Als twee medewerkers van een varkenshouderij opstappen, moeten ze ook hun woning uit. Ze spreken met de werkgever af dat het niet uitmaakt hoe de woning eraan toe is. Daar krijgt de baas later spijt van.
Illustratie Pam Werlotte
Twee mensen gaan halverwege 2020 aan de slag bij een grote varkenshouderij. Op een terrein met stallen staat ook een woning. Daar trekken ze in. Het gaat een paar jaar goed, tot ruzie met de baas de verhoudingen verstoort. Het komt niet meer goed. Een van de twee heeft dan net een kindje gekregen.
De betrokkenen stellen een vaststellingsovereenkomst en tekenen die op 3 mei 2024. Voor de ene werknemer eindigt het contract per 1 juni 2024, voor de ander – die tot 15 juni bevallingsverlof heeft – op 1 juli. Ze hoeven per direct niet meer te werken en krijgen beiden schadevergoeding, een beëindigingsvergoeding en hun vakantietoeslag. Niet opgenomen vakantie-uren zullen worden uitbetaald. In de overeenkomst staat verder dat ze op 5 mei de woning verlaten en de sleutels inleveren. Over het woonhuis vermeldt die expliciet: „Oplevering vindt plaats in de staat waarin het zich per heden bevindt, zonder dat partijen nadien terzake nog iets van elkaar te vorderen hebben.”
Zodra de werkgever de woning ziet, schrikt ze; er zijn alweer nieuwe werknemers die ze er wil huisvesten, maar dan zal eerst voor zeker zo’n 20.000 euro vertimmerd moeten worden. Terwijl de woning net gerenoveerd was toen de vorige medewerkers erin trokken.
Een maand nadat de sleutel is ingeleverd, vernietigt de werkgever de vaststellingsovereenkomst. De bedragen die de twee nog zouden krijgen, gaat de varkenshouder verrekenen met de kosten voor herstel van de woning.
Maar, denken de twee gewezen medewerkers: er was toch nadrukkelijk afgesproken dat de baas de woning zou accepteren zoals-ie was en dat niemand daarna nog iets kon vorderen? Ze stappen naar de rechter om de vergoedingen plus vakantiegeld en -uren alsnog te krijgen.
De werkgever vraagt de rechter juist of een en ander met elkaar verrekend kan worden. De twee hadden immers verkeerde informatie gegeven en daarom heeft ze ‘gedwaald’: had ze geweten dat de woning er zo slecht aan toe was, dan had ze de afspraak nooit gemaakt.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant vindt niet dat de werkgever heeft gedwaald. Maar had niet een van de medewerkers gezegd dat het een kwestie was van een paar muurtjes schilderen en een ruitje in een deur vervangen? Nee, geeft die medewerker aan: dat hadden ze voor vertrek nog willen doen. Daaruit kan de werkgever niet concluderen dat dit alle vereiste reparaties betreft, vindt de rechter.
Bovendien hadden de medewerkers een inspectie van de woning voorgesteld en daar is de werkgever niet op ingegaan. Juist daarom wilden de twee de bepaling in de overeenkomst dat de woning wordt geaccepteerd in de huidige staat – en daar heeft de werkgever mee ingestemd. Terwijl ze nota bene al bezorgd was over de staat van de woning, zoals blijkt uit een e-mail die ze begin 2024 aan hun advocaat stuurde: „Tot slot wordt gevreesd voor de staat van de woning. Er wordt vanuit gegaan dat uw cliënten die achterlaten in de staat waarin zij die hebben aanvaard (net gerenoveerd).” Geen dwaling dus.
„Een beroep op dwaling komt wel eens voor bij vaststellingsovereenkomsten”, zegt Stefan Sagel, hoogleraar arbeidsrecht aan de Universiteit Leiden en partner bij advocatenkantoor De Brauw Blackstone Westbroek. De rechter is volgens hem in het algemeen terughoudend om met zulke overeenkomsten te vernietigen, omdat die juist beogen een geschil te beëindigen en rechtszekerheid te bevorderen.
Met name in het arbeidsrecht wordt een beroep op vernietiging gedaan, aldus Sagel, als na aangaan van een beëindigingsovereenkomst met een riante ontslagvergoeding blijkt dat de medewerker al een nieuwe baan had toen de overeenkomst werd gesloten. „De werkgever stelt dan dat sprake is van dwaling omdat op dat moment werd aangenomen dat er geen andere baan was. Als de werkgever van de baan had geweten, had-ie die vergoeding niet geboden.”
Dat is volgens de hoogleraar trouwens geen uitgemaakte zaak. Want bij wie ligt de verantwoordelijkheid? „Moet je het uit jezelf zeggen als je een nieuwe baan hebt, of moet de werkgever ernaar vragen? Er zijn best wat rechters die vinden dat je zoiets uit jezelf moet melden, ook als er niet naar gevraagd is”, zegt Sagel.
„Hier is de vraag: had de werkgever moeten weten hoe de woning eraan toe is? En ja, er is aangedrongen op een inspectie – dat deed de werkgever niet, ofschoon ze vooraf zorgen heeft geuit. Dan is de redenering van de rechter duidelijk: je had kunnen kijken, dat doe je niet. Vervolgens ga je akkoord met de bepaling over het accepteren van de woning zoals die is. Ja, dan neem je willens en wetens het risico voor lief. Dan is er dus geen sprake van dwaling.”
Stel, de woning is bij sluiting van de vaststellingsovereenkomst in goede staat en bij oplevering niet meer, voegt Sagel toe, dan is er nog steeds geen sprake van dwaling, maar mogelijk wel van een wanprestatie van de medewerkers. Dat had meer kans geboden schade op hen te verhalen. Maar ook in dat geval had de woning, om wanprestatie te kunnen bewijzen, bekeken moeten worden.
„Voorbeeldje van iets beter opletten volgende keer.”
Uitspraak: Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 2 juli 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:4189
Deze rubriek belicht wekelijks rechterlijke uitspraken met economische gevolgen voor mensen of bedrijven
Een overzicht van de verhalen die de economieredactie vandaag heeft gemaakt
Source: NRC