Op 24 juli 2002 wint Michael Boogerd de koninginnenrit in de Tour de France. Snikheet is het, loodzwaar, maar alles lukt. In aanloop naar de finish van komende vrijdag op La Plagne blikt hij terug. Openhartig over de koers, de doping en de euforie.
schrijft voor de Volkskrant over wielrennen.
‘In aanloop naar de Tour was ik goed voorbereid, maar niet per se extra voor de koninginnenrit. Ik had de dingen gedaan die ik in die periode vaker deed als er een lang seizoen aan zat te komen. In het voorjaar nam ik dan een beetje epo, zoals ik nu vitamine B12 kan nemen als ik moe ben. Dat spuitje zette ik gewoon zelf, in mijn buik, subcutaan heet dat, onder de huid, net zoals suikerpatiënten doen.
‘Een spuit zetten is een van de eerste dingen die je leerde als wielrenner in die tijd. Gewoon in je kont, en dan geen rare spullen. Vitamines, aminozuren. De eerste keer dat ik dat deed, viel ik flauw, maar op den duur werden naalden normaal. We kregen sowieso iedere dag in de Tour een dopingcontrole (epo werd beter op te sporen vanaf 2008, red.). Het zou kunnen dat ik tussen de Giro en de Tour in ook epo nam, want ik koerste tot Lombardije dat jaar, diep in oktober, dus het was een lang seizoen.
‘Maar je moet het niet al te straf zien. Het is niet zo dat we met z’n allen elke dag aan dat spul zaten. Een bloedtransfusie was sowieso niet aan de orde. Dat is later geschreven in een rapport in een boek van twee NRC-journalisten (Bloedbroeders van Steven Derix en Dolf de Groot, red.). ’s Ochtends voor de start zou ik bloed van mijn broer Rini hebben gekregen, maar dat is pertinente onzin. Ik heb overwogen die aantijging bij de rechter aan te vechten, maar uiteindelijk hebben we geschikt door mijn ontkenning, die van de ploegarts en die van mijn broer in het boek te laten opnemen.
‘Bloedtransfusies deed ik later pas, in 2005, 2006 en 2007, drie keer in totaal, waarvan ik twee keer heb moeten weggooien omdat ik het op het laatste moment toch niet durfde. Ik wist niet of ik het kon vertrouwen, bloed dat vervoerd was geweest. Dat vond ik een enge gedachte. Zondegeld eigenlijk.
‘Ik schaam me ook niet voor die prestatie op La Plagne. Omdat ik in mijn leven wel gekkere dingen heb gedaan wat doping betreft, zoals die transfusies. Er zijn wedstrijden waarin ik beter geprepareerd aan de start stond. Deze heb ik redelijk netjes geleverd. Ik was ook helemaal niet zo goed in die Tour. Stond maar 17de in het klassement, op bijna 20 minuten. Maar op de een of andere manier kwam ik in een flow, die dag.’
‘Drie dagen ervoor werd ik derde in de rit naar Béziers, dus ik was er al eens dicht bij geweest. Daarna kregen we een etappe naar de Mont Ventoux, een rustdag en weer een bergetappe naar Les Deux Alpes. Ik probeerde mee te zitten in de goede ontsnapping, maar dat lukte niet. Die 24ste juli was het beste er eigenlijk wel van af, maar toch wilde ik er nog een keer voor gaan; de koninginnenrit naar La Plagne werd mijn laatste kans.
‘’s Ochtends bij de start komt Ab Krook naar me toe, die schaatscoach. Hij is gast in de Tour. Ik sta tegen een dranghek aan te leunen en vertel hem dat ik er zin in heb. ‘Ik ga het gewoon proberen.’ Hij glimlacht naar me. Het wordt een loodzware rit, met ruim 5.100 hoogtemeters en een temperatuur van 35 graden. Ik hou wel van extremen: kou én hitte, dan ben ik vaak goed. De sprinters hebben genoeg afgezien, dus zij willen het rustig aan doen.
‘Tijdens de eerste beklimming, die van de Galibier, gaan ze op de eerste rij van het peloton rijden zodat niemand er voorbij kan. Dat gebeurt soms. En je hebt respect voor je collega’s. Ik durf niet als eerste te demarreren, want dan krijg ik alles en iedereen over me heen.
‘Op die manier hebben we al zeker 20 kilometer rustig aan geklommen, als Marzio Bruseghin ineens gaat. Pas nu durf ik mee te springen. Ik heb het geluk dat ik Addy Engels meekrijg. Die trekt vol door tot de top om het gat met het peloton zo groot mogelijk te maken. Maar er zitten ook wat klassementsrenners bij. José Azevedo staat zesde, Santiago Botero zevende, weliswaar op meer dan 11 minuten, maar kennelijk is Lance Armstrong er niet gerust op. We krijgen niet al te veel ruimte.
‘Op de top horen we dat hij zijn hele ploeg op kop heeft gezet om ons terug te halen. Na de lange afdaling draaien we in Valloire de Télégraphe op en dan denk ik: nu moet ik gewoon een alles-of-nietspoging doen. Als ik versnel, begint Laurent Jalabert achter me te roepen: ‘Boogie, Boogie, tranquille!’ Hij baalt, want hij kan niet mee, maar wil wel de punten voor de bergtrui.
‘Ik denk: ja, ehhh, kus mijn kloten. In mijn hoofd steek ik mijn middelvinger naar hem op. Want in die rit naar Béziers riep hij dat ook al. Toen wachtte ik wel op hem tijdens een van die klimmetjes. Nu niet.
‘Op de top heb ik 20 seconden voorsprong, maar dan springen er uit het peloton drie semisprinters weg, onder wie Stuart O’Grady, en die halen me tijdens de afdaling in. Die mannen rijden op leven en dood naar beneden. Ik kan net volgen, maar ik ben bang. Dit gaat op de limiet. In mijn eentje zou ik dit nooit doen.’
‘Ze rijden volle bak, omdat in het dal een tussensprint ligt, met dure punten voor de groene trui. Ik laat ze lekker begaan. Op die manier hebben we ineens weer een minuut voorsprong. Als we onderaan de Madeleine komen, versnel ik. Die sprinters kunnen me natuurlijk niet volgen. Ineens rijd ik solo, maar nog helemaal niet met het idee om de rit te winnen, want het is nog 93 kilometer naar de finish.
‘Ik ben nooit een veelwinnaar geweest, dat zit ook niet echt in mijn persoonlijkheid. Ik ben bescheiden, zelden opportunistisch, ook omdat ik het gewend ben om voor een klassement te rijden. Dan koers je vanzelf behoudend. Ik kan wel een klootzak zijn, maar altijd recht door zee.
‘Ik krijg weinig voorsprong, maximaal een minuut of 6 , maar ik begin er gewoon aan. Staand op de pedalen, dan weer zittend. Het gouden kettinkje om mijn nek slaat op en neer tegen mijn borst en kin, maar daar voel ik niets van. Er zit een klavertje vier om van mijn moeder, en twee tandjes, mijn eerste en de eerste van mijn verloofde. Het is een soort talisman voor me die ik al draag sinds die eerste etappezege in de Tour van 1996.
‘Adrie van Houwelingen zit in de volgwagen achter me, mijn favoriete ploegleider. Hij is de rust zelve, precies wat ik nodig heb, aangezien ik van het nerveuzere type ben. Ik heb veel successen aan hem te danken. Als ik een fax krijg en ik zie dat zijn naam eronder staat, word ik al rustig.
‘Hij komt naast me rijden en zegt droogjes: ‘Nou Boogie, het gaat lekker zo, hè.’ Ik krijg zo’n klein colaatje en een gelletje van hem. Eten en drinken is belangrijk nu, maar ik voel mijn benen niet eens. Ik zit in een soort runner’s high, zo’n gevoel dat je maar kunt blijven gaan. Heerlijk joh. Ik kan er ook echt van genieten, ben gefocust én kan om me heen kijken.
‘Eindelijk gebeurt dit een keer tijdens een koers en niet tijdens een training. Dat is me nog bijna nooit gebeurd – ja, misschien in Luik, 1992, toen ik tweede werd achter Frank Vandenbroucke.’
‘Pas als ik de Madeleine oprijd, de derde col van de dag, denk ik: zo, dit is me een solo. Helemaal als Van Houwelingen naast me komt rijden en heel droogjes tegen me zegt: ‘Nou Boogie, als je zo doorrijdt, dan ga je geschiedenis schrijven.’ Voor het eerst in mijn wielerleven denk ik: tering, ik ben hier iets aan het doen wat redelijk oké is.
‘Zoiets als dit heb ik nog nooit meegemaakt. Ik heb de Amstel Gold Race gewonnen en ik was twee keer tweede in Luik en in Lombardije, maar nu rijd ik echt solo in de zwaarste bergrit van de Tour, met die grote mannen niet eens zo ver achter me. Ik geloof nauwelijks wat er gebeurt. Zelfs als dit niet goed afloopt, gaan mensen het er nog jaren over hebben.
‘Als 8-jarig jochie reed ik door de duinen bij Wassenaar en Scheveningen en deed ik alsof ik bergop reed in de Tour. Dan gooide ik een bidon water over mijn gezicht en dagdroomde ik dat ik Hennie Kuiper was, of Joop Zoetemelk, Johan van der Velde. Ik kan dat gevoel van die jaren nog makkelijk terughalen. Dan lag ik met mijn moeder op het strand en luisterden we naar Radio Tour de France. Nu rijd ik er zelf, helemaal alleen. Ineens leef ik die droom van dat jochie.’
‘Op de top van de Madeleine vraag ik me af of mijn ouders naar de tv kijken. Zij zijn er bijna altijd bij als ik koers, maar dit jaar waren ze al bij de Giro geweest en slaan ze de Tour over. Bij mijn eerste etappezege – in de Tour van 1996 won ik de rit naar Aix-les-Bains – waren ze er ook niet bij. Destijds had mijn vader een hernia en moesten ze de busreis naar Frankrijk afzeggen.
‘Nerena, mijn verloofde, zit op haar werk naar de tv te kijken. Dan zegt Van Houwelingen tegen me: ‘Rijd gewoon normaal naar beneden en kijk daar hoe groot je voorsprong nog is. Als die mannen achter je naar je toe rijden, dan wacht je. En anders ga je gewoon door.’
‘De afdaling van de Madeleine is erg technisch, maar ik rijd nog steeds alsof het vanzelf gaat. Beneden blijkt dat ik ben uitgelopen, 30 seconden. Dit is zo’n dag waarop alles lukt. En dan zegt Van Houwelingen: ‘Rijd nu maar door.’
‘De vallei is 25 kilometer vals plat, maar gelukkig staat er weinig wind en voel ik mijn benen niet. Ik blijf maar cola drinken, suikers nemen. En ik neem me voor om de slotklim naar La Plagne net zo omhoog te rijden als de Madeleine.’
‘Bij het dorpje Aime is het nog redelijk vlak, maar als het steil wordt, krijg ik ineens een soort klap. Geen honger, maar echt pijn in mijn benen. Mijn concentratie is helemaal weg. De motorrijder in het geel die altijd de tijdsverschillen doorgeeft in de Tour – we noemden hem de banaan – komt steeds naast me rijden met slecht nieuws. Mijn voorsprong loopt terug: van 5 naar 4 naar 3 minuten.
‘Op 7 kilometer van de top zakt het naar 2,5 minuut. Dit is niet goed. Ik rijd van links naar rechts over de weg om bidons en sponsen te pakken. De kilometers duren eindeloos. Ik ben aan het harken, mijn benen zwabberen. Ik had deze rit in juni met Levi Leipheimer verkend, en ik wist dat-ie zou afvlakken bij de olympische bobbaan, van 9 naar 7 procent.
‘Als dat gebeurt, kan ik bij Gods gratie weer twee tanden bijschakelen. Carlos Sastre rijdt 2,5 minuut van de voorsprong af, maar ineens stokt het. Dan weet ik dat hij zich heeft opgeblazen. Ik begin te rekenen: als ik nu elke kilometer 15 seconden verlies, houd ik nog genoeg tijd over.
‘Van Houwelingen komt weer bij me rijden: ‘Als je je nou verdomme niet concentreert, dan ga je het niet redden’, roept hij, niet zo rustig meer. Hij ziet ook dat ik uit mijn focus ben. Sterker nog; ik ben helemaal aan het hallucineren.
‘Er is een camper langs het parcours en daar trekt iemand een blikje Heineken open. Ik kan de druppels condens zien, hoor dat sissende geluid, tssssjjj, en denk alleen maar: ik wou dat ik daar stond. Er komt een jochie naast me rennen, een Nederlands ventje, en dat roept: ‘Doe het voor mij, doe het voor mij.’
‘Op 3 kilometer van de finish staat mijn schoonvader. Hij is nogal grofgebekt, dus als ik bij hem langsrijd, begint hij een partij te schelden. Wij hielden ook van vloeken thuis, mijn vader, broer en ik, mijn moeder helemaal niet. We gooien altijd overal een sausje overheen. Je hebt geen dorst, maar teringdorst.
‘‘Als je nou godverdegodver niet wint, win je nooit meer’, roept mijn schoonvader. Hij is als enige over de hekken gesprongen, staat op de weg met van die grote kijkers. Mijn benen doen vreselijk zeer, maar ik begin wel te beseffen dat ze me niet meer terug gaan pakken.’
‘Op een of andere manier kom ik er weer doorheen. Ik kan weer als vanouds ronddraaien, zoals op de Madeleine. En dan laat ik het toe, het gevoel dat ik ga winnen. De laatste kilometer is gewoon puur geluk. Op 800 meter valt er iets van me af. Ik slaak een diepe zucht en er schieten allerlei gedachten door mijn hoofd. Ik voel me weer dat kleine jochie en ik denk aan mijn broer, mijn ouders en mijn aanstaande. Hoe trots ze op me zullen zijn.
‘Vlak voor de finish kijk ik nog even naar achteren, naar Van Houwelingen. Het is binnen. Ik bal mijn vuist. Ik kus mijn kettinkje en denk aan thuis. Het moment dat ik over de streep kom, denk ik: dit is het. Ik heb later nog weleens dingen gedaan en meegemaakt waarvan je euforisch wordt, maar dat is niets vergeleken met dit gevoel. Ik ben instant verslaafd.
‘Ik gun het iedereen om een keer dit gevoel te hebben, en dan zonder heroïne te gebruiken of zo. Maar ik denk niet dat dit in een gewoon leven kan, buiten de topsport. Het is niet te vergelijken met een zakelijke deal, bijvoorbeeld. Ik heb ooit eens een adrenaline-injectie gehad nadat ik tijdens een trainingskamp door een insect was gestoken. Dan sta je helemaal strak. Die rush, maar dan de hele tijd: dat voel ik.
‘Na de finish zie ik mijn vaste soigneur Björn Vanmelkebeke staan. Hij is de eerste die ik kan omhelzen. Euforie is alles wat ik voel. Ik vind het nog steeds spijtig dat ik nog geen kinderen had om dit gevoel mee te delen.
‘Mijn schoonmoeder staat er wel. Ze springt over de hekken en vliegt me om mijn nek. Wat heerlijk is dit, ik wil alles omarmen, iedereen vastpakken; mijn verzorger, mijn ploegleider.
‘Van Houwelingen komt uit de ploegleiderswagen gerend. Hij is best een grote vent en ik weeg maar 62 kilo, dus hij tilt me op en gooit me in de lucht. Wat ik allemaal zeg weet ik niet meer. Ik ben helemaal overprikkeld. Dan word ik weggeleid naar achteren. Daar is het sereen. Björn haalt een washandje door mijn gezicht en geeft me schone kleren.
‘Op het podium heb ik een flesje cola en een trofee in mijn handen die tegenwoordig ergens op zolder ligt. Op de speelkamer van mijn kinderen heb ik alleen een foto van La Plagne die me nog aan dat moment herinnert. Verder niets.
‘Na de huldiging moet ik naar de dopingcontrole en word ik geïnterviewd door de NOS. Tijdens dat gesprek ben ik afgeleid. Mensen denken dat ik naar de rondemiss kijk, maar ik zie beelden van mezelf terug. Ik zeg: ik had nooit verwacht dat ik dit zou kunnen. Ik ben dankbaar dat ik dit als mens heb mogen meemaken.’
‘Na de huldiging en alle interviews rijden we naar het Club Med-hotel in La Plagne. Onderweg krijg ik mijn moeder aan de telefoon. ‘Eindelijk’, zegt ze huilend. Ik verheug me daarna enorm op het diner, maar als ik daar aankom, zie ik dat mijn ploeggenoten helemaal niet blij zijn. Ze hebben moeten wachten op mij, aangezien ik zo laat terug ben. Ze willen naar bed. Ik denk dat een paar jongens bang zijn dat ik ze buiten de tijd heb gereden, dat horen ze pas de volgende dag.
‘En er is ook wel wat jaloezie. De sfeer is niet leuk en ik voel me alleen. Ploegleiders en renners van andere ploegen komen naar me toe om me te feliciteren. Ook Armstrong. Op een of andere manier was ik goed met hem. Hij kon me goed hebben, ik stond niet op zijn zwarte lijstje. ‘Boogie, het was 35 graden en er stond wind. Je hebt die overwinning echt verdiend.’
‘Daarna ga ik gauw naar mijn kamer. Ik lig alleen, omdat Leipheimer de airco altijd uit wilde en ik juist aan. Dan bel ik met Nerena. Ze zet thuis Eurosport aan, ik ook, en we kijken samen tot 2 uur ’s nachts de rit terug. Daarna vraag ik aan de dokter een slaappil. Hij had ’m alvast klaargelegd.
‘Na de Tour mag ik natuurlijk alle criteriums rijden. Tijdens de tweede rustdag wilde niemand me hebben, ze vonden me te duur, maar nu ik die rit heb gewonnen wel. Ik kan zelfs veel meer geld krijgen. Dan doe ik iets wat me heeft geholpen in de rest van mijn wielerleven: ik houd mijn oude prijs aan. Daardoor hebben ze me tot het einde van mijn carrière uitgenodigd voor de criteriums. Na La Plagne is alles anders. Ik rijd ontspannender, ben vrijer. Eindelijk is mijn carrière geslaagd.’
‘In 2007 stopte ik met koersen en zes jaar later gaf ik bij de Dopingautoriteit toe dat ik doping heb gebruikt: epo, cortisonen en bloedtransfusies. In maart 2013 werd dat ook bij het grote publiek bekend. De Dopingautoriteit kon me niet schorsen omdat ik onder een Belgische licentie reed. Ze zeiden: als je namen wilt noemen van renners die ook hebben gebruikt, dan kunnen we een schikking treffen. Anders komen er misschien dingen in de media die je niet zo leuk zult vinden.
‘Uiteraard werkte ik niet mee. Uiteindelijk ben ik twee jaar geschorst, van 2016 tot en met 2018. Daarna ben ik weer in genade aangenomen en kon ik als analist bij de NOS met een gerust hart door het peloton lopen.
‘Vlak na mijn schorsing kwam er nog een boek uit, van Thijs Zonneveld en Thomas Dekker. Daarin werd ik van hoerenloperij en andere dingen beschuldigd en ben ik in een diep gat gevallen. Het was echt de hel. Ik dronk te veel en had therapie nodig om daar weer uit te komen.
‘In die periode heb ik de rit naar La Plagne een keer helemaal van het begin tot het eind integraal teruggekeken, zes uur lang. Ik wilde een goed gevoel krijgen. Ik heb weleens met mijn dochter Anais de laatste 300 meter van de race gekeken. Dan zei ik: ‘Kijk, dat is papa.’ Ze is nog te jong om te begrijpen wat papa vroeger gedaan heeft, en dat is ook helemaal niet erg.
‘Met mijn zoon Mikai heb ik de hele rit teruggekeken toen hij 12 was. Zes uur lang, met de gordijnen dicht. Natuurlijk kon hij dat niet opbrengen. Maar aan het einde zei ik: ‘Nu moet je blijven zitten, want nu wordt het mooi.’
Ik voelde me zo slecht over mezelf, vooral over het feit dat ik tijdens mijn carrière niet de vader voor hem was geweest die ik had willen zijn. En nu wilde ik laten zien dat zijn vader echt wel wat voorstelde.
‘Datzelfde jaar ben ik met hem naar La Plagne geweest. Dinsdag heen gereden, woensdag samen omhoog gefietst en donderdag terug. Dat haalde me uit de put. La Plagne is een ankerpunt voor mij. Een veilige haven. Sommige mensen zullen vinden dat ik me moet schamen omdat ik daar heb gewonnen met doping, maar ik voel dat echt niet zo. De trots overheerst.
‘Ik geef nog weleens clinics en dan vertellen mensen waar ze waren toen ze die rit zagen. De meesten vinden het een historisch sportmoment. Ik heb niet veel gewonnen in mijn leven, maar dit onthoudt iedereen. La Plagne is mijn leven.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant