Politiemensen over die ene melding, wat er daarna gebeurde en hoe dat hun kijk op het vak heeft veranderd. Korpschef Janny Knol (55) sprak na het overlijden van een collega met de echtgenoot en dacht: wat ben ik een rotmens.
is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant.
‘Ik weet de datum nog precies: zondag 17 november 2002 had mijn ploeg voetbaldienst. We stonden bij het stadion van PEC Zwolle, en ineens klonk over de portofoon: ‘Collega’s te water geraakt.’
‘Iedereen viel stil. Want je weet: dat kan mij ook overkomen. Onderweg naar een spoedmelding was de dienstauto van twee collega’s in een bocht geslipt en het kanaal ingegleden. De brandweer was met een reddingsactie bezig. Het was vlakbij, maar we konden niets doen – de politie is daar niet op uitgerust en getraind, dus je voelt je machteloos.
‘Als je weet dat je collega’s vechten voor hun leven, wordt werken lastig. We zijn met z’n allen terug naar het bureau gegaan. Toen ik de meldkamer meldde dat we weer binnen waren, zei de centralist: ‘Janny, het gaat om Erna en Jeannette.’ Hij wist dat Erna en ik in het verleden nauw hadden samengewerkt.
‘Dat kwam hard aan. Ik ging tegelijk met Erna leidinggeven aan het team Zwolle-Noord, onder supervisie van teamchef Martin van Pijkeren. Maar Martin werd ziek, en toen moesten wij dat met z’n tweeën fiksen. Daar zat een team van dertig à veertig door de wol geverfde politiecollega’s in een voor mij nieuwe regio, en ineens komen daar twee vrouwen vertellen wat ze moeten doen. Dus dat was best spannend.
‘Aan de ene kant zaten Erna en ik in hetzelfde schuitje, aan de andere kant zag ik haar ook als mijn concurrent. Ik dacht: ik moet het beter doen dan zij. Het was mijn eerste leidinggevende baan, ik had bewijsdrang, moest mezelf nog ontdekken. Wat ben je waard? Kun je mensen in beweging krijgen?
‘Na dat ongeluk lag Erna in coma in het ziekenhuis. Ik heb een positieve inborst en dacht: dat komt wel goed. Even stond de wereld stil, maar de winkeldieven, aanrijdingen en meldingen van huiselijk geweld gaan gewoon door.
‘Dinsdag kwam Roel, de districtschef, op ons bureau. Hij zei: ‘Jeannette is buiten levensgevaar, maar voor Erna ziet het er slecht uit.’ Verslagen hoorden we het aan. Woensdag kwam Roel weer, samen met de baas van de regio. Dan weet je: het is mis. Ze zeiden dat Erna was overleden en dat de familie graag wilde dat ze met korpseer werd begraven, gedragen door collega’s uit haar oude en nieuwe team. Haar echtgenoot had gezegd: ‘Janny moet in ieder geval de kist dragen.’ Dat was een eer, maar het verraste me ook, omdat Erna en ik concurrenten waren. Althans – zo voelde ik dat.
‘De draagploeg ging naar Erna’s huis om met haar man over zijn wensen te spreken, en om afscheid te nemen. Erna lag daar opgebaard. Niet iedereen wilde haar zien, maar voor mij was het belangrijk. Dat beeld heb ik nog haarscherp voor ogen, dat gaat niet meer weg.
‘Na het afscheid was het druk in dat huis. Ik zat ergens met een kopje koffie toen Erna’s man naast me kwam zitten. Hij begon te vertellen hoe belangrijk die periode in Zwolle-Noord voor Erna was, dat ze onze samenwerking heel prettig vond en enorm waardeerde hoe ik leidinggaf. Dat kwam hard binnen. Toen realiseerde ik me dat Erna veel verder was in haar leiderschap dan ik. Ze handelde niet vanuit concurrentie, maar vanuit de kracht en kwaliteit van ons beiden. Ik dacht: jeetje, wat ben ik een rotmens. Ik streed met haar, maar zij niet met mij.
‘Dat is een van de grootste lessen in mijn leiderschapsloopbaan: je kunt jezelf in de spotlights zetten, maar je kunt de spotlights ook richten op samen. Je hoeft een ander niet aan de kant te duwen om richting te geven. Leiderschap mag nooit ten koste gaan van een ander. Houd oog voor elkaar en neem jezelf daarin mee.
‘Die fatale zondag had Erna de leiding. Iemand was ziek en ze besloot: ik ga op zondag niemand vragen om op z’n vrije dag die dienst over te nemen, ik ga gewoon zelf aan het werk. Dat is groots. Ik noem het dienend leiderschap en draag dat sindsdien met me mee.
‘Tijdens de uitvaart heb ik Erna gedragen. Toen we de kerk in kwamen was het doodstil, je hoort alleen je eigen voetstappen. Afschuwelijk. Het lied ‘Ik heb een steen verlegd’ klonk, en nog steeds als ik dat hoor, moet ik aan haar denken. Op de begraafplaats liepen we eerst door een kapelletje. Daar barstte ik in huilen uit, in het besef: je brengt een dierbare collega naar haar laatste plek.
‘Vorig jaar werd ik korpschef. Dat werd bekendgemaakt op 17 november, mind you – Erna’s fatale dag. Iets heel bijzonders maakte de cirkel rond: ik kreeg een berichtje van Erna’s dochter, die jong was toen haar moeder overleed en mij helemaal niet kende. Ze schreef: ‘Mijn moeder heeft hard gestreden voor gelijke rechten bij de politie. Hoe mooi dat er nu een vrouwelijke korpschef is.’’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant