Home

Waar schrijf je over als je kanker hebt? ‘Ik vond dat mijn baarmoeder een personage moest worden’

De deelnemers aan schrijfcursus Writing the Gap hebben kanker, of hebben dat gehad. Schrijven over hun ziekte kan veel opleveren. ‘Schrijvers zijn vaak buitenstaanders die hun omgeving observeren, de deelnemers zijn door hun ziekte buitenstaanders geworden.’

is columnist en verslaggever bij de Volkskrant. Voor Volkskrant Magazine schrijft hij geregeld interviews en reportages.

Op het eerste gezicht lijkt het een doodgewone schrijfcursus. Zes jonge vrouwen en een man aan een lange tafel, laptops opengeklapt, opschrijfboekjes ernaast. Een docent, schrijver Elke Geurts, bespreekt de verhalen van de deelnemers, moedigt hen aan elkaars werk te becommentariëren. Technische ingrepen komen aan bod. Een verhaal is naar de tegenwoordige tijd verplaatst, een ander is stevig ingekort. Werkt het? Zijn ze beter geworden? En zo ja: waarom?

Maar Writing the Gap is geen gewone cursus. De deelnemers hoeven geen ervaring met schrijven te hebben. Sommigen hadden nog nooit iets op papier gezet, anderen schreven alleen posts op Facebook of Instagram. De een droomt ervan ooit een roman te publiceren, voor de ander is de cursus vooral een vorm van therapie. Het enige wat ze met elkaar gemeen hebben, is dat ze allemaal jong zijn en kanker hebben, of hebben gehad. En dus is het geen verrassing dat veel van hun verhalen zich afspelen in ziekenhuizen en doordesemd zijn van angst, twijfel en verdriet.

Toch is de sfeer vrolijk, bijna uitgelaten. De groep heeft gaandeweg een naam gekregen: Prima is het nieuwe kut. De band die ze met elkaar hebben opgebouwd, is ook voor een buitenstaander meteen voelbaar. Hier is niemand beschroomd om aspecten van het ziek zijn te bespreken die ze met de buitenwereld soms moeilijk kunnen delen. Iedereen is op de hoogte van elkaars wel en wee, want tijdens de cursus ging het allemaal gewoon door; doktersafspraken, scans, nieuwe tegenslag of juist goede uitslagen.

Vandaag is de laatste van acht lessen. De verhalen zijn zo goed als af, iedereen heeft een fragment uitgekozen om voor te lezen tijdens een afsluitende voordrachtavond. Daar zullen ze ook de deelnemers van de andere twee schrijfgroepen ontmoeten. Lachend vragen ze zich af of het publiek het wel aan zal kunnen, 21 verhalen waarin ellende de boventoon voert. ‘Daarom stel ik voor om te eindigen met Yoni’s verhaal over de bucketlist’, zegt Elke Geurts. ‘Dat heeft zo’n hoopvol slot.’

Yoni spreidt grijnzend haar armen. ‘Ik heb genoeg hoop voor de héle wereld.’

Writing the Gap is een initiatief van de F|Fort Foundation, een stichting die zich inzet voor jongvolwassenen met kanker. Met kunstprojecten hoopt de stichting bij te dragen aan bewustwording van de specifieke problemen waarmee deze groep kampt. Tegelijkertijd zijn die projecten een manier om het contact tussen lotgenoten te bevorderen. In het verbeelden van het ‘onzegbare’ vinden ze troost en herkenning.

Rode strepen

Voor de docenten was het even schakelen. Elke Geurts, Gilles van der Loo en Sytske van Koeveringe geven al jaren les op de Schrijversvakschool. Daar draait het meestal om het creëren van fictieve personages, nu begrepen ze wel dat hun leerlingen niet om hun ziekte heen zouden kunnen. Het doel van de cursus was niet zo eenduidig als ze gewend zijn.

‘Vooraf vroeg ik me af of ik wel kritiek zou durven leveren’, zegt Van der Loo. ‘Vanuit het idee: deze mensen hebben al zo veel voor hun kiezen gekregen. Ik dacht: we zien het wel. Als ze alleen maar slechte gedichten willen maken of sec verslag willen doen van hun ziekteproces, dan zal ik ze daarbij helpen. Maar iedereen stond er juist enorm voor open om meer de verbeelding in te duiken, en zich echt te richten op wat uiteindelijk het beste verhaal zou opleveren. Als ze hun tekst dan van me terugkregen met veel opmerkingen en rode strepen, reageerden ze heel relaxed. Niemand liep vast op kritiek, terwijl ik dat bij de Schrijversvakschool geregeld heb meegemaakt. Ik zei een keer hoe stoer ik dat vond, en toen moesten ze lachen. Joh, zeiden ze, als jij denkt dat dit slecht nieuws is... Met alles wat wij hebben meegemaakt, kijken we echt niet op van wat rode strepen in een tekst.’

Ook Elke Geurts was regelmatig verrast door haar groep: ‘Ze hebben over het algemeen minder ervaring dan cursisten op de Schrijversvakschool, maar minstens zoveel talent – al zit ’m dat misschien in andere dingen. Het klinkt gek, maar ze hebben ook veel mee. Schrijvers zijn vaak buitenstaanders die hun omgeving observeren, zij zijn door hun ziekte buitenstaanders geworden. Ze hebben automatisch iets te zeggen, en durven dat vaak ook, want als je kanker hebt, begrijp je denk ik toch iets beter wat belangrijk is in het leven. Dus kom je sneller tot de kern. En ze werken hard, want sommigen weten niet hoeveel tijd ze nog hebben.’ Ze lacht. ‘Nou ja, wat wil je eigenlijk nog meer? Behalve dan geen kanker.’

Gedonder met een drain

In haar lessen probeerde Geurts zoveel mogelijk de lichtheid op te zoeken. ‘In het begin zaten er veel medische details in de verhalen. Ik begrijp natuurlijk dat die voor hen enorm belangrijk zijn, maar toch zag ik het als mijn taak om ze daar een beetje vandaan te trekken. Medische zaken zijn voor de buitenwereld nogal saai en ingewikkeld, er zijn betere manieren om je verhaal te vertellen. Bovendien: ík moest het wel snappen. Als iemand schreef over gedonder met een drain, zaten ze allemaal instemmend te knikken, maar ik heb daar niet echt een beeld bij. Dan vroeg ik ze om dat heel precies en zintuiglijk te beschrijven, of weg te laten. Zo kwamen we gaandeweg uit bij de andere kanten van hun verhaal. En gek genoeg waren dat, ondanks alle ellende, vaak de grappige aspecten. We hebben echt ontzettend veel gelachen.’

Neem het verhaal van Yoni van Dam-Horbach uit Purmerend, De Voltooide Bucketlist. Toen zij elf jaar geleden kanker kreeg, werd ze meteen opgegeven. ‘De artsen zeiden dat ik waarschijnlijk het einde van de zomer niet zou halen. Maar ik moest heel snel aan een van de heftigste chemokuren die er zijn. Nou: totale paniek natuurlijk. Ik was pas 24. Dus wat deden mijn familie en mijn vrienden uit het dorp? Die gingen onmiddellijk alles regelen wat er op mijn bucketlist stond. In één week heb ik in een Lamborghini gereden, in een Ferrari, ik ging parachutespringen en heb ook nog een luchtballonvaart gemaakt. Superlief, en ik genoot er ook van, maar tegelijkertijd dacht ik: waar ben ik in godsnaam mee bezig? Waarom zit ik niet thuis op de bank met mijn vriend, om me voor te bereiden op wat komen gaat? En nou ja, toen ging ik dus niet dood.’

Goed nieuws natuurlijk, maar ook een ‘enorme mindfuck’. Ze had haar wensen voor haar crematie al kenbaar gemaakt. Toen ze er tijdens de schrijflessen over vertelde, zei Geurts: volgens mij zit daar je verhaal. ‘En dat was een hele goede tip, want zo kon ik met een omweggetje vertellen wat me was overkomen, en werd het vanzelf minder zwaar. Ik concentreerde me op het bizarre ervan en heb ook geschreven over het ongemak dat ik soms voelde tegenover alle mensen die zulke lieve dingen voor me hadden geregeld. Schuldgevoel is een groot woord, maar toch...’ Op het eind van haar verhaal komt ze de buurman tegen die haar de ballonvaart cadeau deed. Memorabele slotzin: ‘Ze denkt dat hij heus blij is dat ze nog leeft.’

De artsen zeiden dat ze een medisch wonder was. ‘Maar dat was te vroeg gejuicht. De ziekte is nog een paar keer teruggekomen. Ik sta nog steeds onder strakke controle, en het is elke keer weer spannend. Mede daarom vond ik het ontzettend fijn om mee te doen aan deze cursus. Het is heel mooi om de ellende te kunnen delen en tegelijkertijd te leren hoe je je gevoelens beter op papier kunt zetten. Op mijn Instagramaccount ‘de reizende patiënt’ schrijf ik al jaren over mijn ziekteproces, en ik merk echt wel een verschil.’

Een manier om bezig te blijven

De F|Fort Foundation is het geesteskind van Floor van Liemt (1997 - 2021), die acht jaar geleden, op haar 20ste, te horen kreeg dat ze uitgezaaide longkanker had. Een zeldzaamheid, op die leeftijd. Kort na de diagnose raadde een psycholoog haar aan om haar ervaringen met de ziekte op te schrijven. Haar verhalen verschenen als columns in NRC en werden de basis voor haar boek Witte Raaf.

Haar moeder, Alexa Gratama, zag hoeveel het schrijven haar dochter opleverde. ‘Het gaf haar een beetje grip op haar gevoelswereld, in een tijd waarin ze die grip door haar ziekte grotendeels was kwijtgeraakt. Hoe communiceer je met je vrienden over het leven waarin je plotseling bent beland? Door die stukjes kon ze in haar eigen woorden vertellen over alles wat ze meemaakte, en wist iedereen precies waar ze stond. Leven met kanker is voor jongvolwassenen vaak veel complexer dan voor mensen die hun leven al helemaal op orde hebben, met een gezin en een baan en een koophuis. Als je single bent, hoe doe je het dan met daten? Vertel je het meteen, of juist niet? Over dat soort dingen schreef ze ook. Zo kon ze laten zien dat ze niet alleen patiënt, maar ook nog gewoon Floor was, iemand die graag vileine grappen maakte. Het was ook een manier om bezig te blijven, want als kankerpatiënt heb je veel tijd die je moet zien te vullen, omdat je anders maar in je eigen hoofd aan het rondmalen bent.’

Ze genoot van de aandacht die ze door haar columns kreeg, zegt Gratama. ‘Floor was een podiumdier, had een grote behoefte om gezien te worden. Wat uiteindelijk ook meespeelde, was dat ze het belangrijk vond om iets na te laten. En ze dacht graag groot.’

In 2019 richtte ze de stichting op, met assistentie van haar moeder. ‘Het idee kwam voort uit het besef dat de zorgwereld totaal niet was ingericht op mensen van haar leeftijd. Met longkanker zit je in wachtkamers tussen zeventigers bij wie je aan de stem al kunt horen dat ze hun hele leven hebben gerookt. De artsen hebben over het algemeen geen idee van wat er speelt als je jong bent. Zorgen over je vruchtbaarheid bijvoorbeeld. Toen Floor op het punt stond om met chemotherapie te starten, was ze zelf degene die moest vragen: wat heeft dat voor effect op mijn eitjes?’

‘Daar had niemand aan gedacht, want de gemiddelde longkankerpatiënt is ver voorbij de leeftijd waarop je kinderen kunt krijgen. Van sommige medicijnen kreeg ze bijwerkingen die de artsen niet hadden voorzien, omdat ze veel meer impact hebben op een jong lichaam met een snelle celgroei. Dan zat ze opeens onder de pukkels, of blies ze helemaal op. Ze was best ijdel, dus zulke dingen vond ze bijna erger dan die ziekte. Maar in het ziekenhuis was nergens een loket waar ze met zulke problemen terechtkon. Gelukkig is er in de tussentijd een hoop verbeterd, en ik mag graag denken dat de stichting daar indirect aan bijdraagt.’

Verbonden met Floor

Toen Floor van Liemt vier jaar geleden overleed, nam haar moeder het stokje over. Ze zette haar eigen werk – ze is rechter – op een lager pitje en bouwde de stichting verder uit. De vraag waarom hoeft niet te worden gesteld, maar ze beantwoordt hem toch. ‘Het klinkt een beetje spiri, en zo ben ik eigenlijk niet, maar toch: het geeft me het gevoel dat zij hier nog steeds naast me zit. En in zekere zin voel ik me haar stem.

‘Toen duidelijk was dat Floor het niet ging overleven, zeiden veel mensen tegen haar: wat verschrikkelijk, want je bent nog zo jong. Daar had ze veel last van. Ze vroeg zich af: wie bepaalt eigenlijk dat je oud moet worden om een afgerond en ‘kloppend’ leven te hebben geleid? Of anders gezegd: wanneer is kort lang genoeg? Daar wilde ze nog graag een documentaire over maken, maar dat heeft ze niet meer gered. Dus toen heb ik er zelf in NRC een stuk over geschreven.’

Tijdens de schrijfcursus zingt Floors naam nadrukkelijk rond. Bij de eerste bijeenkomst kregen alle deelnemers een exemplaar van Witte Raaf. ‘Ik voelde me onmiddellijk met haar verbonden’, zegt beeldend kunstenaar en voormalig bakker Anouk Buntsma (32). ‘Zij geloofde in de helende kracht van kunst, net als ik. En dankzij Floor hebben wij nu allemaal een kans om gehoord te worden, om te verwerken, om te verbinden met anderen.’

Twee jaar geleden werd ze gediagnosticeerd met baarmoederhalskanker. Het was het begin van een uitputtend traject van bestralingen en chemo. Het was ook het begin van een nieuw leven, waar ze niet om had gevraagd, maar wel iets mee moest. ‘Je zit ineens veel op de bank, tijd te doden tot de volgende afspraak of uitslag. Je voelt je plots veel ouder dan je bent, bent te moe om ’s avonds nog wat met je vrienden te doen. Ik wilde heel graag iets maken, iets creëren.’

Dus begon ze aan een kunstwerk dat ze ‘Antidota’ noemde; drie wandkleden die voor een groot deel bestaan uit spullen waarmee ze door haar ziekte in aanraking kwam – formulieren, zakjes, lege pillenstrips. ‘Dat heeft me een tijdje op de been gehouden. Maar toen hoorde ik over deze schrijfcursus en ben ik me daar helemaal op gaan toeleggen.’

Een surrealistische vorm

Ze meldde zich aan in een opwelling, geschreven had ze nog nooit. Toch wist ze al tijdens een van de eerste lessen waar ze naartoe wilde met haar verhaal: haar baarmoeder moest een personage worden. ‘Ik vond dat zij ook wat te zeggen had’, zegt ze lachend. ‘Voor mij draaide het schrijfproces niet zozeer om het krijgen van kanker, maar om het verliezen van mijn vruchtbaarheid. Dat ik durfde op te schrijven hoeveel pijn ik daarvan heb, was voor mij een grote stap. Het werd makkelijker toen ik daar een surrealistische vorm voor had gevonden. Dan kijk je de pijn recht in de ogen, maar zit er toch afstand tussen jou en je verhaal. Dat zag ik ook bij de anderen: als je het te direct opschrijft, wordt het snel te heftig.’

Tot haar spijt moest ze vaak eerder weg tijdens de lessen, om in het ziekenhuis een hyperbare zuurstoftherapie te volgen – een behandeling die mogelijk de schade van de bestralingen enigszins kan herstellen. ‘Dan zat ik uren in een enorme tank, met een masker op. Potlood en papier was het enige dat ik mee mocht nemen, dus ik heb mijn verhaal deels daar geschreven.’

Door de vorm die ze had gevonden ontstond er ruimte voor de woede die ze soms voelt, en die moeilijk met de buitenwacht te delen is. ‘Als je net kanker hebt, wil je maar één ding: niet doodgaan. Maar ik weet nog goed dat ik in het ziekenhuis voor het eerst te horen kreeg dat de ziekte in remissie was. Geweldig nieuws, mijn moeder was superblij. En ik ook natuurlijk, maar toen ik daarna voor de deur op een bankje ging zitten, werd ik eigenlijk meteen al boos. En nu?, dacht ik. Wat moet ik nu gaan doen? Ik heb geen baan, geen relatie, geen huis, kan geen hypotheek krijgen. Eigenlijk moet ik helemaal opnieuw beginnen, en ondertussen ben ik nog steeds doodmoe.’

Aan die situatie is sindsdien niet veel veranderd, aan haar gemoed wel. ‘Ik heb meer liefde voor mezelf gekregen. Dat heeft echt te maken met deze cursus. Het schrijven, maar ook het deel uitmaken van een groep waarin iedereen elkaar begrijpt en je niets hoeft uit te leggen, gaf me een veilig gevoel. We zijn allemaal nog volop bezig met het ontwikkelen van onze identiteit en daar werd door de ziekte keihard een streep doorheen gezet. Dat is verschrikkelijk kut, maar het wordt iets minder erg als je er samen doorheen kan. Ik had nooit verwacht dat het zoveel zou bijdragen aan mijn herstel.’

Het duurde even voordat ze ervan overtuigd was dat haar verhaal het waard was om te worden verteld. Nu hoopt ze dat veel mensen het zullen lezen. ‘Misschien draagt het een beetje bij aan iets meer begrip en iets minder eenzaamheid voor andere vrouwen die dit meemaken. Zoals ik ook veel steun heb gevonden in podcasts en boeken zoals dat van Floor.’

Zo groot als het hoofd van een baby

Voor aardwetenschapper Margit van der Werff (28) was schrijven altijd al een liefhebberij. ‘Maar toen ik ziek werd deed ik het alleen nog op de momenten dat ik me het allerslechtst voelde, en na een tijdje ging ik het schrijven daarmee associëren. Dat wilde ik graag veranderen met deze cursus, kijken of ik wat meer de luchtigheid kon opzoeken.’

Vijf jaar geleden kreeg ze botkanker in haar linker bekken, waarvoor ze bijna twintig operaties moest ondergaan. Sindsdien is haar linkerbeen wat korter dan het andere en loopt ze met een kruk. Hoe het afloopt is ongewis. Lange tijd kampte ze met schaamte over haar ziekte, zegt Van der Werff. ‘Iets waarvan iedereen zegt: wat een onzin. Maar kennelijk zit het in mijn karakter. Ik ben van nature iemand die niet veel ruimte in wil nemen. Ik schaamde me bijna voor het feit dat ik kanker had, daarna schaamde ik me omdat ik nu door het leven ga met een handicap.’

Lastig, want er gaat haast geen dag voorbij of iemand vraagt ernaar. Ben je gevallen? Heb je je enkel gekneusd? ‘Dan zei ik altijd: ik ben ernstig ziek geweest. De zin ‘Ik heb botkanker gehad’ heb ik lang niet kunnen uitspreken. De schrijflessen hebben me daar vanaf geholpen. Letterlijk: nu staat het op papier, en op de voorleesavond zal ik het hardop zeggen: ik had een tumor in mijn bekken, zo groot als het hoofd van een baby. Dat is wat het is. Ik ben het gewoon meer gaan ownen.’

Hoe zoiets werkt? ‘Poeh, dat weet ik niet precies. Er was natuurlijk de geborgenheid van de groep, waar ik sowieso die schaamte niet voelde. Ik vroeg een keer aan Elke: wie zit er eigenlijk op onze verhalen te wachten? Waarop zij zei: als iedereen zo dacht, werd er nooit meer wat geschreven. Dat vond ik een mooi antwoord. En ik heb ook veel gehad aan de opdrachten die ze ons gaf. Eén keer kregen we tien minuten de tijd om alles op te schrijven wat we die week ontzettend stom hadden gevonden. Niet de grote problemen, maar de kleine ergernissen. Na een tijd waarin alles zwaar en donker was geweest, was dat voor iedereen een opluchting. Een soort hernieuwde kennismaking met het alledaagse, waaruit grappige verhalen ontstonden.’

Vaak wordt gezegd dat jonge mensen met kanker een achterstand oplopen, wat natuurlijk zo is. ‘Maar ik heb ook het gevoel dat ik juist een voorsprong heb’, zegt Van der Werff. ‘Ik heb dingen gemist, ben een zekere onbevangenheid kwijtgeraakt. Maar tegelijkertijd heb ik nu al ondervonden dat het leven niet alleen maar leuk is. Iets waarvan ik bij leeftijdsgenoten soms denk: dat gaan jullie vroeg of laat ook ervaren, op welke manier dan ook.’

Zo bezien is het een bron waaruit je kunt putten, ook bij het schrijven. ‘Binnenkort ga ik naar Frankrijk voor een nieuwe schrijfcursus, maar dan een ‘normale’. Ik barst van de ideeën voor verhalen, die vaak wel met mijn ziekte te maken hebben, maar niet direct.’

In een van die verhalen zal zeker een schoenmaker opduiken. ‘Ik heb altijd een grote liefde voor schoenen gehad. Toen ik ziek werd, zei mijn arts: daar zou ik maar een beetje afscheid van nemen, want na de behandeling zal je aangepast schoeisel moeten dragen. Maar nu heb ik deze man gevonden, die niet alleen elke schoen zo kan verbouwen dat ik er op kan lopen, maar ook gewoon geweldig is. De eerste keer dat ik er was, zette hij zijn machines uit en hebben we lang zitten praten. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat zoiets gebeurt omdat ik er eindelijk weer voor opensta.’

De tijd dringt

De lichtheid opzoeken is een verlangen dat alle cursisten delen. Maar voor sommigen is het belangrijk om dat wat ‘onzegbaar’ is, toch te zeggen. Emma Brinkhuis (30) weet dat ze niet meer beter zal worden. Haar tijd dringt. Tijdens de laatste les bij Van der Loo kreeg ze het even te kwaad. ‘Ik wilde gewoon niet dat het stopte’, zegt ze.

Brinkhuis is arts. In het Radboud Ziekenhuis waar ze ooit stage liep, werd ze later behandeld. ‘Nu werk ik niet meer, dus ben ik vaak zoekende hoe ik mijn leven toch nog zinvol kan inrichten. Schrijven is iets waarbij ik die zin ervaar. Ik hou erg van mooie woorden, mooie zinnen. En ik voel de behoefte om nog iets te máken, iets achter te laten. Ik denk dat dat voortkomt uit de angst om vergeten te worden. Alles wat ik nog op papier kan zetten blijft, ook als ik er niet meer ben. Maar als ik thuis in mijn eentje zat te schrijven, dacht ik vaak: wat heeft het voor zin? Deze cursus gaf structuur; ik moest elke week vanuit Nijmegen naar Amsterdam reizen. En natuurlijk was het ook een stok achter de deur om toch weer achter die laptop te kruipen.’

Ze is van nature prestatiegericht, zegt ze. ‘Het was altijd mijn droom om een boek te schrijven, maar ik denk niet dat dat er nog van gaat komen.’ Dus kieperde ze al haar gevoelens in het aangrijpende verhaal Mijn Tweede Leven. Daarin heeft de hoofdpersoon ontmoetingen met haar jongere zelf, een meisje met een kaal koppie. Ze herkennen elkaar aan het knuffelbeest dat ze vasthoudt. ‘Als kind heb ik ook kanker gehad’, zegt Brinkhuis. ‘Maar daar ben ik toen van genezen.’ In het verhaal vraagt haar personage zich af of ze het meisje moet vertellen dat de ziekte zal terugkeren, maar pas 24 jaar later, zodat ze de jaren daartussen zonder angst kan leven. Of is het beter om te zwijgen, zodat ze kan blijven dromen over een zorgeloze toekomst? Daar tussendoor speelt het geluk én het verdriet van een liefdesrelatie die niet voor altijd zal zijn. ‘Hij zal broze oudemannenknieën krijgen die ik nooit zal strelen’, schrijft ze, ‘grijze haren die ik niet zal zien.’

Zonder de cursus was het verhaal er waarschijnlijk nooit gekomen. ‘Ik denk dat je sneller de diepte ingaat als je gezamenlijk aan iets werkt dan wanneer je gewoon samenkomt met lotgenoten. Door de verhalen van de anderen kwamen er veel gevoelens los. Dat inspireerde me. Ook heb ik veel gehad aan het commentaar van Gilles.’

Korter, was zijn devies. ‘Soms had hij zoveel tussen haken gezet dat ik er chagrijnig van werd. Dan dacht ik: hállo, zo blijft er geen kloot van over. Maar telkens moest ik toegeven dat het er beter van werd. Eigenlijk wilde ik mijn hele ziektegeschiedenis bespreken. Uiteindelijk hielp het juist om dingen weg te laten, meer afstand te nemen en het iets minder autobiografisch te maken. Terwijl het in grote lijnen toch mijn verhaal bleef.’

Sinds de cursus schrijft Brinkhuis weer elke dag. ‘Het geeft me voldoening, het maakt me nu minder uit of de buitenwereld het zal lezen. Maar ik mis de lessen wel. Gelukkig hebben we nog veel contact met elkaar. Ik zou het leuk vinden om een feedbackclubje op te richten. En als er een vervolgcursus komt, meld ik me meteen aan.’

One of the girls

Maar eerst is er het nu. Een volle zaal in de Amsterdamse Tolhuistuin, de schrijvers op de eerste rij. Brinkhuis beklimt het podium in haar mooiste jurk, Van der Werff draagt een paar indrukwekkende laarzen, waarvan er eentje door de Friese schoenmaker van een dikkere zool is voorzien.

Tijdens de 21 verhalen is het doodstil. Samen geven ze een beeld van kanker in al zijn ellendige veelkoppigheid. Dromen die zijn vervlogen, lichamen die niet meer werken als voorheen, jonge moeders die hun kinderen moeten vertellen dat ze ziek zijn, de wanhoop van ouders. Overal flitsen blikken van herkenning. Er vloeien tranen, zowel op het podium als in de zaal. Elke lach die opklinkt verdient het predicaat ‘bevrijdend’.

Na afloop staat Jasper Molenaar (38) bij de bar. Op zijn gezicht is een mengeling van opluchting en trots te lezen. Hij is een opvallende verschijning in dit gezelschap. Een grote, stoere kerel die lang beroepsmilitair is geweest, onder meer in Afghanistan. ‘Als je mij tien jaar geleden had gezegd dat ik ooit mee zou doen aan een schrijfcursus als deze’, zegt hij, ‘dan had ik je volle bak in je gezicht uitgelachen. Praten over je gevoelens? In een groep met alleen maar vrouwen? Echt: ga weg. Maar het is fijn dat je tegenwoordig als man ook kwetsbaar mag zijn.’

Op zijn 30ste werd bij hem een zeldzame GIST-tumor in zijn darmen ontdekt, drieënhalf jaar geleden hoorde hij dat het ongeneeslijk was. ‘Niet lang daarna zat ik bij mijn moeder in de tuin en hadden we het over de vraag: wat wil je nalaten? Nou ja, ik denk niet dat er een straat naar me vernoemd gaat worden, maar ik kan wel opschrijven wat er allemaal met mij is gebeurd, zodat anderen dat kunnen lezen.’

Maar hoe? In Afghanistan hield hij een blog bij, maar schrijven over emoties, diepere lagen aanboren – dat was nieuw voor hem. ‘De cursus leek me een mooie kans om het te leren. Ik heb me er helemaal in gestort. En door te schrijven heb ik ook beter leren praten. Mijn psycholoog zegt dat ik echt progressie heb gemaakt wat betreft het delen van mijn verhaal.’

Dus probeert hij door te schrijven, ook nu de cursus is afgelopen. Wat het doel is, weet hij niet precies. ‘Ik fantaseer weleens over een boek, want ik heb nog veel meer nare dingen meegemaakt die ik kwijt zou willen. Maar dat is voor mijn gevoel nog ver weg. Ik ben ook zeker nog niet uitgeleerd, ik zou me meteen aanmelden als er een vervolgcursus komt.’

Tegelijkertijd, zegt hij, is er altijd een spanningsveld als je weet dat de tijd die je rest beperkt is. ‘Ik leef nú, en ik moet vrij veel van mezelf. Er zijn weken die ik ramvol plan en ik heb ook nog een drukke baan. Het is moeilijk om tijd te vinden om te schrijven als je van jezelf ook nog eens hard moet genieten van iedere dag. Mijn partner zegt vaak: je kan ook wat minder doen. Maar het blijft zoeken.’

Morgen reist Molenaar af naar Den Haag, waar hij als reservist de Navo-top zal bewaken, nu kijkt hij met vertedering naar het groepje jonge vrouwen dat hij de afgelopen maanden zo goed heeft leren kennen. Gelukkig hebben ze nog steeds veel contact met elkaar, zegt hij. ‘Ik vond het ontzettend fijn dat ik one of the girls mocht zijn.’

De verhalen van Writing the Gap zijn na de zomer te lezen op www.ffortfoundation.nl. Hier vind je ook informatie over de andere kunstprojecten van de stichting.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next