk stoffen zijn, voor fundamenteel wetenschappelijk onderzoek of om een veilige toepassing te ontwikkelen van nieuwe biomedische vindingen bij patiënten.

Het gebruik van proefdieren wordt door regelgevende instanties vaak voorgeschreven voordat bijvoorbeeld medicijnen of vaccins op de markt mogen worden gebracht. De Wet op de dierproeven beschrijft de voorwaarden. Proeven zijn alleen toegestaan als er aantoonbaar geen alternatief is. Dat betekent dat er ruimte is om van mening te verschillen of die alternatieven er zijn.

Het BPRC doet bij apen, vooral makaken, fundamenteel en toegepast onderzoek naar voor de mens levensbedreigende ziekten als de infectieziekten covid-19, influenza en westnijlkoorts en hersenaandoeningen als alzheimer. ‘We doen zo min mogelijk dierproeven, we hebben een hele afdeling die bezig is met de ontwikkeling van in-vitromodellen’, zeg Jan Langermans. In vitro, ‘in glas’ zoals reageerbuisjes of petrischaaltjes, staat tegenover in vivo, in een levend organisme. Maar kweekorgaantjes (organoïden) of labtesten kunnen, zegt hij, het onderzoek in apen niet vervangen, omdat die alle wisselwerkingen in een organisme onvoldoende kunnen nabootsen.

De politiek denkt daar anders over. Eerder deze maand nam de Tweede Kamer een amendement aan op de begroting voor OCW. Het centrum verliest zijn subsidie niet, maar jaarlijks wordt een steeds groter bedrag van de ongeveer 12,5 miljoen euro die het krijgt geoormerkt voor proefdiervrije onderzoeks- en testmethoden, totdat in 2030 niets van de subsidie meer voor dierproeven mag worden gebruikt.

Netelige kwestie

Langermans vindt het een netelige zaak. ‘Het betekent dat Kamerleden wetenschappelijk onderzoek gaan invullen.’ De Eerste Kamer zou begin juli over de begroting beslissen, maar heeft dat uitgesteld tot september. Nationale en internationale biomedisch onderzoekers, artsen en patiëntenverenigingen hebben een brandbrief geschreven in de hoop het amendement terug te laten draaien.

Kienhuis heeft juist de wind mee. Maatschappelijk is er steeds meer vraag naar alternatieven, in de regelgeving is er aandacht voor en centra voor proefdieronderzoek proberen steeds minder dieren te gebruiken – door beter te kijken of testen echt nodig zijn, door de ontwikkeling van technieken die minder belastend voor de dieren zijn of door gebruik te maken van alternatieve (proefdieronderzoekers zeggen liever complementaire) onderzoekstechnieken. Niemand is tegen minder gebruik van dieren, de vraag die verschillend beantwoord wordt is of het helemaal zonder kan, en zo ja op welke termijn.

Kienhuis is vanuit het RIVM een van de initiatiefnemers van Ombion, het Centrum voor Proefdiervrije Biomedische Translatie, dat op 7 juli geopend werd – translatie wil zeggen het beschikbaar maken van innovaties voor patiënten en gebruikers. In eerste instantie gaat het centrum onderzoek doen naar vier ziekten (ALS, taaislijmziekte, artritis en astma/COPD).

‘Om te laten zien dat ook geneesmiddelenontwikkeling potentieel proefdiervrij zou kunnen’, zegt Kienhuis. Daarbij gaat het niet alleen om het maken van medicijnen, maar ook om in kaart brengen welke beleidsregels moeten worden aangepast. ‘Waaraan moeten de nieuwe technieken voldoen om toegepast te kunnen worden voor de veiligheid- en risicobeoordeling.’

De 3 V’s

De onafhankelijke overheidsorganisatie CBG (College ter beoordeling van geneesmiddelen) is in Nederland verantwoordelijk voor de beoordeling van de werkzaamheid, veiligheid en kwaliteit van medicijnen en de goedkeuring ervan. Het CBG besteedt veel aandacht aan het verminderen van dierproeven.

‘Je moet heel kritisch kijken of een dierproef wel nodig is’, zegt Peter Theunissen, die beoordelaar is bij het CBG. ‘Bijvoorbeeld door een verandering in de richtlijn voor het testen van de kankerverwekkendheid van medicijnen hebben we de afgelopen twee jaar veertig keer kunnen stellen dat een studie niet nodig was. Dat scheelt vijfhonderd proefdieren per keer.’

Theunissen en zijn collega Peter van Meer, ook beoordelaar, wijzen erop dat de Nederlandse regelgeving niet in een vacuüm wordt gemaakt. Op wereldwijd niveau worden richtlijnen aangepast om proefdieronderzoek te verminderen. Theunissen en Van Meer zitten namens Nederland in de 3R’s- werkgroep van het EMA, het Europees Geneesmiddelenbureau. In Nederlandse vertaling gaat dat om de 3 V’s: vervangen, verminderen en verfijnen, waarbij verfijnen wil zeggen dat het welzijn van de proefdieren wordt verbeterd en ze minder pijn en stress ervaren.

Theunissen: ‘We doen veel retrospectief onderzoek. We kijken bijvoorbeeld vijftien jaar terug om te beoordelen of dierproeven echt noodzakelijk zijn. Moet je, zoals werd gevraagd, rat én konijn gebruiken om schadelijke bijwerkingen op een ongeboren baby te onderzoeken? En dan blijkt: het kan waarschijnlijk met alleen de rat.’

Van Meer: ‘Ik denk dat er bij alle deelnemende partijen veel meer beweging is naar minder dierproeven dan tien jaar geleden. Maar wij zien nog te weinig wat er gebeurt en welke alternatieve modellen er worden gebruikt in de vroege fase van de ontwikkeling van een medicijn. Dat zijn studies die niet ter beoordeling hoeven worden voorgelegd, maar mogelijk wel een goed model zouden kunnen zijn ter vervanging van dierproeven voor registratie.’

Theunissen: ‘Je moet het zo zien: firma’s hebben keukens en maken daarin gerechten. Wij zien wat op tafel komt, maar wij zien niet de ingrediënten. We willen meer zicht op de keuken.’

Van Meer: ‘Er gebeurt ontzettend veel. De organs on chips bijvoorbeeld, vroeger werd dat gedaan door onderzoekers in opleiding die er na afloop een boekje over schreven. Inmiddels zijn het meer volwassen systemen, die binnen een registratieprocedure kunnen worden gebruikt om het veiligheidsprofiel van een geneesmiddel te karakteriseren.’

In organs on chips wordt de werking van een orgaan nagebootst met behulp van microchiptechnologie. Met zo’n kunstorgaantje kun je in een vroeg stadium testen of een stof potentieel heeft en die af laten vallen als dat niet zo is. Wat volgens Van Meer ook gaat schelen, is het gebruik van algoritmes. Dat maakt het mogelijk uit een grote dataset een virtuele placebogroep te maken, die kan dienen om de resultaten te controleren. Controledieren zouden dan niet meer nodig zijn.

Langermans denkt dat in het toxicologisch onderzoek – ‘daar zit het laaghangend fruit’ – meer mogelijk is dan in het fundamenteel en toegepast onderzoek. Ook Marieke van de Ven van het Nederlands Kanker Instituut (NKI) denkt dat fundamenteel onderzoek, het onderzoek waarmee wetenschappers proberen te begrijpen hoe iets werkt, nog niet zonder proefdieren kan.

Van de Ven doet bij het NKI, het onderzoeksinstituut van het Antoni van Leeuwenhoek-ziekenhuis, wetenschappelijk onderzoek in muizen, een proefdier dat veel vaker wordt gebruikt dan de aap. Hoe ontstaat kanker? Waarom worden sommige tumoren resistent tegen behandeling en is daar iets tegen te doen? Hoe komt het dat een tumor zich niet in iedere patiënt hetzelfde ontwikkelt?

Immuuntherapie

Ook het NKI gebruikt alternatieve – complementaire, zegt zij – methoden. Maar ‘dierproeven blijven helaas nog nodig.’ Zeker, er zijn andere mogelijkheden, maar die voldoen nog niet. Neem de organoïden, kunstmatig gekweekte klompjes cellen. ‘Die bestonden twintig jaar geleden al, maar het is pas sinds heel kort mogelijk ze van twee celtypen te maken in plaats van een.’ Een tumor bestaat uit tientallen celtypen.

Of neem een nieuwe mogelijkheid als immuuntherapie, die is ontwikkeld in proefdieren. ‘We kennen de complexiteit van het immuunsysteem nog niet eens. Hoe ga je dat dan in vitro nabouwen?’ En hoe ga je uitzaaiingen bestuderen in een petrischaal, vraagt ze. ‘Waarom maakt een kankercel zich los van de tumor? Waarom gaat hij juist de longen of de botten in en vormt daar een nieuwe?’

Toch gebruikt het NKI minder proefdieren dan tien jaar geleden, zegt Van de Ven. Deels door meer onderzoek aan alternatieven als organoïden, celkweken en kleine stukjes tumor. Deels door nieuwe technieken als crispr-cas, heel precieze genetische manipulatie, waarmee je mutaties bij de muizen kunt aanbrengen. Dan hoef je niet te kruisen en te fokken tot je één dier met de mutatie hebt en een heleboel dieren zonder, waarop je geen onderzoek kunt doen. En in het NKI kunnen muizen tegenwoordig in een mri-scanner die is aangepast aan hun formaat. ‘Eerst moest je ze opofferen om in het lichaam te kijken, nu kun je dat in de scanner doen.’

De beide Peters van het CBG zijn het erover eens dat er ooit een tijd komt waarin dierproeven niet meer nodig zijn. ‘Ik zie niet in dat het niet zou kunnen gebeuren’, zegt Peter van Meer. Waar Peter Theunissen schat dat dat ‘eerder over dertig jaar zal zijn dan over tien’ is Van Meer nog voorzichtiger. ‘Ik denk dat je daar geen getal op moet plakken. Het is belangrijk dat er vertrouwen komt dat in vitro-systemen ons vergelijkbaar of beter kunnen vertellen hoe het zit met de veiligheid van een geneesmiddel in de mens. Hoe sneller we dat voor elkaar hebben, hoe sneller we van dierproeven af kunnen. Die snelheid wordt bepaald door de wil dat te bereiken en door maatregelen om dat te stimuleren.’

Reproduceerbaar

Anne Kienhuis’ ambitie is: kijken wat de nieuwe technieken kunnen en je energie richten op hoe je ze kunt valideren. ‘De modellen moeten laten zien dat ze relevant zijn, betrouwbaar en dus ook reproduceerbaar: dat ze in verschillende laboratoria tot dezelfde resultaten leiden. En dan is het ook interessant om te kijken hoe we de nieuwe technologieën geaccepteerd krijgen. Hoe we protocollen regelen voor de technieken, hoe we waar nodig de wetgeving aanpassen en hoe we mensen ervan overtuigen dat onderzoek zonder proefdieren betrouwbare resultaten geeft om veiligheid te voorspellen.’

Misschien, suggereert ze, is de vraag niet hoe we aan minder proefdieren komen, maar hoe we zorgen dat we zo snel en zo goed mogelijk nieuwe technieken kunnen inzetten. ‘Het staat buiten kijf dat we een systeem willen waarmee je de veiligheid betrouwbaar kunt beoordelen, waarmee je zeker weet dat een stof niet schadelijk is. Dat is, denk ik, het allerbelangrijkste. Het lijkt me geen goed idee om over te gaan als je nog niet voldoende weet van je nieuwe systemen.’

Luister hieronder naar onze wetenschapspodcast Ondertussen in de kosmos. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.

Alles over wetenschap vindt u hier.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next