In haar veelgeprezen trilogie Het land van de anderen weeft Leïla Slimani de geschiedenis van het moderne Marokko in een familie-epos. Met het wervelende laatste deel schreef ze haar beste boek ooit – en wreekt ze en passant haar vader.
recenseert Franse literatuur voor de Volkskrant.
In de epiloog van Neem het vuur mee, het laatste deel van haar trilogie Het land van de anderen (Le pays des autres), schrijft Leïla Slimani: ‘De waarheid moet je overlaten aan families zonder verbeeldingskracht.’
Er zijn inderdaad schrijvers die een oud dagboek of hun helft van een correspondentie gebruiken om hun roman rond te bouwen. Mia Daoud, het personage dat Slimani als alter ego gebruikt, benadrukt dat zij dat soort documenten niet had.
Ze moeten er zijn geweest, schrijft ze, de door haar grootmoeder Mathilde Belhadj volgetypte vellen met haar levensverhaal, het notitieboekje van haar vader Mehdi Daoud uit de tijd dat hij zich had voorgenomen om aan een roman te beginnen, de aantekeningen die Mia maakte tijdens een vraaggesprek met haar moeder, Aïcha.
Maar ze is ze kwijt, of ze zijn weggegooid. En de hersenmist die ze overhoudt aan een covidbesmetting, helpt ook niet mee.
Slimani doet zo, slim, twee dingen: door een fictief personage te laten beweren dat de papieren bronnen waarop ze haar verhaal baseert, niet echt bestaan, creëert ze voor lezers die van ‘waargebeurd’ houden de schijn van echtheid. Terwijl ze in één moeite toegeeft dat ze veel heeft verzonnen.
Daarbij heeft Slimani met een familiegeschiedenis goud in handen: het is het verhaal van een familie die op allerlei manieren betrokken is geweest bij het ontstaan van het moderne Marokko.
Slimani gebruikt die ‘kleine’ geschiedenis om ons iets te laten zien van de grote omwentelingen – die zo langzaam gaan dat ze zich meestal aan het oog onttrekken, zoals de emancipatie van vrouwen. Ook toont ze hoe sommige dingen niet of nauwelijks veranderen, zoals het leven van de immigrant: je blijft altijd anders in het land van de anderen.
Maar in dit laatste deel, Neem het vuur mee, laat ze zien dat er ook plekken zijn waar je kunt zijn wie je bent. Waar je land van herkomst, of wie je vader is, er niet toe doen, maar wat je kunt bijdragen.
New York is zo’n plek voor Selim, Mia’s oom, die daar fotograaf is geworden. Mia, die in Parijs studeerde en op meisjes valt, ervaart die vrijheid in Londen, waar ze bij een bank gaat werken. Een gevoel van vrijheid dat haar ouders en grootouders, angstig voor het repressieve, feodale regime en de corruptie in Marokko, niet kennen.
Mia’s vader Mehdi snakt naar die vrijheid, hij houdt hoop dat Marokko verandert en proeft iets van die verandering in het steeds sneller groeiende Casablanca. Hij vertelt zijn dochter: ‘In Fez of Meknès vragen ze altijd van wie je de zoon bent. Hier kun je niemands zoon zijn. Casablanca is een stad zonder geheugen, een eldorado voor de onechte kinderen, voor de ambitieuzen, voor de naamlozen. Een beetje zoals bij Balzac, snap je?’
Deze scène wordt later gespiegeld, wanneer Mia’s grootouders hun zoon Selim in New York bezoeken en het gedicht horen dat op de sokkel van het vrijheidsbeeld staat: ‘Stuur ze naar mij, de onterfden, geteisterd door de storm/ Ik hef mijn lamp hoog naast de gouden deur!’.
Het vrijheidsvuur is hier een mooie bonus bij de treffend gekozen titel, ontleend aan een gedicht van Jean Cocteau. Op een bepaald moment neemt Mehdi zich voor met zijn dochter te praten voordat ze naar Parijs vertrekt.
In dit gesprek, dat wel of niet heeft plaatsgevonden, maant hij haar weg te gaan en niet terug te komen, de warmte van haar eigen huis te wantrouwen: ‘Steek een grote brandstapel aan en neem het vuur met je mee.’
Het is de ontroerendste scène in het boek.
Want deze roman is naast een familiegeschiedenis en een protest tegen onderdrukking ook een poging om recht te doen aan de energieke, intelligente en ongrijpbare man die Leïla Slimani’s vader, Othman Slimani, moet zijn geweest. Het personage Mehdi Daou is op hem geïnspireerd. In een van de vele interviews die Slimani heeft gegeven, werd haar gevraagd of ze schrijft om haar vader te wreken.
Haar antwoord: ‘Elke dag.’
Mehdi krijgt in Neem het vuur mee de leiding over een vrijwel failliete kredietinstelling, de Crédit Commercial du Maroc in Casablanca, die hij met veel daadkracht en hard werken weet te moderniseren tot een respectabele bank.
De voormalige marxist met de woeste haardos draagt nu maatpakken. Hij wil Marokko van binnenuit veranderen. De armoede bestrijden door geld te lenen voor bouwprojecten voor scholen, sociale woningbouw, klinieken, maar ook golfbanen, hotels en appartementencomplexen. ‘Wij hebben geen olie, maar wij hebben het toerisme!’
In 2002 wordt hij onterecht in de gevangenis gezet. Nog geen jaar later overlijdt hij. Zijn begrafenis is het einde van het boek.
Nu alle delen zijn verschenen kun je beter overzien wat een gigantische prestatie Leïla Slimani hier heeft geleverd. Het is knap hoe ze zowel de grote lijnen van de geschiedenis als het geploeter van mensen niet uit het oog verliest.
Vooral dit laatste deel is een tour de force. Alle personages uit de eerdere delen komen terug, de schrijver is net een circusartiest die steeds meer bordjes draaiende moet houden. Met het spiegelen van scènes benadrukt ze de familiebanden, en vooral de continuïteit van de geschiedenis.
De trilogie als geheel is indrukwekkend, en deze wervelende roman is de beste die Slimani tot nu toe heeft geschreven.
Leïla Slimani: Neem het vuur mee. Uit het Frans vertaald door Gertrud Maes. Wereldbibliotheek; 368 pagina’s;
€ 24,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant