De Zuidas
Er is een stille kracht in onze economie die de ongelijkheid voedt en om meer aandacht vraagt dan ze tot nu toe krijgt. Geen belastingwet, geen arbeidsmarktbeleid, geen politieke slogan. Het is de rente. Of beter gezegd: het rentebeleid van centrale banken.
Barbara Baarsma is hoofdeconoom bij PwC en hoogleraar toegepaste economie aan de UvA.
Gundars Gulbis is onderzoeksassistent bij PwC en student aan de Tilburg University.
In tijden van inflatie grijpen centrale banken naar hun bekendste wapen: de beleidsrente verhogen. Dat is logisch. Maar wat zelden wordt besproken, is dat dit wapen niet neutraal is. Het raakt mensen verschillend, afhankelijk van hun vermogen, inkomen en toegang tot financiële markten. En het raakt ze op een manier die verschillen tussen arm en rijk vergroot.
De afgelopen jaren is economische ongelijkheid weer een centraal thema geworden. Niet alleen in de Verenigde Staten, waar de top-éénprocent meer dan 30 procent van het vermogen bezit, maar ook in Europa, waar vermogensongelijkheid minder groot maar niet minder hardnekkig is. Ongelijkheid is geen bijwerking van economisch en monetair beleid – het is een uitkomst ervan.
Renteverhogingen hebben een asymmetrisch effect op de samenleving. Ze raken schulden zwaarder dan bezittingen. Ze maken lenen duurder, sparen aantrekkelijker, en drukken de waarde van activa zoals aandelen en vastgoed. Maar wie heeft schulden? En wie bezit activa?
Het antwoord is voorspelbaar. Lagere inkomensgroepen hebben vaker consumptieve schulden en minder vermogen. Hogere inkomensgroepen hebben hypotheken, beleggingsportefeuilles en spaargeld. Als de rente stijgt, voelen de eersten de pijn, terwijl de laatsten zich kunnen indekken, of zelfs profiteren. Daar komt bij dat huishoudens met de hoogste vermogens beter gepositioneerd zijn om te anticiperen op renteveranderingen. Ze hebben toegang tot financieel advies, kunnen hun portefeuilles herschikken en profiteren van hogere rente-inkomsten. De mindervermogenden hebben die luxe niet.
Econometrisch onderzoek laat zien dat het effect van renteverhogingen op ongelijkheid vooral zichtbaar is in de vermogensverdeling. Terwijl inkomensongelijkheid relatief stabiel blijft – of slechts tijdelijk toeneemt – stijgt het aandeel van het vermogen in handen van de top-éénprocent structureel na een renteverhoging. Dat effect is er niet voor de bredere top-tienprocent meestvermogenden.
Het is een zichzelf versterkend effect: hogere rente betekent hogere rendementen op spaargeld, obligaties en andere rentegevoelige activa. Tegelijkertijd worden huizenprijzen en aandelenkoersen volatieler, wat kansen biedt voor wie kan instappen op het juiste moment. En wie heeft die mogelijkheid? Juist: de mensen die al vermogen hebben.
Centrale banken hebben geen verdelingsmandaat. De taak van de ECB en DNB is het bewaken van prijsstabiliteit. Maar dat betekent niet dat hun beleid geen verdelingsgevolgen kan hebben.
Wat nodig is, is meer transparantie over de verdelingsgevolgen van monetair beleid. Het mandaat van centrale banken hoeft niet te worden veranderd, maar ze moeten wel erkennen dat hun beleid ongelijkheid beïnvloedt. En ze moeten die effecten monitoren, analyseren en communiceren. Dat is ook in hun eigen belang, want grotere ongelijkheid verzwakt ook het effect van het beleid van de centrale banken.
Een renteverhoging is kortom ook een herverdelingsbesluit. Niet omdat de centrale bank dat wil, maar omdat haar instrumenten ongelijk uitwerken. Dat roept een ongemakkelijke vraag op: als monetair beleid ongelijkheid vergroot, wie is er dan verantwoordelijk om dat te corrigeren?
Het antwoord ligt bij de politiek. Als centrale banken de rente verhogen om inflatie te bestrijden, dan is het aan overheden om de verdelingsgevolgen daarvan op te vangen. Dat kan door het belastingstelsel progressiever te maken, met hogere tarieven op kapitaalinkomen en vermogenswinsten voor de top-éénprocent meestvermogenden. Ook kan de kansenongelijkheid verminderen door te investeren in publieke voorzieningen zoals onderwijs, zorg en huisvesting.
Met andere woorden: als monetair beleid verhardt, moet fiscaal beleid verzachten. Economische stabiliteit en sociale rechtvaardigheid zijn geen gescheiden doelen. Ze versterken elkaar of ondermijnen elkaar. Een economie die groeit maar steeds ongelijker wordt, verliest op termijn haar draagvlak.
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen
Source: NRC