Frank Heinen is schrijver en columnist voor de Volkskrant.
Ik was een jaar of 9 en we reden het dorp binnen. Het was het einde van de middag, het eind van de zomer, de vakantie was voorbij, de voetbaltrainingen waren al begonnen, school nog niet. Uit de tuinen steeg de geur van verkolend vlees op.
Ik keek door het autoraampje en probeerde te ontdekken wat er anders was. Maar alles was nog precies zoals het was toen we vertrokken. Zelfde huizen, zelfde mensen, zelfde winkels, zelfde bloemen in de tuinen, zelfde fietsen op de stoep. Bij binnenkomst rook ons huis even vreemd, naar afwezigheid, maar die geur vervloog door de ramen die mijn moeder onmiddellijk openzette. Verder lag alles er roerloos bij.
Hoe kun je zó lang weg zijn – gevoelsmatig minstens een halfjaar, ook al beweerden mijn ouders dat het slechts drie weken waren – en dan alles exact zo aantreffen zoals het eerder was? Daarna bladerde ik door de kranten die in scheefhangende stapels op de keukentafel lagen. Van alles gebeurd, niks veranderd. Een vaststelling die me in gelijke mate teleur- en geruststelde.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Later vandaag rijd ik voor het eerst in mijn leven zelf de stad uit, de zomer in. Inmiddels ben ik een jaar of 39. Schuin achter me, in een kinderzitje, iemand die nog van niks weet. Ze kraait de bestemming wel na, als je die haar maar vaak genoeg voorzegt, maar als een klank zonder betekenis. De wereld is voor haar zo nieuw dat zelfs het oude nog vers voelt.
Ook nu zal ik voor mijn gevoel vijf keer zo lang weg zijn als we daadwerkelijk weg zullen zijn, en ook nu zal ogenschijnlijk alles hetzelfde zijn gebleven. Over een aantal weken zal ik met hetzelfde gevoel van destijds de stad binnenrijden. En dit is wat ik zal zien: dezelfde huizen, dezelfde mensen, dezelfde winkels, dezelfde bloemen in de tuinen, dezelfde fietsen op de stoep.
Vermoedelijk realiseer ik me dan dat er niet echt niks veranderd is, ik zal hoogstens vaststellen dat er nog weinig van te merken is. Zelfs in een tijd waarin al het nieuws allesomvattend voelt, en de wereld gevangen lijkt in een permanente noodtoestand, voltrekken de meeste grote veranderingen zich traag. Ze zijn als het uiterlijk van je kind: alleen wie er niet dagelijks mee wordt geconfronteerd, ziet wat er echt gebeurt.
Als ik weer terug ben, is de aarde een beetje verder opgewarmd, is de kloof tussen wie tot zich laat doordringen wat in Gaza gebeurt en wie dat niet wil of er niet (meer) toe in staat is nog iets dieper, is de koning met geen gouden stok weg te krijgen bij zijn onderdanen, en bewandelt de politicus die vluchtelingen humaan wil deporteren de electoraal gulden middenweg tussen ‘te wreed’ en ‘precies wreed genoeg’.
Steeds onbeschroomder steken bezorgde medemensen hun rechterhand schuin in de lucht (hun uit haat opgewekte vreugde moet toch ergens heen) en bij elke krant die ik van de stapel op de keukentafel pak, van nieuw naar oud, als een rampenfilm die je van achter naar voor bekijkt, zal ik even aan Menno Wigman denken: nog een geluk dat ik niet eeuwen later ben geboren.
Als ik weer terug ben, is de Tour voorbij. Alleen nog Zomergasten, de verkiezingen, tienduizenden onschuldige oorlogsdoden en dan is het alweer kerst. Rond die tijd rijd ik vast weer ergens heen, met schuin achter me iemand die plots begrijpt waar ze naartoe gaat, en herinner ik me dat ik ooit echt geloofde dat ’s zomers niets verandert.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app. Klik op het belletje naast de auteursnaam.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant