In het New York van 1936 verenigden jonge, maatschappelijk betrokken fotografen zich in de Photo League. Vijftien jaar lang legden ze vast hoe hun stad zich door de Grote Depressie sloeg. In het Joods Museum in Amsterdam hangen de treurigste taferelen naast vrolijke snapshots.
is kunstredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft over fotografie en de zakelijke kant van de kunstwereld.
In de ene hand draagt hij een tas en in de andere zijn bed: kartonplaten die met touw worden bijeengehouden. Zijn gezicht staat op zorgelijk. Het is al donker, maar de slaapplek is nog niet bereikt. Hoe oud zou hij zijn? In de zestig? Naast hem hangt een aanplakbiljet met daarop de woorden ‘young and gay’ (jong en vrolijk), die nogal contrasteren met zijn kommervolle situatie.
De foto hangt in het begin van de tentoonstelling Photo League: New York 1936–1951 in het Joods Museum in Amsterdam, en met reden. Die toont de gevolgen van de Beurskrach van 1929 en de Great Depression daarna. Tijdens deze langdurige economische crisis kromp het bruto binnenlands product van de Verenigde Staten met eenderde en steeg het werkloosheidspercentage tot boven de 20 procent.
De bittere armoede die daardoor ontstond, werd een onderwerp voor fotografen. Dorothea Lange schoot (wereldberoemd geworden) beelden op het platteland, waar door de neergang talloze families op drift raakten. Ook in New York werden de gevolgen van de recessie vastgelegd. Jonge, maatschappelijk betrokken fotografen verenigden zich daar in 1936 in de Photo League.
Een expositie over deze groep bewijst dat heel wat talent zich daarbij aansloot. Photo League: New York 1936–1951 laat werk zien van klinkende namen als Lewis Hine, Paul Strand, Ruth Orkin, Lisette Model, Berenice Abbott en Weegee (pseudoniem van Ascher Fellig, hij nam rond 1940 de nachtelijke foto van de dakloze).
Ook bijzonder: het collectief telde relatief veel vrouwen en Joden. Veel beroepen waren voor hen moeilijk toegankelijk. Bij de Photo League lag dat compleet anders: ‘Iedereen met ten minste een basiskennis van fotografie komt in aanmerking voor lidmaatschap’, aldus een introductiefolder (waarin de groep vol bravoure is omschreven als de ‘sterkste en meest vitale stroming in de Amerikaanse fotografie’). De Photo League stelde donkere kamers ter beschikking, bood opleidingen aan, gaf een nieuwsbrief uit en organiseerde tentoonstellingen.
De tentoonstelling biedt een dwarsdoorsnede van het werk dat door de New Yorkse fotografen werd gemaakt. Treurige beelden, zoals portretten van akelig jonge schoenenpoetsers en krantenbezorgers, of de foto van ‘Hooverville’, de krottenwijk vernoemd naar de Amerikaanse president die verantwoordelijk werd geacht voor de economische terugval. Maar er hangen ook vrolijke snapshots van straat- en strandtaferelen en opnames die opvallen door hun poëtische kracht.
De afdrukken zijn eigendom van Howard Greenberg (1948), die een prestigieuze fotogalerie in New York drijft. Het is de tweede samenwerking tussen hem en het Joods Museum. Ruim tien jaar geleden toonde dat de ‘masterpieces’ uit zijn privéverzameling, kostbare klassiekers van topfotografen.
Het einde van de Photo League was tragisch. In 1947 werd de groep – als enige culturele instelling – op een lijst gezet van organisaties die werden verdacht van disloyaliteit aan de Verenigde Staten omdat ze ‘fascistisch, communistisch of subversief’ waren. Onder aanvoering van senator Joseph McCarthy zou de jacht op vermeende communisten kort daarna tot ongekende hoogte stijgen.
In 1949 werd duidelijk hoe de Photo League op de lijst was beland. Tijdens een strafproces tegen leiders van de CPUSA (Communistische Partij van de Verenigde Staten van Amerika) werd door de aanklager een verrassende getuige opgeroepen: Angela Calomiris, een fotograaf die al zeven jaar bij de politieke partij werkte. Ze bleek al die tijd een informant te zijn geweest van de opsporingsdienst FBI. In die periode was ze ook enige tijd in dienst geweest van de Photo League.
In de tentoonstelling hangt de furieuze verklaring die het collectief uitgaf na haar getuigenis. Het bestuur was ‘geschokt’ dat er een spion was ingezet tegen een ‘puur fotografische organisatie’. Het protest haalde weinig uit. In 1951 moest de Photo League zichzelf opheffen vanwege een gebrek aan financiën – veel leden hadden hun lidmaatschap opgezegd.
Calomiris werd na haar getuigenis een bekende figuur in de VS. Haar populariteit daalde echter toen ontdekt werd dat ze vorstelijk was betaald door de FBI. Ze trok zich terug op het toeristische schiereiland Cape Cod, waar ze met succes vakantiehuisjes uitbaatte.
Photo League: New York 1936–1951, Joods Museum in Amsterdam, t/m 11/1.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant