schrijft voor de Volkskrant over literatuur, non-fictie en onderwijs.
Vakantie, eindelijk vakantie! Als kind snak je ernaar. Ik vroeger wel, tenminste. Zes weken lang uitslapen, geen gejaag om ’s ochtends op tijd te komen, de godganse dag precies doen waar jij zin in hebt. Verlost van de pestkoppen, geen staartdelingen, geen zwemles, geen tandarts. Vrijgelaten uit de gevangenis die school heet, waar je het grootste deel van je kostbare tijd doorbrengt, terwijl buiten het echte leven bruist. Niet dat het altijd ellendig is op school, maar je móét wel.
Halverwege de zomervakantie viel het toch tegen, thuis. Na twee weken met het gezin opgepropt in een huisje te hebben gezeten in de regenachtige Eiffel, waren er nog vier weken te vullen. De stapel Donald Ducks had ik dan wel uit, het Tina Vakantieboek ook en de kinderen met wie ik buiten speelde waren nét vertrokken; je kon een kanon afschieten op straat. Mijn moeder werkte niet, maar had geen zin om elke dag naar het zwembad te gaan.
Met mijn eigen schoolgaande kinderen ging het precies zo, met het bijkomende probleem dat hun vader en ik moesten werken. Het was altijd stress en gepuzzel, en een hoop verveling, achter allerhande schermen. Waarom was die zomervakantie zo lang? Nu, bij mijn kleinkinderen, gaat het beter. Na drie weken samen op vakantie gaan ze op dagen dat er geen (groot)ouders thuis zijn naar de bso, waar het in de vakantie ‘superleuk’ is.
Maar niet alle kinderen gaan met vakantie en ook niet naar de – dure – bso. Ze worden niet meegenomen naar pretparken, waterparadijzen, dierentuinen of musea, ze gaan niet op zeil- of voetbalkamp. Veel te duur.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
In een zwembad in Amsterdam-West vond ik het, op de eerste dag van de schoolvakantie, merkwaardig stil. Geen kinderen die gillend bommetje deden. Fijn voor ons, bejaarde baantjestrekkers, maar niet goed. Maar ja, een kaartje kost 8 euro, voor een gezin met meerdere kinderen niet te doen. Veel kinderen zitten, terwijl hun ouders werken, in de vakantie thuis, met hun vriend de telefoon. Heel eenzaam.
Voor die kinderen was de zomerschool een oplossing. Veel gemeenten organiseren zulke scholen, voor kinderen met leerachterstanden, of kinderen die het thuis niet leuk hebben. ’s Ochtends wordt er gewerkt aan lezen en rekenen, ’s middags zijn er uitstapjes, sport en activiteiten. Veel kinderen vinden het heerlijk. Maar nu staat de financiering ervan onder druk, lees ik. Helaas.
Je kunt betwisten of het eerlijk is dat sommige kinderen sommen maken terwijl anderen mogen spelen, en of die drie weken werkelijk helpen om achterstanden weg te werken. Uit buitenlands onderzoek is bekend dat lange zomervakanties ‘leerverlies’ opleveren, vooral bij kinderen die thuis niet lezen, of kinderen uit arme gezinnen die geen leerzame uitstapjes maken. Mij lijkt de winst van zomerscholen vooral sociaal: kinderen zien hun vriendjes, hebben samen plezier en hun dagen hebben structuur.
Leerachterstanden, sociale problemen en stress van werkende ouders zijn verschillende dingen, al vallen ze soms samen. Toch zijn er oplossingen te bedenken die voor iedereen werken. Waarom de twaalf weken schoolvakantie niet verdeeld in vier keer twee en één keer vier weken? Dan blijft het leerverlies beperkt en de verveling ook.
Werkende ouders zijn daarnaast gebaat bij landelijke arrangementen, toegankelijk en betaalbaar, waarbij school en opvang elkaar aanvullen. Zoals in alle beschaafde landen, waar overheden beseffen dat kinderen, volwassenen en de economie bloeien als ouders zorgeloos naar hun werk kunnen. Bij alle verkiezingen beloven partijen dat, nooit wordt er iets van gerealiseerd. Wat dat betreft zijn we een achterlijk land.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant