Verslaggever Dennis Boxhoorn fietste eerst zelf de Mont Ventoux op alvorens hij aan zijn verslag van de zestiende etappe begon. En ontdekte: de Kale Berg is een klim voor mensen die berekenend zijn. Zoals ritwinnaar Valentin Paret-Peintre.
schrijft voor de Volkskrant over wielrennen.
Met vele duizenden zijn ze deze dinsdagochtend op de fiets naar de Kale Berg gekomen om hun helden aan te moedigen. Het is zo druk dat er file staat vanaf de startplaats Bédoin, alsof de Mont Ventoux niet de zwaarste beklimming in de wijde omtrek is.
Het is bijna 1.600 meter klimmen in 21 ongenadige kilometers, maar zelfs kinderen trotseren de warmte terwijl ze achter hun wielergekke vader aanrijden. Ook mensen met een mindere conditie slepen zich omhoog, op een elektrische fiets. Daarop gaan ze nog harder dan goed getrainde renners met gladgeschoren benen. Tegenwoordig is de Mont Ventoux voor iedereen te bedwingen. Dat is mooi, maar het kan ook tot problemen leiden.
Even na elf uur heeft de bestuurder van een vrachtwagen, beladen met dranghekken bedoeld om mensen op afstand te houden, het lumineuze idee opgevat om de berg af te dalen. Hij is bijna beneden als hij stuit op duizenden amateurfietsers die juist naar boven willen. Ineens staat het muurvast op de Ventoux, gelijk aan een Franse snelweg op zwarte zaterdag.
Om het leed te verzachten, worden blikjes Orangina uitgedeeld. Na een half uur komt er beweging in de vrachtwagen en dan trekt de massa fietsers zich op gang, vol goede moed naar de top van de mythische klim in de Provence.
De Mont Ventoux rijd je nooit zomaar omhoog. Hij moet je liggen, bij je persoonlijkheid passen. En zo niet, dan moet je ’m leren rijden, door ’m keer op keer met een plan te benaderen. Indelen, pacen in wielerjargon. Je moet kunnen doseren, geduldig zijn. Je kruit niet verschieten als je weet dat je geen tweede adem hebt.
De Mont Ventoux is een klim voor mensen die hun emoties in bedwang kunnen houden, die weten wat ze wel en vooral ook wat ze niet kunnen. Voor rekenaars. Grillige renners die met hun krachten smijten, vergalopperen zich. Want als-ie eenmaal echt begint, vlak na een scherpe bocht in het dorpje Saint-Estève, dan wordt het nergens makkelijk. Je kijkt voortdurend tegen een muur op. Een rechte weg omhoog.
Nergens kan de druk even van de benen, zoals bij een beklimming in de Pyreneeën. Die is steil, dan weer vlakker, dan weer steil. Er zijn haarspeldbochten die je aan de buitenkant kunt nemen zodat je hartslag even zakken kan. Niets van dat op de Ventoux.
Het is een klim die je in de val lokt, omdat de eerste 5 kilometer aan 3 procent omhoogkruipen. Je denkt dat het allemaal wel mee gaat vallen, de benen voelen nog goed, je schakelt er een tandje bij, op het buitenblad omhoog en stampen.
Je ziet precies waar je naartoe moet. Naar dat rode weerstation daar op de top, aan de horizon. Het is een klim die je angst kan inboezemen, die onder je huid gaat zitten nadat je er eens een instorting hebt gekend. En dan wil je revanche.
Bij geletuidrager Tadej Pogacar gebeurde dat in 2021, toen Jonas Vingegaard hem kraakte op de Mont Ventoux. Maandag zei de Sloveen dat hij het gevoel heeft dat de organisatie dit soort beklimmingen in het parcours heeft opgenomen om hem te herinneren aan zijn moeilijke momenten in de Tour. Voor hem is een klim een klim. Welke naam die ook draagt.
De Ventoux heeft voor wielrenners allerlei herkenningspunten. Na Saint-Estève volgt ‘Het Bos’; een indrukwekkend cederwoud en het zwaarste stuk. 10 kilometer lang, oplopend tot ruim 9 procent. Het volgende ankerpunt is Chalet Reynard, een restaurant gebouwd in een oude trekkershut. Vanaf daar verdwijnen ineens de bomen en snap je waar de berg z’n bijnaam aan te danken heeft. Door de hoogte wordt het ook koeler en heeft de wind vrij spel.
Dan is het uitkijken naar het monument voor Tom Simpson, de Britse wielrenner die in 1967 op 1,4 kilometer van de top overleed aan de hitte en een overdosis amfetaminen. De klim meandert door en het wordt nog even steil, maar opgeven is geen optie meer. Op de top koop je snoep en cola. Een goed getrainde amateurrenner kan de Ventoux in twee uur afwerken. De profs gaan ruim twee keer zo hard.
Door een meeslepende strijd tussen Pogacar en Vingegaard sneuvelt er een 21 jaar oud record op de Mont Ventoux. Ze rijden samen meer dan een minuut harder dan de Spanjaard Iban Mayo in 2004 deed. Ze vallen elkaar aan, maar blijven in evenwicht.
Links, achter de wijnvelden, ligt-ie op mooie dagen te baden in de zon, de berg van 1.910 meter hoog, met kop en schouders uittorenend boven het reliëf dat ’m omringt. Over de Ventoux, Occitaans voor ‘wind’ omdat het op de top altijd waait, zijn boeken volgeschreven. Op de een of andere manier prikkelt-ie de zintuigen.
Het gebeurt op driekwart minuut van het Franse vedergewicht Valentin Paret-Peintre, die voor het eerst een Tour-etappe wint. Van iedereen heeft hij zijn inspanning het best ingedeeld. Dat en zijn 52 kilogram zijn de sleutel tot succes op de Mont Ventoux.
Over de top dalen de renners af naar Malaucène, aan de andere kant van de Kale Berg. Daar staat geen mens en is het muisstil.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant