María Esther Laguardia is 100 jaar. Hoe kijkt deze Spaanse vrouw uit Pamplona terug op de bewogen eeuw die achter haar ligt?
is buitenlandredacteur van de Volkskrant. Ze schrijft over het Middellandse Zeegebied en migratie.
María Esther Laguardia vindt het belangrijk om er piekfijn uit te zien. Met gestifte lippen en gelakte nagels maakt de 100-jarige iedere ochtend een rondje door haar buurt in Pamplona (Noord-Spanje) om brood en fruit te kopen. Zelfstandig, zonder stok of rollator.
Na de siësta gaat ze opnieuw naar buiten. Dan zit ze met haar – bijna allemaal veel jongere – vriendinnen op het plein en nemen ze roddels en het laatste nieuws door.
Haar leven is een luxe vergeleken met de bittere armoede waarin ze opgroeide. Al heeft Laguardia er altijd voor gezorgd dat ze er netjes uitzag. ‘Wij kleurden onze lippen vroeger met potloden’, vertelt ze, gezeten in haar appartement vol familiefoto’s.
U woont nog zelfstandig. Krijgt u hulp?
‘Ja, vooral de laatste tijd. Sinds ik mijn 100ste verjaardag heb gevierd, gaat het ineens slechter met me. Die hele dag heb ik gedanst, we zijn uit eten geweest. Maar de volgende ochtend stond ik slecht op.
‘Nu komt iedere morgen een van mijn dochters langs, om mijn bed op te maken en mijn kousen aan te trekken. Ook iedere namiddag komt een dochter langs. Sinds ik weduwe ben, laten ze me niet alleen. Mijn dochters brengen me ook mijn middagmaal.’
100 in het buitenland
De serie met interviews met 100-jarigen gaat deze zomer de grens over. In juli en augustus vertellen eeuwelingen uit onder andere Mexico, het Verenigd Koninkrijk, Turkije en Spanje over hun leven.
In wat voor omstandigheden bent u opgegroeid?
‘Ik ben geboren in Ciáurriz (een dorpje bij Pamplona, red.). We waren zo arm als de ratten. Wat de rijken weggooiden, dat raapten wij op. We aten de sinaasappelschillen die zij niet meer hoefden.
‘Mijn vader maakte bezems van takken. Als we uit school kwamen, mochten we niet gaan spelen. We moesten helpen: takken zoeken, ze plat slaan met een hamer. Net zo lang tot we, tegen de avond, naar de kerk moesten om de rozenkrans te bidden. Dan kwamen alle kinderen van het dorp bij elkaar om overlopertje te spelen. Als we lachend de kerk binnenkwamen, moesten we voor straf op onze knieën voor het altaar.
‘Mijn vader liet zijn bezems naar andere dorpen brengen, om ze daar te verkopen. Ik ging dan op pad om de opbrengsten te innen. We deden alles lopend, dwars door de heuvels, grote wegen waren er niet.’
Mocht u doorleren?
‘Nee, zodra ik 12 was, moest ik aan het werk als dienstmeisje. Op school had ik leren optellen, aftrekken en vermenigvuldigen. Later, tijdens de burgeroorlog, schreef ik de mooiste brieven aan de soldaten uit het dorp die aan het front zaten. Dan namen ze voor ons panty’s mee, die leken wel van glas, je kreeg ze niet kapot.
‘Thuis mocht ik niets. Niet uitgaan, niet dansen, niet rennen, niet te laat komen. Maar als dienstmeisje had ik meer vrijheid. Wij jongeren spraken weleens af in een verlaten steengroeve, om daar te dansen.
‘De was deden we met onze wasborden in de rivier. Soms zagen we daar vrouwen met doeken vol bloed. ‘Wat is dat?’, vroegen we aan elkaar. ‘Ze zullen zich wel gesneden hebben!’ Over ongesteldheid wisten we niets. Onze ouders hadden er nooit iets over gezegd. We trouwden en wisten nergens van.
‘Drie dingen werden er later tegen me gezegd toen ik op mijn trouwdag bij het altaar stond: kinderen krijgen, voor je man zorgen en voor het huis. Dat was het.’
Wat heeft u gemerkt van de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939)?
‘Op een dag was ik als dienstmeisje op weg om de mannen in het veld eten te brengen. Toen zag ik ineens dat er twee mannen werden doodgeschoten. Ik zie het nog voor me, het was bij een boom. Plof, plof. Net op dat moment kwam ik daarlangs.
‘Wat die mannen hadden misdaan? Ze gingen niet naar de mis. De priesters gaven door wie er niet kwam.
‘In huis, achter twee kasten die elkaar raakten in de hoek van de kamer, zat een meneer verstopt. Dat was er ook zo een die niet naar de mis ging. Dag en nacht zat hij daar. Wij brachten hem te eten. Maar misschien moet ik wel naar de gevangenis als ik dit vertel!
‘Ik herinner me ook nog dat er op een nacht politieke gevangenen ontsnapten uit het fort van San Cristóbal in Pamplona. Ze liepen door de heuvels. De mannen uit ons dorp wisten die gevangenen te pakken. Ze sloten hen op binnen een omheining. Later kwam er een vrachtwagen en die nam de gevangenen mee.’ (Van de 792 gevangenen die op 22 mei 1938 ontsnapten in Pamplona schoten de nationalistische militairen van Franco er 211 dood, red.)
Hoe ontmoette u uw man?
‘Hij woonde in een dorp in de buurt. Ik leerde naaien van zijn zus. Joaquín en ik gingen weleens samen wandelen, maar altijd in het gezelschap van anderen. Ik weet niet waarom, maar ineens ging het over mijn verloofde.
‘Toen ik 20 was, ben ik met hem getrouwd. Mijn moeder was net overleden en mijn familie was heel arm. Mijn schoonzussen mochten me helemaal niet. Ik had geen geld, en zij wilden er een met geld. Uiteindelijk ben ik met Joaquín getrouwd, maar het leek wel een begrafenis.
‘In de jaren erna heb ik gewerkt als een paard. Heel vroeg in de ochtend gingen we al aan het werk op het land. En om drie uur ’s middags waren we nog bezig. De zon brandde toen nog niet zoals nu.
‘Ik weet nog dat we karren aan het opladen waren, dat ik naar huis ging, en dat ik toen van een van de kinderen beviel. Er kwam een oud vrouwtje in het zwart om te helpen. Een arts heb ik nooit gezien. Ach, zeg me niet dat dit niet triest is. De mannen hadden ons om dezelfde reden als de paarden. Echt waar.
‘Avonden lang was ik bezig met kleding herstellen. Ieder kind had maar één set, plus een set voor de zondag. Nu heeft iedereen kapotte broeken aan. Dat had wel eerder in de mode mogen zijn!
‘Ik snap niet hoe het kan dat de mensen tegenwoordig zeggen dat ze zo moe zijn. Soms belt mijn kleindochter me, en zegt ze: ik ben verschrikkelijk moe! Ik vraag haar: en wat ga je nu doen? Nou, zegt ze, ik ga hierheen of daarheen. Hup, naar bed, zeg ik dan.’
Had u een gelijkwaardig huwelijk?
‘Wij vrouwen hadden niets in te brengen. De kinderen hadden voor hun vader groot respect. Of angst. Ik weet niet wat het was, maar er was iets. En wij hadden dat ook, voor onze echtgenoot.
‘Voor alles moesten we toestemming vragen. Als ik boodschappen ging doen, moest ik mijn man om geld vragen. Op zondagavond gingen we allemaal naar de kerk om de rozenkrans te bidden, en daarna moesten de vrouwen rechtstreeks naar huis. Ik zette de kinderen in een gesloten karretje en ging de koeien melken. En de mannen? Die gingen kaarten.’
Hoe heeft u de dictatuur onder Franco ervaren?
‘Het was vrede. En verder mocht je niets zeggen.
‘Er was in die tijd ook veel armoede. Mijn man was burgemeester. Zijn taak was het om de armen in de avond te verdelen over de huizen van het dorp. Het waren mensen van elders, ze kwamen overal vandaan en ze hadden niets. Ze kregen een slaapplek, een avondmaal, een goed bed van stro, een ontbijt. En dan gingen ze weer. We waren heel goed van vertrouwen.’
Waarom bent u met het gezin naar de stad verhuisd, naar Pamplona?
‘Mijn man wilde niet meer op het land werken, en de kinderen ook niet. Joaquín vond een baan bij de rubberfabriek in Pamplona. Binnen een paar maanden vonden ook de twee oudste kinderen werk en verhuisden we met het hele gezin naar dit appartement in Rochapea (wijk met veel fabrieken en arbeiders, red.).
‘Ik ben heel tevreden dat we hiernaartoe zijn verhuisd. Er was ineens een bioscoop, een zwembad. En ik hoefde minder hard te werken. Het was het huis bijhouden, en broodjes smeren voor als iedereen ’s avonds thuiskwam.
‘Tegen het einde van het franquisme had je hier voortdurend demonstraties. Mensen gingen de straat op voor meer werk, meer geld. Ik herinner me dat ik in een grote demonstratie belandde, en dat ik de hele weg naar huis ben gerend. De politie kwam achter de demonstranten aan. We deden toen knijpers tussen de deur, zodat de betogers de portalen binnen konden als de politie hen opjoeg.’
U bent al op uw 58ste weduwe geworden. Hoe was dat voor u?
‘Ik ben verdergegaan. Wat gebeurd is, is gebeurd. Vanaf de eerste dag moest ik de straat op om dingen te kopen, want ik had nog twee dochters in huis. Maar ook nadat ik weduwe was geworden, heb ik het leuk gehad. Vanaf dat moment was ik zelfstandig.
‘Tegen de mannen van mijn dochters zeg ik altijd: ik hoop dat jullie nog lang leven, en dat jullie dan als eerste gaan. Want wij vrouwen weten altijd weer vooruit te komen. Wij zijn sterk. Wat mij betreft is het tijd voor een vrouwelijke premier.’
Wat wilde u uw kinderen meegeven?
‘Dat ze goede mensen moeten zijn. En dat ze er moeten zijn, dat maakt veel verschil. Ik houd van natafelen. Mijn kinderen blijven ook altijd tot het laatst, zelfs al kennen ze de mensen niet met wie ze aan tafel zitten.’
Wat is voor u een belangrijke levensles?
‘Je moet zelf energie steken in het leven. Aan mij zie je het niet als er iets met me is. Zelfs niet als ik naar de dokter moet. Er zijn mensen die er dan zo bij gaan zitten’ – ze duikt tussen haar schouders – ‘maar je kunt gewoon vertellen wat er aan de hand is. Dan helpen ze je ook.’
Wat ziet u als de grootste verandering van de afgelopen eeuw?
‘Voor mij is dat uitgaan. Van niet naar buiten gaan tot overal naartoe gaan. Al ben ik inmiddels wel weer erg afhankelijk van anderen. Als ik schoenen moet kopen, of ergens anders heen wil, altijd moet er iemand mee. Nu is het leven niet meer hetzelfde.’
Geboren: 13 januari 1925 in Ciáurriz (Spanje)
Woont: zelfstandig, in Pamplona
Beroep: dienstmeisje, huisvrouw en boerin
Familie: nog 1 zus, 8 kinderen, 10 kleinkinderen, 10 achterkleinkinderen
Weduwe sinds 1983
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant