is huisarts en columnist van de Volkskrant.
Afgelopen maand dienden Lisa Westerveld en Julian Bushoff (GL-PvdA) een initiatiefnota in om commerciële huisartsenzorg te begrenzen. Hun voorstel werd gezien als een belangrijke stap in tijden van groeiende zorgen over de invloed van marktwerking op de eerstelijnszorg en kreeg brede steun in de Kamer. Maar tegelijkertijd rijst een gevoelige vraag: wat bedoelen we eigenlijk met ‘commercieel’ in de context van huisartsenzorg?
Dat een huisartsenpraktijk die wordt overgenomen door een investeringsmaatschappij met belangen in vastgoed en software als commercieel kan worden bestempeld, is overduidelijk. We denken dan al snel aan namen als Co-Med, Centric Health of Arts en Zorg: ketenpartijen waarin praktijken worden samengevoegd tot strak geleide zorgfabrieken, met centrale aansturing, gedeelde backoffices, en een nadruk op digitalisering. Maar de realiteit is vaak minder zwart-wit en juist daarom des te ingewikkelder.
Neem dit voorbeeld: en patiënt belt een grote praktijk in de stad. Hij zoekt een nieuwe huisarts. De assistente zegt vriendelijk maar beslist: ‘Vanwege gebrek aan capaciteit en ruimte nemen wij helaas geen nieuwe patiënten aan.’ Het is een veelgehoorde boodschap in een tijd waarin meer dan de helft van de huisartsenpraktijken in Nederland gesloten is voor nieuwe inschrijvingen.
Maar enkele dagen later ontdekt dezelfde patiënt dat deze huisartspraktijk op woensdagmiddag wél open is voor cosmetische behandelingen zoals botox en fillers. Mogelijk onder een aparte BV, maar in hetzelfde pand, door dezelfde dokter. Een andere praktijk, ook gesloten voor nieuwe inschrijvingen en bovendien een wachttijd voor een afspraak bij de huisarts van maar liefst 2 weken, is wél op korte termijn beschikbaar voor rijbewijskeuringen, sport- of duikkeuringen en gezondhiedscontroles voor expats.
En wat te denken van een huisarts die meer dan 15 duizend patiënten op haar naam heeft staan, verdeeld over meerdere vestigingen, grotendeels bemenst door huisartsen in loondienst en zzp’ers? Is zij een efficiënte praktijkhouder, of feitelijk de eindverantwoordelijke van een zorg-BV? En is dat dan slim ondernemerschap of sluipende commercialisering? Zeg het maar.
Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Misschien moeten we het zien als noodzakelijk ondernemerschap van praktijkhouders die simpelweg proberen overeind te blijven in een systeem waar de rek er al jaren uit is. Waar de kosten voor personeel, ICT en huisvesting gestaag stijgen, terwijl de door de Nederlandse Zorgautoriteit vastgestelde tarieven nauwelijks meestijgen. Waar medewerkers in loondienst via cao-onderhandelingen hun arbeidsvoorwaarden zien verbeteren, maar de praktijkhouder zijn ‘winst’ (lees: inkomen) ziet verdampen.
In zo’n context voelt het logisch, zelfs onvermijdelijk, om bijverdiensten te zoeken via cosmetische ingrepen, reizigersvaccinaties of medische keuringen. Legitieme extra’s die niet alleen inkomsten, maar ook het werkplezier verhogen.
Dat is meteen ook het lastige aan deze discussie: het gaat zelden om een praktijkhouder zonder artsendiploma in een maatpak met gouden manchetknopen. Om iemand die zorg ‘uitvent’ puur als verdienmodel. Vaker zijn het betrokken, hardwerkende dokters die dagelijks balanceren tussen hun medische idealen en de (economische) realiteit van de praktijkvoering.
Wat we in de huisartsenzorg zien, is geen uitzondering. Het is een spiegel voor een bredere ontwikkeling in de gezondheidszorg. Ook in ziekenhuizen, de geestelijke gezondheidszorg en de paramedische sector neemt de druk toe om ‘meer te doen met minder’, en groeit de verleiding van private verdienmodellen.
Zo zijn er specialisten die naast hun werk in het ziekenhuis commerciële behandelcentra opzetten. GGZ-aanbieders die zich concentreren op lichte, korte zorgtrajecten met hoge declaratiewaarde. En fysiopraktijken die hun zorgpakket uitbreiden met personal training en voedingsadviezen op abonnement. De lijnen tussen publieke en commerciële dienstverlening vervagen, wat gevolgen heeft voor toegankelijkheid, kwaliteit en vertrouwen in de zorg.
In de praktijk praten we er zelden openlijk over. Wie commerciële tendensen benoemt, krijgt al snel het verwijt een moraalridder te zijn, of erger: een collega af te vallen. Dat is nadrukkelijk niet mijn bedoeling. Toch kunnen we niet ontkennen dat we stilzwijgend opschuiven naar een systeem waarin publieke middelen steeds vaker particuliere belangen dienen.
Het debat over commerciële huisartsenzorg is zonder meer nodig. Maar het begint pas echt wanneer we durven toegeven dat de grens niet ligt bij grote winstbeluste ketenpartijen à la Co-Med. Soms ligt die gewoon in onze eigen spreekkamer. Op een doodgewone woensdagmiddag.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns