Nu Oasis terug is – en hoe! – herinnert poprecensent Gijsbert Kamer zich weer precies waarom hij fan van het eerste uur werd. Maar hij weet ook nog waarom zijn liefde voor de band voorgoed verdween. Hoewel, voorgoed?
schrijft voor de Volkskrant over popmuziek en jazz.
‘Oasis is de beste band ter wereld.’ Liam Gallagher liet er na het Nederlandse podiumdebuut op Lowlands in augustus 1994 geen misverstand over bestaan. Definitely Maybe, het debuutalbum van Oasis, zou de volgende dag uitkomen. ‘De nieuwe Britse popmuziek bestaat uit vijf mensen en dat zijn wij’, was een andere krasse uitspraak van de toen 21-jarige zanger van Oasis. Ik eindigde er een paar weken later, op 9 september 1994, mijn eerste stukje over de Britse popgroep mee.
Opschepperij natuurlijk, en uitspraken van het soort die hem en zijn vijf jaar oudere broer en gitarist van Oasis, Noel, toen al typeerden. Er was een Britse band in aantocht die groter en populairder zou worden dan alles wat de popgeschiedenis had meegemaakt sinds The Beatles – wat de broers Gallagher betreft ‘de beste band ter wereld’ – na Oasis, welteverstaan.
Ik vond die grootspraak potsierlijk, maar ik hoopte ergens dat ze gelijk kregen. Ik was wel toe aan eindelijk weer eens een Britse gitaarband met bravoure die het echt zou gaan maken. Ik hield van het opbeurende geluid van Blur en Suede, bands in opkomst die schatplichtig waren aan artiesten als de typisch Britse The Kinks en David Bowie. En ik verlangde terug naar melodisch sterke, klassieke popgroepen als The Beatles en The Jam, die een geluid brachten dat ik niet terughoorde in de meeste Amerikaanse rock.
Ik werd op mijn wenken bediend. Een jaar later brak Oasis in eigen land alle verkooprecords met hun tweede album (What’s The Story) Morning Glory? De single Wonderwall haalde ook in Nederland de top 10. Op het succes van Oasis stond vanaf dat moment geen maat. In augustus 1996 gaf Oasis twee openluchtconcerten in Knebworth waar een kwart miljoen bezoekers op af kwamen.
Nu, bijna dertig jaar later, staan de Britse kranten al dagen bol van de vijfsterrenrecensies van de concerten die Oasis voor het eerst in zestien jaar weer geeft. De tournee die vorige week vrijdag in Cardiff begon haalde ook hier alle journaals, want de cijfers liegen er niet om. Ruim 1,4 miljoen fans komen naar de grootste Britse en Ierse stadions. Voor de reeks van zeventien concerten waarmee Oasis hun thuisplaats Manchester aandoet hebben zich 14 miljoen mensen gemeld.
Dat zal zelfs Liam Gallagher toen, in 1994, niet hebben voorspeld. En ik al helemaal niet, ook al vond ik hun debuutalbum vol opzwepende rock-’n-roll fantastisch. Maar ik wist wel zeker dat ik mijn uiterste best zou doen mijn enthousiasme voor Oasis met de lezers van de Volkskrant te delen.
Ik schreef voor deze krant sinds eind 1992 vooral concertrecensies en soms een interview. Ik beschouwde mezelf als een omnivoor, maar had een zwak voor Britse gitaarpop, die het in die jaren volledig moest afleggen tegen de Amerikaanse. Nirvana was de standaard geworden en de band van Kurt Cobain nam in hun kielzog de hele grungebeweging mee.
Nirvana vond ik geweldig, maar Pearl Jam, Alice In Chains, Soundgarden en Stone Temple Pilots en andere grungebands deden me niets. Ik vond hun muziek zeurderig, negatief en vooral niet dansbaar, wat voor mij, als de dj die ik in de jaren negentig óók was, uiteraard belangrijk was.
Maar ik voelde me een roepende in de woestijn als ik met Pulp, Blur en Suede aankwam. Die pasten totaal niet in de tijdgeest van 1994.
Achteraf is het een treffende symboliek dat een week na de zelfmoord van Kurt Cobain de eerste single van Oasis, Supersonic, verscheen. Het tijdperk Nirvana werd afgesloten en dat van Oasis kon beginnen. Alleen moesten we er wel nog even op wachten.
Een opsteker voor de Britpopfan was, nog vóór Oasis’ Lowlandsoptreden in 1994, het concert van Blur tijdens het London Calling-festival in het Amsterdamse Paradiso, april 1994. Het derde album, Parklife, was net verschenen, het album dat van Blur voor even de populairste band van Groot-Brittannië zou maken.
Over Blur in Paradiso was ik dolenthousiast: ‘Met Damon Albarn heeft Engeland behalve een groot songschrijver eindelijk ook weer eens een zanger die zichtbaar veel plezier heeft in het uitvoeren van zijn liedjes.’ Wat me vooral beviel waren de opgewekte nummers. ‘Zeker in vergelijking tot de gedateerde navelstaarderij van een groep als Slowdive die aan Blur voorafging.’
Dit optreden van Blur markeerde voor mij het begin van een nieuwe lente in de Britse gitaarpop. Gitaren mochten weer sprankelen, liedjes mochten weer vrolijk worden meegezongen. Van Blur werd je blij, en dat was een gevoel dat toch even weg leek uit de Britse gitaarmuziek.
Op dat moment was van Blurs latere concurrent en kwelgeest Oasis was nog weinig te merken. Lowlands zou pas een paar maanden later plaatsvinden, maar ik had het geluk de band uit Manchester al eerder te kunnen zien, in juli 1994 in New York. In de kleine concertzaal Wetlands gaf Oasis zijn eerste Amerikaanse concert in het kader van het New Music Seminar, en ik was verkocht.
De band speelde liedjes van het nog te verschijnen debuutalbum dat niemand nog gehoord had. Nooit vergeet ik dat ik voor het eerst Live Forever hoorde en Liam met zijn snerpende stem de liedregel ‘Maybe I don’t really wanna know/ How your garden grows’ snauwt. Live Forever sprong er voor mij direct uit. Ik zie Liam nog op dat kleine podium staan. Toen al had hij zijn jarenlang typerende pose vervolmaakt: met zijn armen op zijn rug, en iets omhoog gestoken hoofd de woorden haast in de microfoon boven hem spugend. Bewegen deed hij nauwelijks en toch kon ik mijn ogen niet van hem afhouden.
En dan die stem, snerend en bijtend, als een kruising tussen John Lennon en Johnny Rotten. Liam Gallagher was een frontman zoals ik die nog nooit gezien had. Een kop waar je naar blééf kijken, een beetje dreigend misschien, zoals hij daar stond met een houding van: kom maar op, mij doen jullie niks.
Een maand later had ik Definitely Maybe gehoord en was ik als fan naar Biddinghuizen gekomen om Oasis te zien en te spreken. Maar ik zag vooral dat de band hier nog wat zieltjes te winnen had. Die speelde zondagmiddag in een halflege, niet erg grote tent, waar ‘nogal gemengd’, schreef ik, op Oasis werd gereageerd. ‘Voor sommigen was de aanblik van het lamlendig ogende stel genoeg om de tent uit te rennen’, noteerde ik toch wat teleurgesteld.
Oasis deed het vervolgens aardig in Nederland, maar lang niet zo goed als in eigen land. Ik volgde de in vooral de Britse weekbladen breed uitgemeten populariteitsrace tussen Blur en Oasis met zeer veel interesse. Parklife en Definitely Maybe waren de succesvolste albums van 1994 geworden. Oasis vond zichzelf de betere van de twee en liet niet na Blur in de bladen te beschimpen. Die zagen zo’n strijd tussen het kamp Blur en dat van Oasis wel zitten en verzonnen een ‘Battle of the Bands’. Net als dertig jaar eerder, toen het tussen de Beatles en de Rolling Stones ging, moesten popfans een keuze maken tussen Oasis en Blur.
Blur en Oasis zelf deden eraan mee en besloten het gevecht te beslechten met een heuse Battle Of Britain. Op 14 augustus brachten beide bands tegelijk een single uit; wie van de twee op 1 binnenkwam, had gewonnen. De strijd werd ook in Nederland zo serieus genomen dat de redactie van de Volkskrant-pagina Dag In Dag Uit me om een stukje vroeg. Ik schreef negenhonderd woorden over de twee bands en hun tweestrijd zonder me aan een voorspelling te wagen. Op zondagavond 20 augustus werd bekend dat Blurs Country House had gewonnnen van Roll With It van Oasis. Dat werd de laatste alinea die ik nog even doorbelde, zodat mijn stuk, mét ontknoping, maandagochtend in de krant stond.
Blur had de eerste ronde gewonnen, meldde de kop. Maar ze zouden de wedstrijd verliezen. Hun album The Great Escape dat volgde haalde bij lange na niet de verkoopcijfers van Oasis’ (What’s The Story) Morning Glory?, dat alle Britse verkooprecords zou breken.
Het opmerkelijke was dat juist dit album overal vrij lauw ontvangen werd. De bravoure en de tomeloze energie van het debuut was verdwenen in nummers waarvan er een paar niet eens door Liam, maar door zijn broer Noel werden gezongen.
De Britse pers was hard, en ook poprecensent Gert van Veen was in de Volkskrant niet heel enthousiast: ‘Al is Oasis de sympathiekste van de twee (en het meest rock-’n-roll)’, – de andere partij was Blur dus – ‘het valt niet mee meteen lovend te zijn over de nieuwe plaat.’
Waar iedereen vooral aan moest wennen was de stem van Noel, al werd wel zijn Don’t Look Back In Anger geroemd, dat naast Wonderwall en Champagne Supernova tot op de dag van vandaag een Oasis-klassieker is gebleven.
Zelf vond ik die tweede Oasis ook tegenvallen. Anders dan op het debuut waren nu niet álle nummers geweldig, al gaan die drie uitschieters wel zo hoog dat ik al snel begreep waarom Oasis zo groot werd.
Maar ik vreesde enkele weken na de albumrelease wel voor de band. Want in november 1995 begon de ellende. Optredens zoals in het Utrechtse Vredenburg werden gecanceld, en als ze wel plaatsvonden, liep een woedende Liam Gallagher nog wel eens van het podium. Zoals tijdens een concert in Brussel, waar ik destijds verslag van deed. Ik schreef op 2 november zelfs een beetje wanhopig dat hun optreden ‘zondagavond in Londen wel eens het laatste zou kunnen zijn’.
Ik doelde op de twee inmiddels legendarische concerten die Oasis in Earls Court gaf voor meer dan veertigduizend fans. De Britse muziekbladen hadden het over ‘historisch’ en ‘magisch’. Dat stelde me een beetje gerust. Evengoed was ik na het debacle in Brussel toch bevreesd voor hun show die voor januari daarop in Vredenburg in Utrecht gepland stond. Eindelijk was er een Britse gitaarband die die zaal kon uitverkopen; Blur, Suede, The Stone Roses of de Happy Mondays waren nooit verder gekomen dan het aanmerkelijk kleinere Paradiso (dat het toen met een balkon minder moest doen dan nu).
Ik hoopte echt dat Oasis het zou volhouden, en was oprecht boos toen ze er in januari toch ‘met de pet naar gooiden’.
Na een uur hield Liam het in Vredenburg voor gezien. Het publiek werd boos, en ik was inmiddels klaar met Oasis. ‘Het ergste is dat het de groep allemaal niet interesseert’, schreef ik. Mij interesseerde het ook niet meer – zo’n slap optreden juist op het moment dat Oasis hier zijn eerste hit kreeg met Wonderwall. Ik had er genoeg van en verheugde me op Blur, dat twee maanden later wel een geweldige show in Paradiso gaf. Weg met Oasis, leve Blur.
Alles kantelde weer toen ik de kans kreeg het eerste stadionconcert van Oasis bij te wonen. In thuisstad Manchester, nota bene in het stadion van de favoriete voetbalclub van de bandleden, Manchester City.
Wat het concert zaterdag 27 april 1996 zo onvergetelijk maakte is dat ik toen pas echt voelde wat de zeggingskracht was van liedjes als Supersonic, Live Forever, Wonderwall en Don’t Look Back In Anger. Dit waren nummers om keihard mee te brullen, en dat gebeurde in het stadion aan Maine Road ook. Hier bleek wat Oasis als geen andere band kan: nummers brengen die je niet stil tot je neemt, maar juist met zoveel mogelijk mensen tegelijk mee móét zingen. De eenvoud van Noel Gallaghers muziek (hij schrijft alle Oasis-liedjes) en de weergaloze zang van broer Liam leidden daar tot euforie zoals ik die bij popconcerten nooit eerder had meegemaakt.
Ik had voor de krant van de maandag erop alle ruimte de grootheid van Oasis te duiden – en herinner me nog altijd de bejaarde stadionsuppoost die de toegift, I Am The Walrus van The Beatles, meezong.
Maar Oasis bleef wankel, net als mijn enthousiasme voor de band. Vier maanden later werd die namelijk alweer op de proef gesteld toen ik op uitnodiging van MTV naar de Unplugged-opnamen van een Oasis-concert in Londen mocht. Tussen vierhonderd ‘gelukkigen’ zag ik al snel dat de microfoon van Liam ontbrak. Hij bleek het hele concert niet mee te doen en liet zich tot vermaak van het publiek alleen even zien in een van de loges. Noel moest al zijn liedjes zelf zingen omdat zijn broertje geen zin had. Het was bij vlagen aardig maar vooral saai, noteerde ik een week later in de krant. Nog geen week nadat Oasis in Knebworth voor een kwart miljoen fans had gespeeld liet Liam ze weer in de steek.
Het zou het begin zijn van een klein jaar waarin Oasis vooral de tabloids haalde door overmatig drank- en drugsgebruik en andere celebrityroddels. Toch bleef de populariteit van de band vooral in eigen land ongenaakbaar, tot aan de hoogste politieke kringen. Noel Gallagher die premier Tony Blair de in Downing Street 10 de hand schudde: het was een foto die de hele wereld overging.
En dan is er ineens een datum voor het derde Oasis-album, Be Here Now. Op 21 augustus 1997 zouden de winkels er speciaal om middernacht voor opengaan. Daar wilde ik bij zijn om er in de krant verslag van te doen. Dat de Londense platenzaken pas de volgende ochtend om acht uur opengingen was een teleurstelling, en dat was het album eigenlijk ook. Maar ik schreef op 22 augustus een jubelstuk over Be Here Now, mogelijk aangespoord door de vijfsterrenrecensies die er in de Britse bladen al over verschenen waren.
‘Verbluffend goed’ vond ik het album, waarop alle nummers toch minstens drie minuten te lang duurden. Dat realiseerde ik me later ook wel. Ik had me even laten gaan in mijn enthousiasme, en kwam niet met één, maar zelfs twee stukjes terug. ‘Goed gedaan, maar een beetje overdreven’, stelde chef kunst Ariejan Korteweg bij thuiskomst terecht. Misschien typeerde het wel mijn hele houding jegens Oasis drie jaar lang: als fan voelde ik me bijna persoonlijk gekwetst als de band wat minder was.
Ik zou nog een laatste keer over Oasis schrijven toen de band in november 1997 in de Brabanthallen zijn grootste optreden in Nederland gaf. ‘Oasis in Nederland, het kan dus toch’, concludeerde ik. Dat de neergang was ingezet en Oasis hier en daarbuiten nooit meer het niveau van 1996 zou halen, wist ik toen nog niet.
Maar nu: als ik alle reacties op de eerste concerten sinds 2009 mag geloven, zijn de bandleden weer op de toppen van hun kunnen. Ik had mijn overdosis Oasis wel gehad, dacht ik. Maar ergens begint het toch weer te knagen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant