schrijft voor de Volkskrant over literatuur, non-fictie en onderwijs.
Zijn die vermaledijde leerlingvolgsystemen toch nog ergens goed voor. Dankzij deze Big Brother, die de prestaties van kinderen vanaf hun kleutertijd volgt en toetst, en hen daarmee in een voortdurende competitie ten opzichte van elkaar zet, weten we nu iets belangrijks: dat er enorme verschillen zijn in ‘leerwinst’ tussen basisscholen in Nederland.
‘Leerwinst’ is iets anders dan leerresultaat: dat kan goed zijn, maar toch ondermaats als het opleidingsniveau van de ouders hoog is. Leerwinst is wat het onderwijs toevoegt, dat waarin een school het verschil maakt. Het Centraal Planbureau onderzocht op verzoek van het ministerie van Onderwijs de gegevens van zes cohorten van leerlingen, van groep 3 tot 7.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Het maakt in Nederland veel uit voor je toekomstkansen op welke school je zit. We maken ons druk om de verschillen tussen doorstroomtoetsen – terecht, dat zou er één moeten zijn, maar zelden over de onaanvaardbare kwaliteitsverschillen tussen scholen. Hetzelfde kind zal op de ene school in groep 8 een vmbo-t-advies krijgen, op een andere een havo-advies.
In 2024 gaf de Onderwijsinspectie, na een steekproef op 225 scholen, ruim 20 procent van de scholen het oordeel ‘onvoldoende’. Deze scholen moesten, was de reactie bij het ministerie, maar leren van scholen waar het wél lukt om kinderen veel bij te brengen – een gratuit en zinloos advies als je zoiets niet afdwingt.
Volgens het nieuwe CPB-onderzoek is er geen verschil in leerwinst tussen kinderen met een migratieachtergrond en anderen. Wel is er een verband met het opleidingsniveau van de ouders. Hbo- of wo-opgeleide ouders weten vaker kwalitatief goede scholen te vinden, of doen hun kinderen op bijles. Wat goede basisscholen precies doen of nalaten, is niet onderzocht. De verschillen zijn níet te wijten aan klassengrootte of personeelsgebrek, dus die excuses tellen niet. Wel blijkt dat scholen met leraren die langer in dienst zijn meer leerwinst behalen. Ervaring loont.
Internationaal staat Nederland er niet best op. Niet alleen zakken de scores bij lezen en wiskunde al jarenlang op de internationale Pisa-lijsten, bij Pisa 2019 bleek dat de verschillen in leesvaardigheid tussen scholen bij ons groot zijn, groter dan in andere landen.
Wij zijn geen genivelleerd landje. Dat blijkt ook uit het promotieonderzoek van econoom Sander de Vries van de Vrije Universiteit Amsterdam: de kansenongelijkheid in Nederland is groter dan in vergelijkbare landen, ontdekte hij. Hij keek naar het inkomen van ouders en van hun kinderen na hun 30ste, naar hun opleidingsniveau en gezondheidsuitgaven.
Ons land is ongelijker dan de Scandinavische landen, Duitsland, Australië en Canada; Nederland is vergelijkbaar met Frankrijk, Italië en het Verenigd Koninkrijk. Kinderen uit de minst kansrijke gezinnen volgen hier gemiddeld minder dan twaalf jaar onderwijs, kinderen uit de meest kansrijke groep ruim zeventien jaar. Kinderen van de rijkste 0,5 procent ouders verdienen later jaarlijks gemiddeld 140 duizend euro meer dan kinderen van de armste 0,5 procent.
Onderwijs kan niet alles wat scheefloopt in een mensenleven voorkomen, maar kan wél de kansen vergroten. Dat begint bij de overtuiging dat goed onderwijs simpelweg effect heeft. In ons onderwijs heerst de diepgewortelde traditie om te denken dat ‘niveau’ in lood is geklonken en niet het resultaat van geslaagd onderwijs. Wij denken niet in groei, verwachtingen en mogelijkheden, maar leggen kinderen een plafond op. Wij zijn het land van de potjes en de dekseltjes, de schoenmaker en zijn leest, en het schooladvies ‘dat bij je past’.
Begin eerst maar eens bij het belangrijkste en het moeilijkste: dat alle kinderen op Nederlandse basisscholen gegarandeerd zo veel mogelijk leren. Dat biedt kansen.
Source: Volkskrant