Ben ik wel een echte Nederlander als ik niet elk jaar ‘ff wegga’? Aangezien dit geen tijden zijn om met je Nederlanderschap te spelen, bedacht ik een polder-pragmatische oplossing voor mijn vakantieloze zomer: we doen de vier zomercolumns gewoon in het thema vakantielanden!
Gelukkig heeft het eerste land dat me inspireert geen verdere introductie nodig. Ik noem het een land, maar zolang ik er nog niet ben geweest, is het een droom - zoals een ander misschien droomt van een homogeen wit Nederland. Mijn droomland is iets inclusiever, en eigenlijk heb ik het allang bezocht: via zijn literatuur, zijn muziek en vooral via zijn mensen. Talrijk als de bomen in het Surinaamse binnenland zijn de Surinamers in mijn leven.
In groep 6 kreeg ik een klasgenoot die vers vanuit Paramaribo instroomde. Hij leerde ons Surinaamse kinderliedjes én vuig volwassen gescheld. Ik keek naar hem op, al wist ik niet of ik specifiek hém wilde zijn of in het algemeen een Surinamer - want hoewel we dezelfde huidskleur hadden, had hij alles wat ik van mijn Ghanese ouders niet mocht: oorbellen, gevlochten haren. 10 waren we pas, en toch al eeuwen met elkaar verbonden via het Nederlandse slavernijverleden. Helaas moesten we na groep 8 alweer adjossi tegen elkaar zeggen, want we gingen allebei naar een andere school.
Op de middelbare school raakte ik bevriend met een Hindostaanse Surinamer. Onze verbinding lag in ons gedeelde heden: jongens uit de Bijlmer die probeerden te overleven in Amsterdam Oud-Zuid. ‘We kunnen buigen, maar niet breken’, zei hij toen ik in vwo 5 bleef zitten en bij hem in de klas kwam. Samen blokten we na schooltijd terwijl anderen naar dure bijlessen gingen. Samen gingen we over, samen slaagden we. En in ons jaarboek schreven we hetzelfde over elkaar: van maatjes werden we meer dan matties.
Mijn liefde voor Suriname wordt volgend jaar zomer bezegeld. In de gerechten van de vrouw met wie ik trouw, proef je snufjes zout uit alle zeeën die haar uiteenlopende voorouders overstaken op weg naar Suriname. Onlangs kreeg mijn verloofde een nichtje en dát mensje is al helemaal een kruidenmix uit de wereldkeuken. Via vaderskant is ze zo Nederlands als de Rijn vanaf Lobith. Via moederskant is ze een nieuwe vertakking van de veelarmige Surinamerivier.
Wat Surinamers mij gaven, wil ik doorgeven aan mijn nichtje. Opdat haar hart voor Suriname moge kloppen als een eeuwig drummende brassband. Mijn Suriname-droom komt uit wanneer zij kan praten en als eerste zegt: ‘Sranang, mi lobi yu!’ Maar stiekem ben ik nog trotser als haar eerste woordjes zijn: ‘Oom Dan, mag ik ook Ghanees zijn?’
Source: Volkskrant