Home

Mijn persoonlijke vete met die genadeloze kale berg

Mont Ventoux De Mont Ventoux veranderde voor NRC-redacteur Thijs Niemantsverdriet in de loop der jaren van een vriend in een vijand. Nu probeert hij het, met alles wat de wielrenner tegenwoordig ter beschikking staat, nog één keer.

Alles is mogelijk

Ademhaling, het zoemen van de banden, zo nu en dan het geluid van een vogel. Meer valt er niet te horen op het asfalt. Het is zeven uur in de ochtend, in het bos van de Mont Ventoux.

Een half uur geleden ben ik begonnen aan de klim. Bij de rotonde in Bédoin, het dorp aan de voet van de berg, heb ik een gelletje met cafeïne genomen en een slok water. Ik heb een zucht geslaakt en mijn schoentjes in de pedalen geklikt. Hup, gáán.

De eerste kilometers gaan flauw omhoog, langs akkers en wijngaarden en dorpjes. Drie, vier, vijf procent. Dan, bij het laatste plukje huizen, volgt een scherpe bocht naar links – en begint het bos. Meteen is het steil.

In een ritme komen, dat is de crux. Ritme, cadans, voldoende kracht op de pedalen maar niet te veel. Af en toe een slokje uit m’n bidon of een blik op mijn fietscomputer. Gaan staan, gaan zitten. En hopen dat het komt, dat gevoel in je benen dat alles mogelijk is.

Op 2 augustus 1993 beklom ik voor het eerst de Mont Ventoux. Ik was vijftien jaar oud en op fietskamp in de Ardèche. Op de een-na-laatste dag zei een van de groepsleiders, een energieke Fries: „Ik ga morgen de Ventoux op, wie gaat er mee?”

Natuurlijk ging ik mee. De naam van de berg zoemde al een week rond. De Ventoux moest iets magisch zijn, een grote kale berg in de Provence waar zelfs profrenners schrik van hadden. 21 kilometer lang. Er was ooit een wielrenner gestorven, bezweken aan de hitte en verboden middelen.

In de vroege ochtend aten we met zes kampgangers pasta op de camping. Het was nog donker. We reden in de laadruimte van ons busje naar de Ventoux. In Bédoin stapten we op onze fietsen: stalen mountainbikes met dikke banden.

Later dat jaar deed ik verslag van de Ventoux in de schoolkrant. Als ik het verhaal nu teruglees, zie ik hoe onervaren ik was, met geen enkel benul van gewicht bergop. Maar liefst drie bidons had ik op mijn fiets, „twee op m’n frame, en één aan de linkerpin van m’n voorvork. Verder heb ik onder het zadel van m’n Giant-mountainbike een plastic zakje met brood hangen.”

Ik kwam boven. In precies twee uur, zonder rustpauze. En wat hád ik genoten onderweg. De stilte in het bos, het zoeken naar de limiet, de gespannen verwachting van wat zou komen, de euforie toen ik op de top stond. En daarna een razendsnelle afdaling – zonder helm, want die hadden we niet mee op kamp.

Die twee uur in 1993 vormden het begin van een levenslange liefde voor bergop fietsen. Later die zomer kocht ik mijn eerste racefiets, een witroze Giant met versnellingen op de diagonale buis. Ik toog naar de Alpen, de Ardennen, de Dolomieten, de Vogezen. Vanaf toen zou mijn hart een paar slagen sneller gaan kloppen als ik ergens een weg omhoog zie gaan.

Het bos

Ineens flitst de zon door de bomen, recht in mijn gezicht. Ik zie niets meer, moet mijn hand boven mijn ogen houden. Een flauwe bocht naar rechts en ik rijd weer in de schaduw.

Het is koel in ‘het bos’, zoals het onder Ventoux-kenners heet. Veel koeler dan gedacht. Gisteren was het 38 graden in Bédoin, voor vandaag is 41 voorzien: de warmste dag van het jaar tot nu toe. Maar toen we vanochtend om kwart voor vijf opstonden om havermout te eten (we zijn hier met een groepje van zes), wachtte ons een aangename verrassing: het had geregend. Clementie in de vroege uren van de dag.

Ik zie een paaltje: Mont Ventoux, 14 kilometer te gaan. Die paaltjes – wit met geel – staan bij iedere kilometer, maar ik ben zo geconcentreerd op mijn ritme en ademhaling dat ik ze telkens mis. Ik zit al op een derde.

Het paaltje geeft ook de stijging in de volgende kilometer: tien procent. Dit is het gevreesde middenstuk. Het bos is het meest genadeloze segment van de klim: onafgebroken steil. Hier doen de benen áltijd pijn – rustig rijden is onmogelijk.

Op de Mont Ventoux keerde ik, met tussenpozen, steeds weer terug. In 2002 reed ik omhoog in een zware regenbui – en verbeterde mijn tijd met twintig minuten. Drie jaar later was ik er weer, na een week in de Franse Alpen. Opnieuw was het weer slecht. Het maanlandschap was verlaten en koud, door de regen en mist kon je hooguit vijf meter vooruitkijken. Ik ging als een raket omhoog. 1:35 – weer vijf minuten van m’n tijd af.

De vierde keer was in 2012. Tijdens een zomervakantie in de buurt reed ik ’s ochtends vroeg naar Bédoin, huurde een fiets en begon vol vertrouwen aan de klim. Maar in het maanlandschap kreeg ik de wind vol op de neus, aan de laatste kilometer kwam maar geen einde. Op de top klokte ik een waardeloze 1:48.

Drie jaar later was ik er weer. Ik huurde een fiets en reed omhoog met mijn vriend Wouter – in de veronderstelling dat de vorige keer een missertje was. Niets bleek minder waar. Na een kilometer in het bos liet Wouter me achter. Ik had slappe benen en een hoge hartslag, opnieuw was er harde wind. 1:51 – nóg langzamer dan de keer ervoor.

Op de foto’s die Wouter en ik op de top maakten, probeer ik een stoer gezicht te trekken. Maar ik was teleurgesteld, en flink ook. Van een vriend was de Mont Ventoux veranderd in een vijand.

Puntje van mijn neus

„Bonjour!” Zo nu en dan passeer ik andere renners. De een rijdt op een elektrische fiets, de ander op een mountainbike, de meesten op een racefiets. Een enkeling heeft bagage bij zich. Sommigen zitten er nu al flink doorheen.

Een nieuw paaltje: nog tien kilometer te gaan. Ik ben over de helft. Tijd voor een gelletje, dat ik wegspoel met een slok uit mijn bidon. Het begint warmer te worden. In dunne straaltjes loopt het zweet uit mijn helm over mijn gezicht, tot aan het puntje van mijn neus.

Ineens zie ik twee auto’s stilstaan voor een bocht. Verderop een wals, werklui en een verkeersregelaar met een stopbord. Wegwerkzaamheden. Ah, nee! Het zal toch niet, gedwongen een voet aan de grond?

De Mont Ventoux vanuit Bédoin is 20,8 km lang, met een gemiddelde stijging van 7,7%

De eerste kilometers gaan gemoedelijk omhoog, door akkers en wijngaarden

Maar dan kom je in ‘het bos’, het steilste gedeelte, dat bijna de helft van de klim beslaat

Vanaf Chalet Reynard is het nog 6 km naar de top, door een kaal en winderig steenlandschap

Het plan ontstond toen ik de route bekeek van de Tour de France van dit jaar. Dinsdag 22 juli: finish op de Mont Ventoux. Zou deze etappe geen mooie aanleiding vormen om mijn demonen te overwinnen? Die laatste twee ervaringen op de Ventoux waren door m’n hoofd blijven spoken. Terwijl ik jaarlijks met plezier andere bergen bedwong, was de Ventoux uitgegroeid tot angstgegner.

Daar moest ik iets aan doen. En als ik het deed, zou ik het goed doen: zo snel mogelijk proberen te rijden. Dan zat er niets anders op: ik moest me begeven in een wereld die ik altijd op afstand had gehouden, die ik humorloos vond en veel te nerdy: die van de wielertraining. Een wereld waarin beoefenaars strooien met woorden als ‘drempelwaarde’, ‘VO2 max’, ‘sweet spot’.

Misschien kan het nog, die toptijd? Ik ben inmiddels 47 jaar oud. Beetje grijs in de baard, haargrens een stukje opgeschoven, steeds meer tijd nodig om te herstellen van een paar glazen alcohol. Soepel in de ledematen ben ik nooit echt geweest. Maar verder voel ik me nog fit en gezond, dus wie weet.

Eind januari zit ik in een bedrijfsruimte in de voormalige Bijlmerbajes in Amsterdam. Tegenover me: Jim van den Berg, ondernemer en bewegingswetenschapper. Ik heb hem vaker gesproken als journalist. Jim is de bedenker van Join, een app die renners – professioneel en recreatief – voorziet van op maat gesneden trainingsschema’s. ‘De professor’, zo noemt oud-wielrenner Laurens ten Dam hem weleens gekscherend in hun wielerpodcast Beter Worden.

Jim luistert naar mijn verhaal, vraagt naar mijn gewicht (70 kilo), naar eerdere tijden op de Ventoux („ingewikkeld”) en bekijkt mijn cijfers op Strava, de app waarop vrijwel iedere wielerrecreant zijn inspanningen vastlegt. Hij typt wat in zijn computer, scrollt wat heen en weer en zegt: „Op basis van je gewicht en eerdere prestaties moet een tijd van 01:25 mogelijk zijn.”

01:25? Ik ben met stomheid geslagen. Dat is tien minuten sneller dan mijn beste tijd op de Ventoux. En toen was ik 27 jaar oud.

„Je moet niet onderschatten hoe slecht je het altijd hebt aangepakt”, zegt Jim. Er volgt een uiteenzetting over training, voeding en materiaal. Over de in mijn ogen nogal ambitieuze tijd van 01:25 zegt hij: leeftijd doet er minder toe dan gedacht. Als duursporter kun je volgens hem zeker tot je vijftigste op hoog niveau kan presteren. „Je moet”, zegt Jim, „alleen wel het grensje gaan opzoeken.”

Rechte lijn, steil omhoog

De verkeersregelaar maakt een gebaar met zijn hand: fietsers mogen erlangs. Van pure opluchting ga ik even op de trappers staan. Een halve kilometer verderop doe ik dat opnieuw, bij de enige haarspeld in de beklimming vanuit Bédoin.

Dat is wat de Ventoux zwaarder maakt dan een gemiddelde Alpencol: geen bochten. Nergens een plek waar de stijging aan de buitenzijde afvlakt, waar je even de druk van je benen kunt halen. De klim laat zich niet opdelen van punt naar punt. Hij gaat in een rechte lijn, steil omhoog.

Ik probeer te bedenken hoe mijn benen voelen. Mwah, niet de kracht die ik had gehoopt. Na al die jaren weet ik behoorlijk goed wanneer ik écht sterk ben en wanneer niet. Een mindere dag herken je niet aan de pijn in de benen, die herken je aan het omgekeerde: onvoldóénde pijn in de benen. Niet aan te hard hijgen, maar aan niet hard genoeg hijgen. Op mijn fietscomputer het bewijs: de wattages die ik zou moeten trappen, zie ik niet.

Toen ik bij Jim uit de Bijlmerbajes vertrok, duizelde het me van alle informatie die over me was uitgestort. Maar ik had een duidelijk plan. Ik ging proberen mijn laatste (en slechtste) tijd te verbeteren, en daarbij zo dicht mogelijk de 01:30 te naderen. Die anderhalf uur geldt onder wielerrecreanten als een magische grens – profs rijden de Ventoux doorgaans in een uurtje.

De komende maanden ging ik zes tot acht uur in de week trainen. Een mix van lange ritten (voor het duurvermogen) en korte, felle traininkjes, waarin ik mijn hartslag in korte blokjes in het rood zou jagen. Dat laatste was nodig om mijn ‘omslagpunt’ omhoog te krijgen – het maximale trapvermogen dat ik kon volhouden zonder dat mijn benen verzuurden. Mijn omslagpunt, vorig jaar gemeten op 266 watt, zou ergens tussen de 280 en 285 watt moeten uitkomen. Als dat lukte, zei Jim, dan had ik uitzicht op een mooie tijd.

Wattage – de hoeveelheid energie waarmee je op de pedalen trapt – daar draait het tegenwoordig om bij trainen, en niets anders. Cijfers liegen nooit. Bij een beklimming gaat het, specifieker, om watts per kilo: hoe lichter je bent, hoe sneller je bergop kunt fietsen met dezelfde inspanning. Die 70 kilo van mij? Gunstig.

