Martin Luther King zingt We Shall Overcomena een burgerrechtenmars.
Op het programma van het concert dat ik met het Radio Filharmonisch Orkest in Tivoli Vredenburg in Utrecht zou spelen stond het oratorium The Dream of Gerontius van de Brit Edward Elgar – componist, autodidact en een outsider. Dat werk gaat over innerlijke strijd, maar betekende in mijn partij meditatieve, weinig boeiende herhalingen, die pas interessant werd als het tempo versnelde. Om de loopjes goed in te studeren pakte ik mijn telefoon voor de metronoom-applicatie. Nog voor ik goed en wel begonnen was, verscheen er een bericht over de val van het kabinet op het scherm. Het nieuws won het al snel van Gerontius’ zielenroerselen en met groeiende nieuwsgierigheid volgde ik de eerste duidingen en commentaren in de media.
Meestal raakt mijn muzikale brein overprikkeld door het nieuws, maar nu nam opluchting de overhand. Zou uitstel nu eindelijk afstel worden? Natuurlijk reflecteerde ik op de voorgenomen bezuinigingen in en op ‘mijn’ sector, terwijl het kabinet-Schoof ook vele andere beleidsgebieden in wanorde achterliet. Niet zonder schaamte besefte ik dat ik – net als veel collega’s – zelden buiten de links-progressieve reflex treed. Waarom eigenlijk? Misschien omdat ik lang geloofd heb dat muziek en politiek niet door één deur kunnen. Dat muziek de wereld juist ontstijgt. Maar is dat werkelijk zo?
Ewa Maria Wagner is altvioliste en schrijfster.
Terug bij de muziek lukte mij studeren niet meer. Ik dacht aan Elgars uitspraak: „Het blijft vreemd om door oude conservatieven in de muziekwereld te worden behandeld als een crimineel omdat mijn gedachten en wegen hen boven de pet gaan.” Toch gold hij niet als revolutionair, in vergelijking met anderen. In Wenen brak Schönberg met de tonaliteit, in Parijs verschoof Debussy de muzikale zwaartekracht, en in Berlijn legden componisten als Hindemith het fundament voor de modernistische avant-garde. Zij verweefden hun muziek met de actualiteit en maakten de artistieke taal van hun tijd. Door hun invloed verdween het romantische beeld van muziek als louter innerlijke expressie: muziek werd tastbaarder, weerbaarder, en, ja – politiek.
Als musicus ben ik meer met klankbalans en techniek bezig dan met context. Maar nu begon ik me af te vragen hoe diep de historische verbinding tussen muziek en politieke werkelijkheid eigenlijk gaat. En of ik, eerlijk gezegd, ooit echt heb nagedacht over wat politiek eigenlijk ís.
De Franse filosoof Jacques Rancière stelt dat politiek begint waar het onzichtbare zichtbaar wordt: stemmen die genegeerd zijn, gevoelens die buiten de orde vallen. En juist dat doet muziek ook. Ze maakt ruimte voor ambiguïteit, voor wat buiten de taal valt. Misschien delen muziek en politiek wel meer dan we denken: de spanning tussen zeggingskracht (politiek) en betekenisloosheid (muziek), tussen vorm en verlangen.
Al eeuwenlang beweegt muziek fysiek, collectief en moreel in ruimte, ritme en beleving – ook op politieke bijeenkomsten. De muziek van Richard Wagner – groots, heroïsch en geladen – klonk als ideologisch cement tijdens de nazibijeenkomsten in Neurenberg. De componist Hanns Eisler waarschuwde destijds: „Het gevaar van muziek is dat ze gevoelens oproept vóór het denken begint.” In de jaren zestig tijdens de Amerikaanse burgerrechtenbeweging werden er spirituals als ‘We Shall Overcome’ gezongen vóór en na de toespraken van Martin Luther King – ze belichaamden de intentie van de politicus.
Toch is er een verschil: politici vechten om gehoord te worden, muziek wordt gehoord zonder zichzelf te verheffen tot waarheid. Muziek stelt geen eisen, maar vraagt om aandacht. Misschien schuilt daarin haar politieke potentie: dat ze niets beweert, maar wel iets in beweging zet.
Deze ontdekking brengt me bij een gevecht tussen klank en woord en ik denk spontaan aan de derde symfonie van Beethoven. Beethoven wijdde het stuk aan Napoleon en gaf het stuk de titel ‘Bonaparte’, overtuigd van diens revolutionaire beloftes van vrijheid en gelijkheid. Hij zag in de jonge generaal niet alleen een politicus die in staat was de oude machten omver te werpen, maar ook een mens die zichzelf kan herscheppen. Iets wat politici ons nog steeds willen bewijzen. Toen Bonaparte zichzelf in 1804 tot keizer kroonde, kraste Beethoven zijn naam van het titelblad.
Maar zou Beethoven het geschreven hebben zonder Napoleon? Zou Sjostakovitsj’ muziek ons bij de keel kunnen grijpen zonder de ironie en terreur van het Sovjetregime? En wat zou jazzmuziek zijn zonder de slavernijpolitiek uit het verleden?
Antropologisch gezien is muziek een van de oudste vormen van menselijke expressie. Ze ontstaat uit ritme, stem, gebaren en adem, vóór er taal was. Duizenden jaren geleden diende ze om samenwerking, communicatie en groepsgevoel te versterken. Dat zijn allemaal functies die later deels door de politiek (en religie) zijn overgenomen. Volgens de politieke denker Hannah Arendt ontstond het begrip ‘politiek’ in de zesde eeuw voor de jaartelling in de Griekse polis, een stedelijke ruimte waar burgers verschijnen, spreken en handelen. Als ik haar mag parafraseren: politiek vereist instituties, maar muziek is directe menselijke aanwezigheid. Arendt is een verrassend relevante denker als je muziek en politiek naast elkaar legt. Wie terugkijkt op de geschiedenis, ziet dat muziek fungeert als politiek lichaam. Alleen lijkt dat inzicht bij veel politici nog niet te zijn doorgedrongen.
Mijn gedachten keren terug naar de val van het kabinet, naar een politiek die opnieuw moet worden vormgegeven, en naar de cultuursector, die zelden als volwaardig lichaam in die heropbouw wordt erkend. Muziek en politiek zijn geen vijanden, integendeel: in tijden van conflict en crisis biedt muziek misschien geen tegenargument maar zeker een tegenkracht.
Onwillekeurig komt het beeld van cellist Vedran Smailovic in me op, die in het belegerde Sarajevo tussen het puin Bach speelde. Geen manifest maar een overlevingsdaad.
Snel pak ik weer mijn altviool – Gerontius, red mij! De rooms-katholieke tekst van het koorwerk druiste in tegen de anglicaanse dogma’s van de negentiende eeuw. Het vagevuur zat het conservatieve England dwars en dus zwakten ze zijn muziek af. De kerk als politieke macht.
En terwijl mijn vingers de loopjes op de snaren moeiteloos volgen, cirkelen mijn gedachten nog steeds rond Arendts inzicht dat politiek pas mogelijk is binnen structuren van vrijheid en gelijkheid, en muziek voortkomt uit het lichaam, het ritueel, de klank. Maar de kern blijft dezelfde: de wens om gehoord, gezien en erkend te worden.
Dat is wat ik de politici van een toekomstig kabinet zou willen meegeven. Niet in een motie, maar in een akkoord: resoneer met de kennis van het verleden, herstel de toekomst, en vorm een veelstemmig lichaam met cultuur in ons veelzijdige en verdeelde Nederland.
Source: NRC