is boekenrecensent voor de Volkskrant.
De hoop was gigantisch, want hoewel ze beiden nog lang geen 30 zijn, horen ze nu al in het rijtje Joe Frazier tegen Mohammed Ali, Fausto Coppi tegen Gino Bartali, Messi tegen Ronaldo, Tom tegen Jerry, Rome tegen Carthago, Coca-Cola tegen Pepsi en Jonas Vingegaard tegen Tadej Pogacar.
Sterker nog: op papier was hun rivaliteit misschien wel ongeëvenaard, want tijdens hun vorige vier gezamenlijke edities van de Tour de France was het onderlinge verschil slechts 3 seconden. En met hoeveel onzichtbare draden moet je wel niet aan elkaar verbonden zijn als je verspreid over vier jaar 13.667 kilometer op de fiets rijdt, langs grenzen en over bergen, en al die tijd slechts 3 seconden op elkaar toegeeft?
Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Het titanengevecht zou magistraal worden, want dit jaar was er bovendien Het Plan van Visma-Lease a Bike, gevolgd door een botbreuk van UAE-meesterknecht Almeida, de val van Pogacar zelf en uiteraard die nieuwe informatie waaruit bleek dat Jupiter nog tijdens de conceptie van Jonas Vingegaard de Baan van Triton kruiste, waardoor het eigenlijk niet anders kon dat de Tour van 2025 de spectaculairste tweestrijd aller tijden zou opleveren.
Maar helaas houdt de werkelijkheid zich bijna nooit aan de wetten van de dramaturgie, en dus liet Pogacar al vrij snel zien wat iedereen eigenlijk al voorvoelde, namelijk dat hij niet alleen beter was, maar veel beter. De 2 minuten werden 3 minuten en uiteindelijk 4 minuten, waarna de spanning definitief weg was en de strijd om het geel voorbij.
De hoop was hopeloosheid geworden en wat restte waren de kopgroepen en de kermis. Bijvoorbeeld die op de Mont Ventoux van afgelopen dinsdag, die zotte berg die 99 procent van zijn tijd dienstdoet als pelgrimsoord voor mannen van middelbare leeftijd met een midlifecrisis en waar dagjesmensen tegenwoordig zelfs met fatbikes omhoog rijden om op de top een selfie voor op Instagram te schieten met daaronder een citaat van Francesco Petrarca (ook al weet iedereen die het werk van de humanistische dichter een klein beetje kent dondersgoed dat hij een hekel had aan fietsen in het algemeen en fatbikes in het bijzonder).
Het was vrijwel zeker dat een ontketende Tadej Pogacar op precies die berg de genadeklap zou geven aan hun jarenlange tweestrijd door aan te sluiten in het rijtje van de rennende Froome, de puffende Merckx en de prachtige Pantani. Maar toen Vingegaard aanzette, gebeurde er iets opmerkelijks. In plaats van genadeloos over zijn rivaal heen te klappen, werden de ogen van de Sloveen dof, zakte zijn mond open en liet hij iets zien dat niet anders te omschrijven is dan als zwakte.
Het was geweldig, alsof de beste wielrenner aller tijden halverwege de Mont Ventoux leek te beseffen dat perfectie vaak niet om aan te zien is, maar het streven ernaar des te interessanter. Opeens begreep hij dat het juist de zwakte is die wielrennen zo’n woest aantrekkelijke sport maakt. Van de 184 renners verliezen er iedere dag 183, en toch lukt het bijna iedereen om de dag erop gewoon weer aan de start te verschijnen, klaar om het nogmaals te proberen.
Die dagelijkse overwinning op de teleurstelling doet ons, gewone stervelingen, beseffen dat er altijd weer een nieuwe kans volgt. Door heel even te hijgen en niet te winnen hield Pogacar de illusie in stand dat hij te verslaan is, dat alles zelfs voor de mindere goden de moeite waard blijft, omdat er morgen gewoon een nieuwe etappe volgt, eentje waarin het deze keer misschien wel lukt.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns