Home

In mijn Groningse kroegperiode werd voor mij besloten dat ik het beter bij sportverslaggeving kon houden

Tijdens de allerheetste Touretappes, als, om met Godfried Bomans te spreken, aan de trillende hemelkoepel de zon zich tot de koortsvisioenen van Vincent van Gogh samenbalt, vliegen er altijd flarden van vroeger door mij heen.

Dat gebeurt meestal wanneer het peloton een verder non-descript dal passeert en ditmaal viel dat bovendien samen met een uitleg van de commentator over kersensap. Tijdens deze tour zie je renners namelijk om de haverklap lurken aan flesjes met daarin een mysterieus, donker goedje en dat bleek dus kersensap te zijn.

Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Wielrenners nuttigen tegenwoordig zo’n vierhonderd kersen per dag, vertelde de commentator van dienst uitvoerig, omdat kersen een nog gunstiger effect sorteren op de polyfenolwaarde dan bieten, en hopla, daar vlogen mijn gedachten weg richting vroeger.

We zaten op het terras van een Gronings biercafé en wild gemaakt door die heerlijke, drukkende, zomerse zwoelte om mij heen bestelde ik een kriekbier, ook een soort kersensap, maar dan anders. We zaten daar die zomer elke avond, meestal om de etappe van die dag te bespreken en soms, als we de ochtend erna geen college hadden, om zelf een Tour de France te ondernemen, in ons geval een drankspel gebaseerd op de roman De helaasheid der dingen van Dimitri Verhulst.

(Nu weet ik uiteraard dat drankmisbruik niets is om trots op te zijn, maar als verzachtende omstandigheid wil ik graag inbrengen dat onze vormende jaren samenvielen met de hegemonie van Lance Armstrong bij US Postal en dat doet nu eenmaal wat met je kijk op verboden middelen.)

De spelregels waren simpel. Elk nieuw rondje stond gelijk aan één etappe. Wie zijn biertje tijdens de etappe het snelst achteroversloeg, verdiende punten voor de groene trui. Wie het biertje met het hoogste percentage soldaat maakte, deed goede zaken voor de bollentrui (de Muur van Westmalle Tripel was een klassieker) en aan het einde van de avond werd door diegene die het minst scheel keek een rekensom gemaakt, waarna ook het geel werd uitgereikt.

Gezien de aanwezigheid van meerdere Tadej Pogacar-achtige veelvraten in mijn vriendengroep, jongens die op werkelijk ieder terrein uitblonken, maakte ik die zomer geen schijn van kans. Mijn tactiek was daarom om zo lang mogelijk te sabbelen in het wiel van Miedema, op school nog een getalenteerd schaatser, maar in Groningen vooral groot drinker, waarna ik in de zesde ronde een Jonas Rickaertesque aanval plaatste in de hoop dat de klassementsmannen mij een etappeoverwinning gunden.

Dat deden ze nooit, dus ergens in die periode werd voor mij besloten dat ik het beter bij sportverslaggeving kon houden. Ik stribbelde nog wat tegen en zei dat sportverslaggevers doorgaans complexe mensen zijn (het is, zoals diezelfde Bomans ooit opmerkte, namelijk buitengewoon frustrerend iemand een carrière lang op de voet te moeten volgen, zonder diegene ooit in te halen), maar het pleit was reeds beslecht.

En dat brengt mij hier, op de sportpagina’s van de Volkskrant, een plek waar ik vooral dit jaar zeer content mee ben, omdat ik hem kan gebruiken u Tête de la course aan te raden, een boek vol magistrale wielerfoto’s van Volkskrant-fotograaf Klaas Jan van der Weij, begeleid door gedichten van Joost Hontelez. Ik verzeker u: het werkt zelfs nog beter op uw gemoed dan vierhonderd kersen in sapvorm.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next