Ik moest, zei Jim, véél meer gaan eten tijdens het trainen. Die twee reepjes en een banaan die ik tot nu wegwerkte tijdens een tocht van drie uur, waren veel te weinig. Onder wieleramateurs is 60 tot 90 gram koolhydraten per uur – gelijk aan twee tot drie punten slagroomtaart – inmiddels de standaard. Hoe meer brandstof je in je lichaam gooit, hoe beter je traint en herstelt, hoe sterker je wordt. Gels, repen, koolhydraathoudende sportdrank, dat werd het trainingsdieet.

„Dus echt nóóit meer” – Jim keek me streng aan – „alleen water in je bidon.”

Het maanlandschap

Voor het eerst zie ik de naald: de karakteristieke wit met rood-gestreepte mast op de top van de Ventoux. Een zendmast, geen „waarschuwing voor laagvliegende vliegtuigen”, zoals ik 32 jaar geleden in de schoolkrant schreef. Hij flitst voorbij tussen de bomen, die spaarzamer worden. Ik nader het eind van het bos en begin aan de volgende fase: het kale witte steenlandschap. Nog iets meer dan zes kilometer.

Daar is Wouter, de vriend met wie ik tien jaar geleden voor het laatst de Ventoux opfietste. Hij staat in de laatste bocht van het bos, precies zoals afgesproken. Ik ben met één bidon begonnen aan de klim, dat scheelt een halve kilo – weer zo’n gewichtsdingetje. De bidon is leeg, ik gooi hem in de berm. Wouter, die vooruit is gefietst, reikt me een nieuwe aan en raapt de lege op.

„Moet ik even inhaken om je uit wind te houden?” vraagt hij.

„Nee”, antwoord ik. „Hoeft niet.”

Als ik tien meter verder ben, bedenk ik me. „Doe maar wel!”

Wouter hoort me niet meer.

De eerste trainingsritten voelden zwaar. Het was februari en het regende, ik had een verkoudheid waar maar geen eind aan kwam. Drie keer per week fietsen lukte niet, daarvoor was mijn agenda te vol.

De app beval me heel specifieke trainingen aan, met blokjes doelwattages. Twintig minuten tussen 213 en 241 watt? Buiten was dat bijna niet te doen – op iedere weg in de Randstad tref je wel een stoplicht, een tegenligger of een scherpe bocht. Binnen zou het wel lukken, maar een rollerbank voor mijn fiets had ik niet, en die ging ik ook niet kopen.

Ondertussen joeg de app me op. Drie of vier dagen niets gedaan? „Je conditie gaat niet vooruit”. Uit schuldgevoel twee dagen achter elkaar getraind? Een rood kruis. „Je bent aan het overtrainen.” Half april deed ik drie trainingen in vijf dagen, bijna 240 kilometer. Na de derde training was de verkoudheid terug en kon ik anderhalve week niet fietsen. „Was dit nou mijn eigen schuld?” noteerde ik vertwijfeld in mijn Ventoux-logboek. „Te veel gedaan in korte tijd?”

Toen ik eind april met Jim belde, kreeg ik op m’n donder. „Je moet rustiger opbouwen. Je bent aan het jojoën: je doet te veel, wordt ziek en moet dan weer een tijd je fiets laten staan. Dat is funest. Door dit geintje…” – ik hoorde hem op zijn computer door mijn data scrollen – „was je half april weer terug op het niveau van begin maart.”

Ik moest één ding goed onthouden, zei Jim: bij training is frequentie belangrijker dan volume. „Beter drie keer in de week kort, dan één lange beuker.”

De wind

Zodra ik het maanlandschap opdraai, voel ik de wind. Harder dan gedacht. Iedere renner die ooit de Ventoux heeft beklommen, kan je vertellen: op deze berg is de wind je vijand. Hij is er altijd – de vraag is alleen hoe hard en uit welke richting. Heb je hem tegen, of zijn er rafales (rukwinden), dan kost dat minuten, zoals ik ervoer in 2012 en 2015.

Toen ik gisterenavond naar het weerbericht keek, leek de wind oké. De hitte was een grotere zorg. Nu ik hier rijd, met nog zes kilometer te gaan, valt het me toch tegen. Waarom heb ik te laat gereageerd op Wouters aanbod?

Na de reprimande van Jim ging het steeds beter. Vanaf begin mei liet ik nooit meer dan drie dagen verstrijken tussen mijn trainingen. Het spel met de wattages kreeg ik steeds beter onder de knie – ook buiten. Begin juni gaf Jims app me zelfs een ‘work-outscore’ van 10. En méér eten had inderdaad effect: bij de meeste trainingen voelde ik me tot op het einde sterk, bij thuiskomst at ik niet meteen de hele ijskast leeg. Uit mijn logboek klonk optimisme.

En toen volgde een inspanningstest.

Op vrijdag 13 juni, drieënhalve week voor de grote dag, zit ik op een hometrainer bij roeivereniging De Hoop in Amsterdam. Ik doe deze test om te kijken of mijn omslagpunt omhoog is gegaan en ik inderdaad hogere wattages bergop kan trappen. Iedere zes minuten neemt de weerstand toe en moet ik meer energie leveren – tot het niet meer gaat.

Ik doe mijn stinkende best, maar het is warm en ik kom sneller aan mijn plafond dan gedacht. Als ik later die middag de uitslagen ontvang op mijn telefoon, ben ik met stomheid geslagen. Volgens deze test is mijn omslagpunt niet gestegen, het is gedaald. En niet zo’n beetje ook: van 266 watt naar 220 watt. Als ik de uitkomst van de test naar Jim app, is zijn eerste reactie: „Dan moet je niet naar Bédoin.”

Een weekend lang ben ik lamgeslagen. Meer dan veertig watt omlaag, na vijf maanden en bijna 3.000 kilometer gericht trainen – hoe is dat in godsnaam mogelijk? Er is maar één oplossing, denk ik: het trainingsschema terzijde schuiven. Niet meer in de app kijken, wattages verwijderen uit het schermpje van mijn fietscomputer. Misschien zelfs mijn vermogensmeter eraf. En dan gewoon op gevoel de Ventoux op, net zoals in 1993.

„Het is een momentopname”, reageren mijn vrienden als ik de bizarre testresultaten meld in de groepsapp. Dat ik het schema in de prullenbak wil gooien, begrijpen ze wel. „Je moet het vooral allemaal loslaten.” En: „Alleen in vrijheid komt het beste in jezelf naar boven.”

‘Allez, allez!’

De wind, de zon, het wonderlijke maandlandschap. Als ik naar links kijk: fabelachtig uitzicht over de Provence. Op rechts: de zendmast tegen het strakke hemelblauw. Ik weet weer waarom de Mont Ventoux al die jaren aan me bleef trekken.

„Allez, allez!” In de berm staat een fotograaf. Ik zwaai, hij klikt een paar keer. Dit vind je op alle grote beklimmingen. Na afloop kun je een actiefoto downloaden van jezelf, tegen betaling. Doe ik nooit.

Trappen, kom op! Het vlakt hier af maar de kilometers beginnen te tellen. Iedere keer dat ik een bocht naar rechts draai, voel ik de wind weer vol in mijn gezicht. Ik passeer twee jonge renners, een man en een vrouw. „Bonjour!” Volgens mij zijn het Nederlanders.

Een paar dagen later hield ik crisisberaad met Jim. Op het dakterras van het NRC-gebouw, met uitzicht over de Amsterdamse binnenstad, bespraken we de test. Die voldeed niet, zei Jim. De metingen waren onvoldoende nauwkeurig, de hometrainer was niet de juiste, in de gym was het veel en veel te warm. Al die factoren versterkten elkaar – en dat leidde tot dit negatieve resultaat. „Zelfs met de beste wil van de wereld kan ik hier niets mee.”

Jim pakte zijn computer erbij en toonde me de achterliggende cijfers uit de trainingsapp. Tabelletjes, grafiekjes, cijferreeksen. Wat hij hier zag, zei hij, was dat ik na de „valse start” in het vroege voorjaar steeds een beetje beter was geworden. Mijn omslagpunt was niet gedaald, maar „honderd procent zeker” gestegen.

Ik kon wel wat zelfvertrouwen gebruiken, vond Jim. Hij raadde me aan om zelf een nieuwe test te doen: twintig minuten lang zo hard mogelijk trappen. „Als dat goed gaat, geeft dat een mentale boost. Valt het tegen, dan heb je iets onder de leden.”

We praatten verder. Over de voorbereiding: de avond ervoor pasta zonder groenten, de ochtend zelf veel cafeïne, „de beste legale drug voor wielrenners.” En over hoe ik de klim zou gaan aanpakken: welke wattages ik zou moeten rijden op het eerste stuk, in het bos en in het maanlandschap. „Rij je gemiddeld 250 watt, dan wordt het 01:35. Als je een goede dag hebt, ga je de 01:30 bijna raken.”

Twee dagen later stond ik om kwart over vijf naast mijn bed. Ik reed naar het wielerparcours in Spaarnwoude, nam een cafeïnegel en reed twintig minuten lang zo hard mogelijk rondjes. „Mooi dit!”, antwoordde Jim toen hij de resultaten had bekeken. „Laatste tien minuten 270 watt op het vlakke. Perfect!”

Waar is de naald?

De laatste kilometer, altijd een beproeving. Het stijgingspercentage gaat weer omhoog, naar meer dan 10 procent. Eventjes op de pedalen staan. Het zweet van m’n voorhoofd vegen . Op m’n fietscomputer kijk ik niet meer. We zien het boven wel.

Rechts het monument voor Tom Simpson, de wielrenner die stierf op de Ventoux, bijna zestig jaar geleden. Het was veertig graden die dag, hij had amfetamine genomen en aan de voet van de klim nog een paar slokken cognac. „On, on, on”, zei hij tegen zijn mecanicien nadat hij slingerend tot stilstand was gekomen tegen de rotswand. Een uur later was hij dood.

Ik zit nu vlak onder de top, nog één bocht naar rechts. Er staat een verkeersbord met ‘verboden voor fietsers’. Vreemd, denk ik, met al die honderdduizenden mensen die hier jaarlijks omhoogrijden. De weg vlakt af, begint zelfs licht te dalen. Waar is de naald? Deze weg onder de top lag er tien jaar geleden nog niet. Ik zit verkeerd.

Omdraaien en op de juiste plek omhoog. Ik zie de naald. Nog tien keer trappen, nog vijf keer trappen, drie, twee, een. Ik ben er.

Als ik weer beneden sta, pak ik Strava erbij en download mijn fietsrit. Ik zoek het juiste segment: ‘Mont Ventoux (l’ascension mythique par Bédoin)’. Mijn tijd: 01:38. Teleurstelling is het eerste wat ik voel. Zo veel getraind, zo goed voorbereid. En dan zó ver verwijderd van de anderhalf uur.

In de dagen erna volgt de acceptatie, en zelfs een klein beetje trots. Ons fietsgroepje verplaatst zich naar de zuidelijke Alpen en daar krijg ik het gevoel in mijn benen dat ontbrak op de Ventoux: dat alles vandaag mogelijk is. Ik had gewoon geen goede dag, maar het was een keurig resultaat. Mijn een-na-snelste tijd ooit.

Een paar dagen na thuiskomst bel ik Jim. De spanning, zegt hij, zou zomaar een rol gespeeld kunnen hebben. Hij merkte dat die Ventoux „toch wel een ding” voor me was geworden. Onder de anderhalf uur was mogelijk geweest, dat gelooft hij nog steeds. Maar hier moet ik het mee doen. „Je rijdt toch ongeveer net zo hard omhoog als toen je 27 was.”

Na dit avontuur, bedenk ik me, is de Ventoux geen angstgegner meer. Ik heb dertien minuten afgereden van mijn laatste tijd, veertien zelfs als je die verkeerde afslag niet meetelt – en dat mag van Jim.

Maar of-ie weer een vriend is geworden? Dat zou ik niet zeggen. Misschien kunnen bergen wel nooit écht je vriend worden – zelfs niet als je een persoonlijk record rijdt.

„En nu? Wat is je nieuwe doel?” vraagt Jim.

„Geen idee eigenlijk”, antwoord ik.

„Als je goed blijft trainen, tenminste twee keer per week”, zegt Jim, „dan blijft er zeker tot je vijftigste alles mogelijk. Misschien zelfs onder de anderhalf uur.”

„Zou het niet gewoon een keertje per ongeluk moeten gebeuren?”, zeg ik.

Ja, precies, zegt Jim. „Je staat op een camping in de buurt. Op de laatste avond denk je: morgenochtend vroeg de Ventoux op, ik zie wel wat er gebeurt. Net op die dag, zo zul je zien, rijd je een toptijd.”

Source: NRC

Previous

Next