Vrouwen slaan hun man met een vis, dochters leren liegen tegen de buitenwereld. In haar trefzeker geschreven, soms aburdistische verhalen laat debutant Sarah Arnolds zien wat ze in haar mars heeft.
‘Het gore lef’ – wat een heerlijke uitdrukking is dat. Sarah Arnolds (1992) gebruikt hem meermaals in haar gelijknamige debuutbundel, die bestaat uit zes korte verhalen en één langer verhaal, waarin het gore lef nooit ver weg is. Het eerste verhaal, ‘Je vriendin koopt een vis op de markt’, zet gelijk de toon: een man en een vrouw hebben een relatie, en van de ene op de andere dag begint de vrouw haar vriend met allerhande voorwerpen een flinke mep te verkopen.
Ze lijkt er zelf ook van te schrikken. Hij is zachtaardig en vergeeft haar meteen. Maar daardoor heeft hij zijn kans op verontwaardiging verspeeld. Haar klappen worden steeds raker, zijn paranoia groeit. Ze is zo lief, zo vrolijk, waar komt die gewelddadige neiging vandaan? Heeft hij misschien gewoon een gezicht om te slaan?
Toch wordt dit verhaal niet naargeestig, het is eerder grappig, door het absurdisme ervan. Dat zit niet alleen in de gegevens, maar ook in de stijl, die sec, origineel en onverwacht Nederlands herbergt.
De paranoia van de man breidt zich uit naar dingen die niets met het slaan te maken hebben: ‘Een belachelijke gedachte waarmee je op een ochtend ontwaakt en die je niet meer kunt loslaten: heeft ze eigenlijk wel een rijbewijs? Natuurlijk zie je haar rijden, ze kan het – maar heeft ze wel een rijbewijs? Het kost je alle zelfbeheersing van de wereld om niet in haar portemonnee te kijken.’
De vis die ze op de markt koopt: de marktkoopman heeft ‘geen flauw idee’ waar die voor is, maar wij zitten direct op het puntje van onze stoel.
Deze bundel bevat één langer verhaal van liefst zestig pagina’s, bijna kun je het een novelle noemen: ‘Brand’. Hierin belanden we in het hoofd van een tienermeisje dat niets liever wil dan ontsnappen aan het hopeloos lelijke huis van haar ouders, de geestdodende atmosfeer van de middelbare school en aan haar eigen gedachten, die ze niet interessant genoeg vindt.
Met nog wat meisjes gaat ze iedere dinsdagmiddag naar haar vriendin Marissa, die een meisjeskamer heeft als uit een film van Sofia Coppola. In die droomwereld slikken ze ritalin en storten ze zich op het opruimen van Marissa’s kledingkast. Kon het maar eeuwig duren: ‘De gele gordijnen waar het licht zacht doorheen scheen, waardoor de kamer in een wolk van gouden stofjes werd gehuld, in plaats van de rolluiken die bij de rest van ons voor de ramen zaten.’
De vriendinnen spelen het spel ‘brand’: als het huis in brand staat, welke drie dingen neem je dan mee? Niet je eigen huis, het huis waarin je je op dat moment bevindt. In Marissa’s kamer is het het moeilijkst om te kiezen.
Het plot van dit verhaal meandert als in een roman. Er wordt een trage coming-of-agegeschiedenis opgevoerd die helemaal niet traag aanvoelt door Arnolds’ originele manier van formuleren.
Op een feestje waar onze hoofdpersoon vrijwel niemand kent, heeft ze haarscherp in de gaten hoe het hier werkt: ‘Ik begreep dat dit feest een rijdende trein was waar ik in moest zien te klimmen, en dat hij niet langzamer ging rijden om het me makkelijker te maken. Ik moest vaart zien te maken, springen en me ergens aan vastklampen, anders bleef ik in mijn eentje staan kijken op het perron.’
Waar gaat onze heldin naartoe? Het einde liet me onbevredigd achter, niet omdat het verwarrend was, dat was juist mooi, maar omdat ik nog een heel stuk verder had willen lezen.
Misschien leed ik bij ‘Brand’ aan die verlatingsangst waarop sommige lezers doelen wanneer ze zeggen dat ze ‘niet van korte verhalen houden’. Een bizar standpunt wat mij betreft, tenzij je bedoelt dat het soms moeilijk is om personages los te laten die je nog maar zo kort geleden hebt leren kennen.
Het magisch realisme waarmee Arnolds soms speelt, is in sommige verhalen al vanaf de eerste zin aanwezig. De auteur zet die droomlogica met verve in, de meest mysterieuze situaties voelen logisch aan door de trefzekere verteltrant. Het geweldige aan verhalenbundels is dat ze een schrijver de gelegenheid geven om te laten zien wat ze in haar mars heeft, en die kans wordt hier met beide handen aangegrepen.
Het laatste verhaal, ‘Hoe ik leerde liegen’, is fantastisch in al zijn eenvoud. Een dochter probeert haar moeder te beschermen tegen de geluiden uit de buitenwereld. Moeder ligt de hele dag in bed, zodra de telefoon gaat staat de dochter er al naast om het rinkelen te doen stoppen.
‘Hallo, zeg ik. Nee, ze is helaas niet beschikbaar, zeg ik, kan ik uw nummer noteren? De stem aan de andere kant noemt een reeks getallen. Vijf, herhaal ik, drie, drie, zeven, ja. Ik schrijf niets op. Dit vind ik het prettigste moment, echt waar – de beller giet zijn nummer door de telefoon en heeft geen idee dat ik er aan de andere kant geen glas onder hou om het op te vangen.’
Aan de keukentafel verliest de dochter zich in een fantasie over wat er zou gebeuren als iemand het gore lef zou hebben om aan te bellen – dat is pas een hard geluid!
In deze fantasie komen een paar hele levens voorbij, als lezer zit je in het eerste karretje van deze achtbaan, die abrupt tot stilstand komt als de dochter nog aan die keukentafel blijkt te zitten. Iets wat ik allang vergeten was, terwijl het verhaal zes luttele pagina’s beslaat. Sarah Arnolds moet vlug meer schrijven.
Sarah Arnolds: Het gore lef. Das Mag; 184 pagina’s; € 23,50.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant