Het aantal ADHD-diagnoses in Nederland blijft toenemen. In 2023 kregen bijna 300 duizend mensen medicatie voorgeschreven tegen de stoornis, een verviervoudiging ten opzichte van 2006. Ook sociaal-economische klasse speelt een rol, blijkt uit de cijfers van het CBS, de groep die ADHD-medicatie krijgt voorgeschreven is het kleinst bij de hogere inkomens.
is nieuwsverslaggever van de Volkskrant.
Over attention-deficit/hyperactivity disorder (ADHD) bestaan veel misvattingen. Dat het een eenduidige afwijking is in de hersenen, bijvoorbeeld, of dat het vooral gaat over dat drukke jongetje in de klas. Volgens sommigen is het een modeverschijnsel en geen echte stoornis. In werkelijkheid is het een beschrijvende term voor een verzameling klachten als hyperactiviteit, impulsiviteit en aandachtsproblemen, zowel bij kinderen als volwassenen.
Om dit soort klachten het hoofd te bieden, kunnen middelen als methylfenidaat en dexamfetamine worden voorgeschreven. Sinds de inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet in 2006 zijn er gegevens beschikbaar over de verstrekking van ADHD-middelen. Op basis daarvan kan worden afgelezen hoe het aantal mensen met een ADHD-diagnose zich ontwikkelt.
Uit de meest recente cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt dat in 2023 bijna 300 duizend mensen (ruim 1,5 procent van de Nederlandse bevolking) medicatie kregen voorgeschreven vanwege ADHD. Dat is bijna vier keer zo veel als de 78 duizend in 2006, wat destijds neerkwam op een half procent van de bevolking. Onder vrouwen is de stijging verreweg het sterkst: zes keer zoveel diagnoses, tegenover tweeënhalf keer zoveel bij de mannen.
Volgens kinderpsychiater Branko van Hulst, die onderzoek doet naar ADHD, zijn er twee manieren om naar de stijging te kijken. Zo kan het zijn dat veel mensen met individuele aandachtsproblemen nu vaker worden gezien, bijvoorbeeld doordat er meer over wordt gepraat.
‘Of’, zegt Van Hulst, ‘als zo veel mensen vastlopen met hun aandacht en concentratie, moeten we kritisch kijken naar de omgeving waarin zij zich staande proberen te houden – naar de maatschappij dus.’ Volgens Van Hulst kunnen de twee zienswijzen naast elkaar bestaan. ‘Maar ikzelf neig sterk naar die laatste.’
Van Hulst neemt de toename in het aantal diagnoses bij vrouwen als voorbeeld. ‘Historisch gezien kregen de psychische en medische problemen van vrouwen geen naam en aandacht. ADHD is helemaal bedacht op het stereotiepe drukke jongetje. De terechte kritiek was dat we geen aandacht hadden voor hoe vrouwen vastlopen, maar die aandacht is er nu wat ADHD betreft steeds meer.’
‘Tegelijkertijd legt de maatschappij vrouwen oneigenlijke druk op’, vervolgt Van Hulst. ‘Bijvoorbeeld door de verschillende rollen die ze naast elkaar hebben: een baan en het grootste deel van de zorgtaken. Als je hierin vastloopt als vrouw en je noemt het ADHD, is het een probleem van jezelf en niet van je omstandigheden.’ En juist die omstandigheden zou je moeten aanpassen, vindt Van Hulst, bijvoorbeeld door zorgtaken anders te verdelen.
De CBS-cijfers tonen ook een verband aan tussen inkomensniveau en het aantal ADHD-medicatievoorschriften. Dat is het kleinst bij de hogere inkomensgroepen. ‘We weten uit onderzoek dat ADHD en armoede met elkaar geassocieerd zijn’, zegt Van Hulst. ‘Dat werkt waarschijnlijk twee kanten op: ADHD vergroot de kans op armoede, maar armoede vergroot ook de kans op ADHD.’
Luister hieronder naar onze podcast de Volkskrant Elke Dag. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant