Home

Zweedse econoom trekt compleet andere conclusie uit Piketty’s data: het valt wel mee met de ongelijkheid

Ongelijkheid in het Westen is niet zo’n groot probleem als Thomas Piketty stelt. Dat zegt de Zweedse econoom Daniel Waldenström, die dezelfde data bestudeerde als zijn beroemde oud-collega. ‘We mogen trots zijn op de welvaartsstaten die we hebben opgebouwd.’

is economieredacteur voor de Volkskrant. Hij schrijft onder meer over grote bedrijven, ongelijkheid en lobby.

De Piketty van rechts? Zo wordt Daniel Waldenström liever niet genoemd. ‘Ik ken Thomas heel goed, we zijn vier jaar collega’s geweest in Parijs’, zegt hij over de Franse stereconoom, die in 2014 met zijn boek Kapitaal in de 21ste eeuw een goeroe werd in de strijd tegen de groeiende vermogensongelijkheid tussen arm en rijk. ‘Ik heb hem hoog zitten, maar Thomas werkt openlijk voor socialistische kandidaten. Prima, maar ik wil niet in een links-rechts-discussie verzeild raken. Ik ben pragmatisch en kijk naar de data.’

Waldenström (51) is een Zweedse econoom, die hoogleraar is aan het (deels door de Zweedse werkgevers gefinancierde) Research Institute of Industrial Economics in Stockholm. Hij werkte van juli 2015 tot juni 2019 met Piketty, en ging in die tijd steeds meer twijfelen aan diens verhaal over de snelgroeiende vermogenskloof, veroorzaakt door rijken die steeds rijker werden en worden.

In zijn boek stelde Piketty dat het nettorendement op vermogen in de recente geschiedenis altijd hoger was dan de economische groei. Het kapitalisme leidt er zo toe dat rijkdom zich concentreert bij een kleine groep aan de top, ten koste van de rest van de bevolking. Die boodschap sloeg destijds in als een bom.

Waldenströms twijfels over die stelling culmineerden in zijn boek Richer and more equal (‘rijker en gelijker’), dat vorig jaar verscheen. De kernboodschap: in de westerse wereld valt het wel mee met de ongelijkheid. De rijken werden inderdaad rijker, maar het vermogen van de middenklasse groeide nog veel sneller, met dank aan de huizenmarkt en de pensioenen.

‘Het verkoopt nog niet zo goed als het boek van Thomas, die er miljonair mee is geworden’, zegt de Zweed lachend.

Piketty en u gebruiken dezelfde data. Toch zijn de uitkomsten compleet anders. Piketty vindt de ongelijkheid een groot probleem, volgens u valt het wel mee.

‘We gebruiken dezelfde data, maar onze interpretatie ervan ging in de loop van de tijd steeds meer verschillen. Het gaat om data die je begrijpelijk moet maken in de tijd, van de agrarische samenleving via de industriële revolutie tot de moderne tijd. Wat is dan groot en klein? Wat was de rol van oorlogen, van groeiende overheden, van belastingen?

‘Toen ik andere dingen ging lezen, begon ik te denken dat Thomas’ interpretatie niet meer geldig was.’

Misschien hangt het af van naar welke periode je kijkt. Ten opzichte van honderd jaar geleden is alles natuurlijk beter geworden. Maar sinds de jaren tachtig loopt de vermogensongelijkheid weer op.

‘Een terechte vraag. Het grappige is, de samenleving begin jaren tachtig was mogelijk de meest gelijke in de geschiedenis van de mensheid. Ongelijke samenlevingen werken misschien minder goed dan gelijke, maar ik denk dat Thomas, mensen in het politieke midden en die aan de linkerkant ongelijkheid áltijd slecht en te groot vinden.

‘Laten we het in perspectief zetten. We hebben in de 20ste eeuw enorm veel gedaan tegen ongelijkheid. We hebben welvaartsstaten opgebouwd door het onderwijs uit te breiden, door de omstandigheden op de werkvloer te verbeteren en door belastingen in te voeren. We hebben het belastingniveau bijna verviervoudigd. Honderd jaar geleden was het 10 procent van het bruto binnenlands product, nu is het bijna 40.

‘En dan zeggen zij: het is zó ongelijk. De rijken zijn rijker dan ooit, de armen zijn armer dan ooit. Dan denk ik: dat kan niet waar zijn. Armen hadden honderd jaar en vijftig jaar geleden een veel slechter leven dan mensen met een laag inkomen nu.

‘Arme mensen hebben geprofiteerd van de economische groei. Ze hebben betere en veiligere auto’s. Er is medische vooruitgang geweest, waardoor ook normale mensen een nieuwe heup kunnen krijgen. Mensen leven in verwarmde appartementen. Misschien niet altijd even groot, maar ze hebben water, wc’s, de woningen zijn geïsoleerd, noem maar op.’

En de jaren tachtig?

‘Die waren een wake-up­call. Het ging slecht. We hadden economische stagnatie, we werden ingehaald en overvleugeld door Azië. De markten waren zwaar gereguleerd, we hadden enorme belastingen. Het resultaat was weinig groei en weinig ondernemerschap. Arbeiders die niet heel hard werkten, tandartsen die vooral golf speelden in plaats van hun patiënten te behandelen.

‘Toen is gezegd: we moeten iets doen, mensen zijn niet blij met deze situatie. We moeten dereguleren, met lagere belastingen om groei en creativiteit te stimuleren. De mensen die vooropliepen in deze ontwikkeling werden rijk. Want door de globalisering was je niet meer alleen marktleider in Nederland, maar wereldwijd. De leidende mensen maakten grote winsten.

‘Is dat een probleem? Ik ben tamelijk gelukkig dat die mensen in Californië met Apple begonnen. Of Microsoft. Of Philips, met de scheerapparaten. We hebben enorm van al die innovaties geprofiteerd.

‘Ik zou nooit een apparaat van Philips kopen als ik dat niet wilde. Dat weet Philips, daarom moeten ze heel hard hun best doen om iets te maken dat ik wil kopen. Dus je had productieve ondernemers die waarde creëerden en ook rijk werden. Maar ze deden iets goed.

‘Belangrijk daarbij is dat het een democratisch verankerde markteconomie is. Een dynamisch proces met toegang tot de markten, zodat ondernemers de grote jongens kunnen aftroeven. Zoals OpenAI misschien wel gaat doen met Google.

‘Een democratische omgeving geeft de mogelijkheid belasting te heffen en het onderwijssysteem te verbeteren, zodat iedereen een goed uitgangspunt heeft. Dit is iets wat Thomas voor een belangrijk deel heeft genegeerd. De rol van regels en instituties, economisch en politiek, en de democratische transitie heeft hij gemist. Die hebben geleid tot meer inclusie en een gelijkere uitkomst.’

Wat niet is veranderd, is dat mensen in de onderste helft geen vermogen hebben. Dat kunnen ze niet opbouwen omdat ze te veel belasting moeten betalen over hun inkomen.

‘Vermogen is altijd schever verdeeld dan inkomen. Denk aan jongeren die nog vermogen moeten opbouwen. Verder zijn in Europese welvaartsstaten de sociale voorzieningen zoals zorg en onderwijs goed, dus misschien ontbreekt ook de noodzaak.

‘Maar er is inderdaad een groep met lage inkomens en weinig vermogen die echt slecht af is, mensen die arm zijn. Migranten zijn daarin duidelijk oververtegenwoordigd, omdat ze geen kansen krijgen en daardoor hun kinderen ook niet.’

Onderwijs is een belangrijke gelijkmaker, zegt u. Maar volgens Nederlands onderzoek is er een grote kansenongelijkheid door vroege selectie en privéscholen.

‘Dat is een belangrijk onderwerp. Sociale mobiliteit en kansengelijkheid moeten gestimuleerd worden. Dure privéscholen, die kinderen een voorsprong geven op andere kinderen, zijn slecht voor de maatschappij.’

Een andere door u aangehaalde grote gelijkmaker is de woningmarkt. Maar huizen zijn zo duur geworden dat bijna niemand er meer een kan kopen.

‘De huizenmarkt is een uitdaging. In het algemeen is het goed dat er zo veel waarde is gecreëerd. Maar niet iedereen heeft daarvan kunnen profiteren. Huiseigenaren hebben wijs geïnvesteerd, of hebben geluk gehad.

‘Dus de vraag is hoe meer mensen huiseigenaar kunnen worden. Waarom kan er nu niet genoeg gebouwd worden? Komt dat misschien door regelgeving? Moeten we bonussen uitdelen voor meer woningen?

‘Overigens speelt niet alleen de beperkte voorraad een rol. Je hebt ook de verstedelijking. Op de een of andere manier zijn grote steden aantrekkelijker geworden. Er zijn wel goedkope huizen in Nederland, Zweden en Duitsland, maar die staan op het platteland, waar niet veel mensen willen wonen. Maar het kan wel, goedkoop wonen, als je wilt.’

U bent geen voorstander van een hogere erfbelasting. Maar de komende decennia gaan er honderden miljarden van babyboomers naar hun kinderen, die het geld niet nodig hebben omdat ze al vermogend zijn. Tegelijkertijd erven anderen weinig tot niets.

‘Ik begrijp de wens, maar het is vooral een praktisch verhaal. Vermogensbelastingen, dus ook de erf- en schenkbelasting, leiden altijd tot problemen. Mensen hebben er een hekel aan en proberen ze te omzeilen. Het is dus veel gedoe met weinig opbrengsten.

‘Ik ben ervoor om inkomen uit vermogen te belasten, zoals rente en dividenden, niet het vermogen zelf. In Zweden is de erfbelasting twintig jaar geleden al afgeschaft. Door een sociaaldemocratische regering.’

Econoom Simon Toussaint – u heeft hem geholpen met zijn promotie – zegt dat u een zeer gerespecteerd ongelijkheidsonderzoeker bent. Maar uw interpretaties zijn optimistischer dan die van andere onderzoekers, om niet te zeggen zorgeloos. Herkenbaar?

‘Haha, dat heeft Simon goed gezien. Ik wil de positieve dingen zien, waar we van kunnen leren. Wetenschappers mogen met elkaar van mening verschillen, dat is goed. Maar we moeten ook vooruitkijken, naar wat werkt.

‘We mogen trots zijn op de welvaartsstaten die we hebben opgebouwd. Die moeten we verder verbeteren, zonder de fundamenten zoals ondernemerschap aan te tasten.’

Lobbybijeenkomst familiebedrijven

Daniel Waldenström was onlangs in Nederland voor een door lobbykantoor Meines Holla & Partners georganiseerde debatbijeenkomst over ondernemerschap en ongelijkheid.

Het kantoor is ingeschakeld door een groep familiebedrijven, die zich zorgen maakt over het ondernemingsklimaat. In de discussie over ongelijkheid worden de familiebedrijven genoemd als een probleem, stelt partner Stefan Tax van Meines Holla & Partners.

Terwijl ze volgens hem juist een oplossing kunnen zijn: ‘Ze willen geen belastingvoordeel of extra subsidies, maar wel een goed ondernemersklimaat in het belang van de hele maatschappij.’

Luister hieronder naar onze podcast de Volkskrant Elke Dag. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next