Het Zuid-Limburgse Chemelot, een van de grootste chemische industrieclusters van Europa, krijgt klap na klap te verwerken. Wat is de toekomst van het complex?
Er is geen mens te zien op Chemelot Industrial Park, het immense complex van ongeveer zestig chemische fabrieken in Zuid-Limburg. Wie er een rondrit maakt, krijgt de indruk dat het industriegebied ooit is aangezet en sindsdien zonder menselijke tussenkomst al die grondstoffen maakt die onmisbaar zijn voor de moderne samenleving. Of het nu kunstmest is waarmee ons voedsel wordt geproduceerd, de polymeren die in elk denkbaar plastic product zijn verwerkt of de chemicaliën die worden gebruikt in de stoffen voor allerhande kleding.
‘Ja, het is rustig, maar toch werken er op elk moment van de dag en nacht bijna duizend mensen’, zegt Koos van Haasteren, ‘vooral in de controlekamers van waaruit de fabrieken worden aangestuurd.’ De directeur van Chemelot gidst het bezoek langs de blokvormige, soms louter uit buizen en pijpleidingen bestaande constructies. ‘Zo’n fabriek kan wel een paar miljard euro kosten en toch worden bediend door ‘slechts’ een handjevol operators. Pas na een opleiding van drie jaar mag je ergens aanzitten.’
Met ongeveer 8.500 werknemers in de fabrieken en op de onderzoekscampus is Chemelot een zeer grote werkgever in Limburg. Maar het belang van de bedrijvigheid is nog veel groter dan dat cijfer doet vermoeden. Er zijn zo’n 40 duizend actieve bedrijfspassen die toegang geven tot het terrein en op de ‘campus’ zijn dagelijks ongeveer 1.300 studenten te vinden. De tweehonderd bedrijven op Chemelot hebben samen jaarlijks een omzet van 10 miljard euro. Het cluster is daarmee goed voor 30 procent van de Limburgse economie.
Zo bezien bruist, zoals Van Haasteren zegt, ‘het industriële ecosysteem’, dat in 1926 ontstond vanuit de mijnbouw. Maar, hoelang nog?
De laatste maanden volgen berichten over worstelende Chemelot-bedrijven elkaar snel op. Vorige week kondigde pvc-producent Vynova aan dat ze er de brui aangeeft na vijftig jaar op Chemelot. Honderd medewerkers verliezen hun baan. Heftiger nog was een recent bericht van de Financial Times dat de Saoedische plasticproducent Sabic van alle Europese fabrieken zou afwillen. De zogenoemde ‘kraker’, de installatie waarmee Sabic uit aardolie de bouwstenen voor plastics produceert, is een belangrijk hart binnen het cluster. Talloze kleine bedrijven zijn ervan afhankelijk. Tot vorig jaar had Sabic in Geleen overigens twee krakers, daarvan is er inmiddels een gesloten.
En bij die andere grote jongen op het Chemelot-terrein is de situatie al niet heel anders. Het Egyptische kunstmestbedrijf OCI, dat in Geleen ammoniak (voor kunstmest) en melamine (onder meer bestanddeel voor lijmen) produceert, heeft de Chemelot-fabrieken ook te koop gezet.
De onzekerheid die dat met zich meebrengt voor alle bedrijven op Chemelot is groot. Want de kracht van het park, het door de directeur liefdevol geprezen ecosysteem, is direct ook de belangrijkste zwakte. ‘Hier voedt de ene fabriek de andere’, zegt Van Haasteren, terwijl hij met zijn wijsvinger sprongsgewijs chemische stellages aanwijst. ‘Het restproduct van de één is de basisgrondstof voor de productie van de ander. Enzovoort.’
Die hoge efficiëntie leidt tot lagere kosten, minder verspilling en lagere CO2-uitstoot. ‘Pure magie’, zegt Van Haasteren over dat proces. Maar het nadeel is nu ook evident: hoest één bedrijf op Chemelot, dan wordt de buurman verkouden.
Het ontstaan van dit soort clusters is het gevolg van een ‘economische oerkracht’, zegt de Jeroen Hinloopen, hoogleraar industriële organisatie en adjunct-directeur van het Centraal Planbureau. ‘Het zijn de zogenoemde ‘comparatieve voordelen’ die zo’n plek aantrekkelijk maken. Zoals de bomen in Finland voor de papierindustrie. En de Noordzee en rivieren voor Nederland als handelsnatie.’ Maar als een economisch cluster begint af te takelen, betekent dat doorgaans dat er ook iets fundamenteels is veranderd aan die comparatieve voordelen. Vaak komt daarvoor dan weer iets anders in de plaats, weet Hinloopen. ‘Maar voordat het zover is, verdwijnen er wel bedrijven en banen. Dat geeft dus veel onzekerheid.’
Het comparatieve voordeel achter Chemelot begon een eeuw geleden met de ontginning van steenkolenmijn Maurits door De Staatsmijnen (DSM). Daarbij werd een cokesfabriek geopend, om steenkool te zuiveren en ammoniak te winnen, nodig voor de productie van stikstofhoudende kunstmest. Na de Tweede Wereldoorlog groeide de DSM-locatie uit tot het scheikundig onderzoekshart van Nederland en begon de bulkproductie van kunststoffen en vezels, later gevolgd door fijnchemische grondstoffen voor voeding en geneesmiddelen.
Maar begin deze eeuw besloot DSM dat het niet meer kon opboksen tegen internationale producenten van plastic en werd een deel verkocht aan Sabic. Enkele jaren later gingen de kunstmest en melamine afdelingen over naar OCI. DSM heeft inmiddels met het Zwitserse Firmenich een groot concern in producten voor voeding, gezondheid en schoonheid. Het bedrijf heeft geen enkele fabriek meer in Chemelot.
Wie de energie-intensieve industrie de afgelopen jaren een beetje heeft gevolgd, weet dat die sector in Europa qua comparatief voordeel zeker een jasje heeft uitgedaan. Als gevolg van de oorlog in Oekraïne is energie hier aanmerkelijk duurder dan in bijvoorbeeld de VS. De energietransitie die nodig is om Europa klimaatneutraal en onafhankelijk te krijgen, vergt intussen ook grote investeringen. Daardoor stijgen in Nederland snel de kosten voor gebruik van het stroomnet.
Zeker bij de productie van bouwstenen voor kunststoffen is de internationale concurrentie intussen moordend. Chinese en Amerikaanse bedrijven ‘dumpen’ tegen bodemprijzen hun grondstoffen voor plastic en andere kunststoffen op de wereldmarkt. Dat leidde het afgelopen jaar al tot fabriekssluitingen in Duitsland, Frankrijk, Italië en ook Nederland.
Ook met de groene transitie wil het maar lastig vlotten. Zo schiet het niet op met de aanleg van een belangrijke elektriciteitskabel en een pijpleiding. Het trekken van een 18 kilometer lange hoogspanningskabel kost op zich hooguit twee jaar. Maar tussen droom en draad staan vergunningen in de weg en praktische bezwaren. ‘We praten er sinds 2016 over’, stelt Van Haasteren, ‘en hij komt op zijn vroegst in 2032.’ Idem met de pijplijn die tussen Rotterdam en Chemelot CO2, waterstof en ammoniak zou transporteren. ‘Misschien in 2033 en dan alleen CO2 en waterstof.’
De gevolgen laten zich voelen. Zo besloot energieproducent Uniper vorige maand om vooralsnog af te zien van het plan voor een fabriek die zogenoemd ‘syngas’ maakt uit biomassa. Dat gas zou vervolgens kunnen worden gebruikt om onder meer plastics en kunstmest te maken. De onduidelijkheid over toekomstige netwerken en regelgeving leiden tot ‘een ongunstig investeringsklimaat’, stelde topvrouw Dyonne Rietveld van Uniper Nederland in een toelichting op het besluit. ‘Op deze manier gaan we de verduurzaming van de energie niet halen.’
Als het gaat om innovatie heeft Chemelot al twee eerdere grote transities doorgemaakt, benadrukt Van Haasteren. In 1970 sloten de mijnen in Limburg en begin deze eeuw verkocht DSM het hele industriepark bij Geleen in stukjes aan veelal buitenlandse partijen en vormde zich aldus het ‘ecoysteem’ met de bijbehorende campus.
Dat voordeel van veel bedrijven en kennis op één terrein is nog niet weg. Juist die campus is de kans waarover de Chemelot-directeur het wil hebben. ‘We staan nu als samenleving voor een driedubbele transitie: van fossiele brandstof en grondstoffen stappen we over naar elektriciteit, waterstof en biomassa. Hier op de campus komt alle kennis samen om de oplossingen te bedenken die voor deze geweldige uitdaging nodig zijn.’
Echter: de chemische industrie heeft haar imago niet mee. Zo troffen omwonenden in Geleen en Stein vrijdagochtend hun auto’s en tuinen aan met een laagje wit polyethyleen poeder. Gevolg van een storing met een veiligheidsklep. De nabije bevolking wordt zoveel mogelijk bij het wel en wee van het industriegebied betrokken, zegt Van Haasteren. Omwonenden willen, zo is de teneur van verslagen van bewonersbijeenkomsten, betere informatie, milieuonderzoeken kunnen inzien, gehoord worden en meepraten over met name de lucht- en waterkwaliteit.
Milieuorganisatie Natuur en Milieu berichtte eerder dit jaar dat Chemelot met de uitstoot van CO2, lachgas, stikstofoxiden en ammoniak op Tata Steel en Shell Pernis na de grootste schade toebrengt aan de samenleving.
Ook hierachter schuilt wat Van Haasteren betreft het fenomeen dat op Chemelot alles met alles samenhangt. ‘We hebben met honderden bedrijven één overkoepelende milieuvergunning. Dat maakt ons aantrekkelijk, maar voor de buitenwacht zijn we daardoor één bedrijf. Feit is dat we, doordat alle activiteiten hier gebundeld zijn, 15 tot 20 procent minder emissie en grondstoffenbeslag hebben, dan wanneer al die fabrieken op verschillende plekken zouden staan.’
Het streven van Chemelot is om uiteindelijk het eerste klimaatneutrale en circulaire industriegebied van Europa te worden. Op het terrein staan fabrieken die werken met circulair afval, textielrecycling en het terugwinnen van olie uit plastic. Op dezelfde dag dat Vyvona aankondigde te vertrekken, kwam het bericht dat het Rijk 46 miljoen subsidie steekt in een nieuwe installatie die de uitstoot van lachgas van een van de grootste uitstoters van Chemelot met twee derde moet verminderen – een kilo lachgas staat gelijk aan de uitstoot van 250 kilo CO2.
Ook de provincie zit intussen niet stil, Limburg overweegt de grond onder Chemelot te kopen van DSM-Firmenich in de hoop zo verduurzaming van het complex te kunnen stimuleren. Al met al is het voor een opgeteld bedrag van 7 miljard aan investeringen volgens de bedrijven op Chemelot mogelijk om in 2033 75 procent minder CO2 uit te stoten dan in 1990.
Industrie-econoom Hinloopen kan zich voorstellen dat de overheid bijspringt om het cluster naar een volgende fase te helpen. ‘Soms moet je een zetje geven door te investeren in nieuwe infrastructuur.’ Maar intussen waarschuwt hij de politiek om niet te gemakkelijk mee te gaan in ‘de gijzeling’ van industrie die waarschuwt dat er banen en economische groei verloren gaat. ‘Soms past bepaalde bedrijvigheid gewoon niet meer op een plek, dan kun je dat beter op tijd onderkennen.’
Dat DSM al jaren geleden besloot Chemelot over te doen aan Sabic en OCI en dat die bedrijven nu ook weer van de fabrieken af willen, vindt Hinloopen wat dat betreft een veeg teken. ‘Voor een gezond cluster is het van levensbelang dat in elk geval de grote trekkers van het terrein vooroplopen in de wereldmarkt. Kijk naar het cluster van duizenden bedrijven rondom ASML in Eindhoven. Met al die bedrijven gaat het goed, omdat het goed gaat met ASML.’
Terughoudendheid is dan volgens Hinloopen voor de overheid vaak het beste advies. ‘Het behouden van een bestaand bedrijf kan namelijk ook een keuze zijn tégen bedrijvigheid die zal ontstaan als je niet ingrijpt.’ In de praktijk ziet Hinloopen dat terughoudendheid vaak goed uitpakt. ‘De nieuwe bedrijvigheid heeft vaak grotere toegevoegde waarde, omdat die reflecteert wat onder nieuwe omstandigheden op die plek door de economische krachten logisch is.’
Chemelot-directeur Van Haasteren houdt wat dat betreft de moed erin en benadrukt alle kennis die er in Geleen bijeen is. Allemaal knappe koppen met ideeën om duurzaam en circulair de grondstoffen te maken die iedereen nodig heeft. ‘Zonder onze producten zit je naakt op een fiets zonder banden en remmen. Zonder ons valt elke auto en elke keuken uit elkaar. We zijn onmisbaar, het enige punt is dat we dat op de een of andere manier moeten overbrengen.’
Luister hieronder naar onze nieuwspodcast de Volkskrant Elke Dag. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Wilt u belangrijke informatie delen?
Mail naar tips@volkskrant.nl of kijk op onze tippagina.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant